Recensie van Het leven deugt. Althans op onderdelen - Anton Korteweg

Ooit waren ouderen het gelukkigst

Anton Korteweg
Het leven deugt. Althans op onderdelen
Uitgever: Meulenhoff
2017
ISBN 9789029092258
€ 18,99
76 blz.

Hij golft, hij bridget, stemt op de VVD,
steunt het Cultuurfonds, Vriend van de UB,
hij kromp inmiddels drie, vier centimeter
en is daar niet eens ongelukkig mee.

‘Het leven deugt. Althans op onderdelen’ is een beetje knullige titel. De achterflap sluit daar mooi bij aan. Een tenenkrommend kwatrijn en een bijzondere aanbeveling van Herman de Coninck: ‘Zo lees ik in moeilijke dagen Anton Korteweg. En dan kan ik mijn geluk weer aan.’ Mooie woorden, daar niet van. Maar de goede Herman is al 20 jaar dood. Dan is het een beetje knullig om bij de lancering van je nieuwe bundel voor de zoveelste keer aan te halen wat deze coryfee ooit van je werk vond.
Ik vermoed dat Anton Korteweg hier zelf niet zo’n punt van maakt. In zijn werk heeft hij immers knulligheid tot kunst verheven. Ironie, zelfspot, melancholie zo niet misantropie: het zijn vaste ingrediënten van zijn poëzie. De eerste afdeling heet dan ook niet voor niets ‘Het ergst komt aan ‘t begin’. Zestien gedichten lang mogen we meeleven met het knulletje Korteweg, letterlijk vanaf zijn geboorte tot en met die problematische tijd van de adolescentie en misschien wel verder. Hij schrijft er luchtig over, alsof hij zeggen wil: in mijn hart ben ik altijd nog dat jongetje gebleven.

Verstoppertje

‘k Heb altijd graag verstoppertje gespeeld.
Bestond ik niet. Dat was toen al een feest.

Liefst was ik teruggekropen in de moederschoot,
maar daar is weinig van terechtgekomen:
mijn hoofd bracht het nooit verder dan haar schort.

‘t Was dus behelpen met een kast, of onder tafel,
of in de tuin achter een dikke boom,
en ook de rieten wasmand was een optie.

Veel later mocht ik in een andere vrouw wel schuilen.
Ik wist niet of ik lachen moest of huilen.

Het procedé van een rijmend distichon als einde van een gedicht komen we vaak tegen in deze bundel. ‘De opgeloste God, de onbestaande Sint. / De heiligman was ‘t ergst. Ik was nog kind.’ Een intikkertje, aan het eind van het gedicht ‘Sint en God’. Of het slot van het gedicht dat veelbetekenend ‘De achterloper’ heet: ‘Ik werd pas later dan de meeste jongens groot / en ben vast later dan de meeste mannen dood.’ Het is een vorm van zelfspot met soms een wrange ondertoon. Niet voor niets opent de bundel met een vierregelig motto van Hölderlin, waarvan de laatste twee regels luiden: ‘April und Mai und Julius sind ferne, / Ich bin nichts mehr, ich lebe nicht mehr gerne!’ In zijn eigen vertaling, verderop in de bundel, luidt dat: ‘Het hoogseizoen ligt al ver achter mij. / ‘k Stel niks meer voor, ben er niet graag meer bij.’

Vriendelijker kijkt hij naar zichzelf in ‘Ouderwets mannetje, Leiden, jaren zestig’. Dat ouderwetse mannetje is de jonge dichter natuurlijk zelf, met zijn afwijkende, ouwelijke muzieksmaak midden in de bruisende jaren zestig. Maar dat gebrek aan avontuur zit in de familie: ‘Een echte Korteweg. Zit ik niet mee.’ Op een andere plek ga ik dieper op dit gedicht in.
Het is een goede gewoonte in een recensie iets te zeggen over de titel van de bundel. Vaak is dit de titel van een gedicht, soms ook een fragment, zoals blijkt uit onderstaand gedicht:

Overal aan gedacht

Pigikitkrengenhuisjesconstructeur.
Onbeperkt wokken op zondag.
Zaadportemonnee.
Alles is er.

De eerste maakt ijzeren kistjes
voor ontijdig geëindigde varkens
– groene botervloten met handvat –
te Ruddervoorde, West-Vlaanderen.
Want varkens, dood, moeten weg.

In het tweede leeft men zich uit
in de Houtrusthallen, Den Haag,
ook tijdens de kerstdagen.
Eens in de week moet gesmuld.

En in Leiden wordt men zo nodig
door een radioloog van het Rijnlands
van een ballenbeschermer voorzien.
Is er iets mis met het bekken,
dient een röntgenfoto gemaakt.

Geef toe, al kan het bovenstaande u niks schelen:
het leven deugt. Althans op onderdelen.

Ook ditmaal een rijmend distichon tot slot. Ik heb hier wel een beetje dubbel gevoel bij. De dichter lijkt zich in deze regels in te dekken tegen hoe dit gedicht op de lezer overkomt. En hij heeft gelijk: het kan mij weinig schelen. Het heeft elementen in zich van een readymade, van het gebruik van objets trouvés zoals het beroemde urinoir van Marcel Duchamp. Het vervreemdende effect dat in de eerste strofe wordt opgeroepen is wel aardig, maar er wordt verder weinig poëzie van gemaakt. Dat gevoel heb ik bij meer gedichten in de tweede afdeling, ‘De stekels van de dag’. De tweede helft van deze afdeling, vanaf ‘Jong modaal vrouwenhoofd in de trein’ bevat observaties van de dichter in de trein, op het terras, gewoon op straat of schrijvend voor zijn raam. Dit leidt tot bijzondere of soms ook minder bijzondere bespiegelingen. Zoals hij zelf schrijft in ‘Dichterschap’: ‘Je moet er het beste uit kiezen / en dat dan zien te onthouden’.

‘Even nog, en ik mag ook’ is de prikkelende titel van de laatste afdeling. De dood is hier nadrukkelijk aanwezig. Soms in een komische dialoog met de dichter, maar vaak ook als het voorland, dat zich nadrukkelijk in allerhande kwalen aankondigt. In ‘Oudere dichter’ geeft hij ons een welgemeend advies: ‘Probeer stukje bij beetje in je latere leven / wat plekjes in je vrij te maken voor de dood, / wat slechter lopen al, een tic, een beetje doof, (…) dan slaat hij je straks minder uit het lood’. Maar voor dezelfde oudere dichter is het behoorlijk lastig om de poëtische ingevingen die tijdens een fietstochtje naar boven komen op tijd vast te leggen. En als dat dan al lukt, blijkt ‘de vangst van de dag’ ook nog eens fors tegen te vallen. Nee, ouderen zijn niet het gelukkigst, zoals Korteweg ons eerder probeerde bij te brengen. De ouderdom komt met gebreken, en er wacht ons geen vrolijk einde. Korteweg stelt zich daartegen teweer met zijn eigen vertrouwde wapens: humor in alle gradaties tussen ironie, galgenhumor, zelfspot en zelfs meligheid. Een bundel die deugt. Althans op onderdelen.

Poëzie Kort 2017 / 3

Hester van Beers, Het einde van de roltrap

In het debuut Het einde van de roltrap van Hester van Beers (1995) baant een jongvolwassen lyrisch ik zich moeizaam een weg door het leven en de liefde. Ook het doodsbesef komt onvermijdelijk aan de orde, zoals in ‘Helium’, dat in deze context doet denken aan een snelle en pijnloze manier om een einde aan het leven te maken. In dit gedicht heeft de dichter weinig woorden nodig om haar onrust te verwoorden en dat doet ze ook nog eens indirect: de ‘ballonnenwinkel’ heeft in deze context en door de titel een dreigende connotatie en de ironie die zij gebruikt kan een manier zijn om angst te onderdrukken:

Helium

De piano klinkt door de hal van het ziekenhuis.
Het is bijna mooi.

Ze verkopen hier gebakjes
en bloedtransfusies.

Ik drink kersencola uit de ballonnenwinkel.
Af en toe loopt er een infuuspaal langs de leestafel.

Dit is de wereld maar dan wit, de plek
waar men veilig dood kan gaan.

Deze sobere gedichten zijn aantrekkelijk: met weinig woorden roept zij een wereld op. Ook kan Hester van Beers heel beeldend zijn. De eerste strofe van het titelgedicht luidt:

Ik was altijd bang dat ik zou worden verslonden
door het einde van de roltrap. Ik klemde me vast
aan de hand die uit de hemel leek te hangen,
maar later gewoon van mijn vader bleek te zijn.

Een klein meisje dat zich vastklemt ‘aan de hand die uit de hemel leek te hangen’: een kinderlijke angst en een onvoorwaardelijk vertrouwen in zowel haar hemelse als haar eigen vader vallen in deze regels mooi samen. Later blijkt de angst te zijn gebleven, maar het vertrouwen is verdwenen. De roltrap blijkt een beeld voor de moeizame gang naar volwassenheid te zijn: ‘Soms wou ik dat de roltrap me verslonden had.’

De gedichten zijn niet altijd geslaagd, meestal doordat de beeldspraak ontspoort. In ‘Sneeuwbol’ maakt zij metaforen van metaforen: ‘Mijn hoofd in je handen / schud je tot het sneeuwt, / watersnippers voor mijn ogen // dwarrelen als droge kapucijners wanneer de pot door je vingers glipt, ( … ). Bovendien kan ik me bij ‘dwarrelende kapucijners’ kan niets voorstellen, bij vallende wel.
Deze gedichten zijn in de minderheid. Hester van Beers heeft in ieder geval laten zien dat zij talent heeft. Meer gedichten kunt u lezen in Meander.

De uitgever is helaas nogal slordig. In het stukje over de dichter en Katja Fred, die de illustratie op het voorplat heeft gemaakt, staan maar liefst acht spelfouten. Ik noem er een paar: ‘je [ … ] word’, ‘verantwoordelijkheid gevoelens’, ‘( … ) dat je een soort schuldgevoel overhoud’. Onnodig en ontsierend.

***
Hester van Beers (2016). Het einde van de roltrap. Lipari, 48 blz. € 14,90

 

Nanne Nauta, Bokalen

Bokalen is zijn meest intieme bundel tot nu toe, stelt Nanne Nauta in zijn inleiding. Hij ontdekte dat hij droombeelden in hun geheel terug kon halen als hij er korte notities van maakte. Zijn interesse in dromen was gewekt, vooral omdat recent onderzoek naar de werking van de hersenen veel nieuws heeft opgeleverd: ‘Zo weten we tegenwoordig waarom een droom vooral visueel is en een aaneenschakeling van willekeurige fragmenten. Waarom je je een droom moeilijk of niet kan herinneren. Waarom er geen waarom is in dromen.’
Hij besloot een bundel te maken van droombeelden die hij gedurende een jaar noteerde: één zin per beeld. Met die moeizame herinneringen valt het dus nogal mee. En het visuele vangt hij in taal, in zijn taal, die natuurlijk de beelden kleurt. Vervolgens moet je zijn notities weer omvormen tot taalloze droombeelden.
De gedichten hebben de vorm van bokalen – de lezer mag ze leegdrinken. Een voorbeeld:

5.5

rij vanaf het vakantieadres terug in een 2CV met het stuur aan de rechterkant.
      wacht bij het CBR tot ze alledrie hun rijbewijs hebben opgehaald.
         betrap mijn vriendin in bed met een ander en loop huilend weg.
             rij met een voor een bruiloft afgehuurde tram door Parijs.
                 eet de laatste zelfgemaakte maaltijd met tomatensaus.
                            fotografeer een molen die verlicht wordt.
                                  drink een beker melk op IJsland.

De bundel roept veel vragen op en dat maakt hem amusant. Lukt het je de zinnen te vertalen in droombeelden? Je doet dat per definitie in je eigen stijl, als filmregisseur. En roepen ze ook eigen droombeelden op? Zie je per bokaal beelden uit één droom of uit allemaal verschillende? Je zou zeggen: het laatste, want de notities lijken uitgezocht op lengte om de vorm van een bokaal mogelijk te maken. Maar maakt dat wat uit? Een droom is immers een aaneenschakeling van willekeurige fragmenten. Het is trouwens de vraag of we die willekeur als zodanig ervaren: we zijn geconditioneerd op het scheppen van een samenhangend geheel. Met enige fantasie is die in ieder gedicht aan te brengen.
Ook leuk: zie je relaties met andere bundels van Nanne Nauta? Met andere woorden: leren we de dichter beter kennen door zijn dromen? En als er geen waarom is in dromen, waarom droomt hij dan regelmatig over ‘een dichteres’, sport, school en een camping?

Raymond Queneau (1903 – 1976) is een belangrijke inspiratiebron voor Nauta. Aan hem ontleent hij het motto: ‘Il y a des rêves / qui se déroulent comme / des incidents sans importance …’. Kan zijn, maar ze hebben wel een mooie bundel opgeleverd.

***
Nanne Nauta (2017). Bokalen. crU, 64 blz. € 16,95

 

Anton Korteweg, Het oog van de dichter

Ons Erfdeel bestaat zestig jaar. Ter gelegenheid daarvan schreef Anton Korteweg de essaybundelbundel Het oog van de dichter, waarin hij vijfentwintig schilderijgedichten heeft opgenomen, ieder in een vaste volgorde: het schilderij, het gedicht en, in de woorden van Korteweg, een opstel. Het oudste is van Jan van Nijlen, het meest recente van Joost Zwagerman. Verder heeft hij gedichten opgenomen van Claus, Boutens, Heytze, Nijhoff en anderen. Charlotte Mutsaers schreef een prachtig gedicht bij ‘ Vader op fietstocht ’, het schilderij van Roger Raveel, waar ik naar kan blijven kijken. (Het hangt in het Centraal Museum in Utrecht).
Beeldgedichten over etsen, tekeningen, foto’s, non-figuratieve schilderijen en plastische kunstwerken heeft Korteweg niet opgenomen. In zijn verantwoording geeft hij aan welke criteria hij nog meer heeft gehanteerd: ‘Geen cumulatieve [gedichten, handelend over de totaalindruk van het hele oeuvre van een schilder], biografische, loftuitende, verguizende of fictieve schilderijgedichten [ … ], maar uitsluitend gedichten waarin de dichter zich verhoudt tot één bepaald schilderij.’

Een mooi voorbeeld is het ‘Middeneeuws portret’ van de jonge, nog bleue Jan van Nijlen (1884 – 1965). Een goed sonnet vind ik het niet, maar dat doet er in dit geval niet toe. Hij was zeer onder de indruk van de ‘ Idealbildnis einer Kurtisane als Flora ’ van Bartolomeo Veneto (ongeveer 1480 – 1531), te bewonderen in het Städelches Kunstinstitut Frankfurt. Zij was mogelijk ‘de scandaleuze dochter’ van paus Alexander VI en de minnares van paus Borgia.

Middeneeuws portret

Prinses! geschilderd door een primitieve
en eedle hand wier geen lijn is ontgaan,
waarom blikt gij mij dezen avond aan
in dit onzeker licht met uw naïeve

gevaarlijke ogen, die zo plots vergaan
en weer ontluiken? ‘k Durf niet naar believen
lachen of wenen, wanneer straalt uw lieve
onkuise blik dien niemand heeft verstaan.

Uw jonge borst is, half-omsluierd, naakt,
en met een hand wier lijn de kunstenaars roemen,
biedt gij een tuil van witte en rode bloemen …

Waarom staart gij zo onverschillig? Haakt
gij soms naar iets dat nooit uw hart genaakt,
prinses of vrouw! hoe zal mijn angst u noemen? …

‘Sletvrees van een timide en geïmponeerde adolescent?’ vraagt Korteweg zich af. Hoe anders keek de grote esthetisch-decadente schrijver J.K. Huysmans (1848 – 1907) naar dit schilderij. Hij noemt haar ‘die onverbiddelijke mooie androgyn’, voor wie hij heeft staan huiveren: ‘[ … ] zij is ontuchtig maar zij speelt open kaart; zij prikkelt maar waarschuwt ook [ … ]; zij zet aan tot wellust en tegelijk kondigt zij de boetedoening van de geneugten des vlezes aan [ … ]. Zij is bekoorlijk en ze is gevaarlijk [ … ]; zij heeft iets van een keelsnijdster en gifmengster in zich’. (Het citaat komt uit The Romantic Agony; de vertaling is van Anton Haakmans).

Gedichten over non-figuratieve schilderijen nam Korteweg niet op: er zouden er simpelweg te weinig zijn door het autonome, niet verwijzende karakter van deze werken. Via een achterdeurtje geeft hij in zijn verantwoording toch een mooi voorbeeld, hoewel het in mijn ogen een grensgeval is, omdat het schilderij wel degelijk een verwijzend karakter heeft. Het is het gedicht ‘Mondriaan’ van Tom van Deel over Bloeiende appelboom , met de mooie beginregels: ‘Dit is geen boom, dit is het metrum / van de boom. Een eenvoud waartoe alles, / ooit, moet herleid om heel en afgerond / begrijpelijk te zijn ( … )’. Korteweg schrijft er nog een mooie alinea over.

***
Anton Korteweg (2017), Het oog van de dichter. 25 schilderijgedichten belicht. Ons Erfdeel vzw, 272 blz. € 35,00

Recensie van Ouderen zijn het gelukkigst - Anton Korteweg

Alleen nog maar even doodgaan

Anton Korteweg
Ouderen zijn het gelukkigst
Uitgever: Meulenhoff
2009
ISBN 9789029085670
€ 17,95
60 blz.

Anton Korteweg (1944) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en algemene literatuurwetenschap, werkte een paar jaar in het middelbaar onderwijs en aan de Leidse universiteit, recenseerde voor Het Parool en was van 1979 tot januari 2009 directeur van het Nederlands Letterkundig Museum. Als dichter debuteerde hij in1968 in Tirade, enkele jaren later verscheen zijn eerste bundel, Niks geen Romantic Agony (1971), waarop met grote regelmaat bij diverse uitgevers een flinke serie bundels volgde, waaronder liefst drie keuzes uit eigen werk. Daarnaast publiceerde hij o.a. allerlei thematische bloemlezingen, werkte hij mee aan de bekende serie Schrijversprentenboeken en droeg hij bij aan diverse jublileumuitgaven en vriendenboeken.

In 1986 werd hem als eerste de A. Roland Holst-Penning toegekend, maar verdere, grote bekroningen bleven tot dusverre uit, evenals breed gedragen erkenning door het grote publiek trouwens, want Korteweg is ondanks een flinke schare trouwe bewonderaars nooit een populair dichter geworden. Het zal komen door het feit dat zijn poëzie zich kenmerkt door een soort dubbele ironie, waarin de beschrijving van voornamelijk kleine gebeurtenissen ertoe dient grote, melancholische gevoelens op te roepen, die vervolgens door stijl en woordkeuze haast laconiek geridiculariseerd worden, maar zodanig dat er toch altijd een herkenbare kern overblijft waarin Korteweg zich blootgeeft – om vervolgens met dezelfde vaart al het openhartige en confidentiële toch weer licht bespottelijk te maken. Hugo Brems sprak in dit verband ooit over een intellectualistisch spel dat Korteweg zou spelen, maar het is eerder zo dat hij niet tot spel in staat is, omdat het leven pure ernst is. Het ironische van de ironie is bij hem dan ook dat deze in laatste instantie niet bedekt, maar onthult. Eén dubbele bodem kunnen de meeste lezers wel aan, maar twee maakt wankel. Maar neem Haverschmidt, Bloem en Weemoedt, en de mix van deze drie geeft weer vaste grond.

Tien jaar terug gaf Korteweg Comfortabel ongelukkig, de tweede bloemlezing uit eigen werk, een motto mee dat hij aan H.C. Rümke’s Levenstijdperken van de man ontleende: ‘Het is een banale waarheid, dat men in het leven van een opgaande en van een dalende lijn kan spreken.’ 55 jaar was Korteweg toen, en daarmee had hij precies het einde van de opgaande lijn bereikt, die loopt van de jeugdperioden naar volwassenheid en vanaf 40 naar virilitas, de rijpe volwassenheid. Daarna zet met het praesenium de ouderdom in, en Korteweg maakte in een flink aantal gedichten duidelijk dat het bij hem in feite al lang zover was, een neergang die hij met een zekere voldoening beschreef.

In Ouderen zijn het gelukkigst nadert de dichter de 65, en daarmee de slotperiode van het senium of de senectus, waarin hij in theorie de ‘hoogvlaktebewoner’ van de ouderdom zal kunnen zijn. In deze nieuwe bundel heeft Rümke zich nadrukkelijk – misschien al te nadrukkelijk – toegang verschaft tot de gedichten zelf. Pièce de résistance is de driedelige cyclus die de naam van Rümke en diens boek draagt, maar voor het zover is, is daar in liefst vier gedichten al naar verwezen. De eerste keer op blz. 19, in het gedicht ‘Op het begin van mijn praesenium’, tevens het titelgedicht:

Op het begin van mijn praesenium

Onmachtige sukkels als ik
zien met glazige ogen aan
hoe mooi de jeugd is en strak
en maar raak doet in disco’s en uitspat
en vrolijk rondneukt aan costa’s.

‘Ouderen zijn het gelukkigst’,
kopt NRC Handelsblad
van zes zes tweeduizendzes.

Hebben die ook nog wat.

De tweede keer op blz. 23 met ‘Op mijn praesenium’, waarin voor hem als oude man wel alles symbool lijkt te moeten worden voor hetzelfde, namelijk ‘Waarom is iets niet wat het is/ maar moet het zo nodig verwijzen/ en dan nog als ‘t kan naar de dood?’ Vervolgens op blz. 37 in ‘Oudere heer tijdens een congres in Toscane’ als hij zich als ‘man in het praesenium’ opnieuw onder de sukkels schaart, omdat een stukje blote meisjesbuik een flinke botsing teweeg brengt tussen lust en onmacht. Op blz. 41 staat dan nog het kwatrijn ‘Op mijn senectus’: ‘Aan alles komt een eind. Ik heb je niets/ dan mijn verlangen meer te bieden dat/ ik als een offer aan je voeten leg./ Als je verstandig bent, trap je me weg.’
Aldus grondig voorbereid volgt dan tegen het eind van de bundel het Rümke drieluik. Dit is, met een kleine inkorting, het eerste gedicht ervan:

Prof. dr. H.C. Rümke, Levenstijdperken van de man

I  Het grote gebod is ‘Entsagung’

Soms, op de levenszee dobberend,
weet je niet goed waar je bent,
stuit je maar steeds op jezelf.

Goddank is er dan Rümke.
‘Kalm aan maar, praesenex,’ zegt hij,
‘het seizoen is bijna gesloten,
[…]
                                               bedenk:
het grote gebod is ‘Entsagung’.
Gehoorzaam de wet van de fase
waarin ‘t U vergund is te leven.’

Dat gebod onderhoud ik van harte,
te meer daar hij mij heeft beloofd:
als de Eros geheel is geweken,
ondervind ik een diepe vrede.

Dan woon ik al in Senectus,
waar ik alleen nog maar even
vergenoegd dood hoef te gaan.

Hoezeer Korteweg zichzelf hier ook de zegeningen van berusting en resignatie voorhoudt, hij kan (en wil) in de bundel zijn geobsedeerdheid door erotiek en seksualiteit niet verbloemen. Enerzijds blijkt dat uit de preoccupatie met het afnemen van lust en potentie, met hoeveel zelfspot ook verwoord (bijvoorbeeld in ‘Gebeurtenis’ waarin hij een tegenover hem gezeten treinpassagiere onder haar rok kijkt en daarbij tot zijn schrik en verbazing onaangedaan blijft), anderzijds uit de kennelijke graagte waarmee hij in de beste libertijnse traditie ongegeneerd scabreus is, zoals in ‘Scheepsramp’, dat hilarisch beschrijft wat de gevolgen zijn van het zinken van een schip met ‘giftige genitaliën’ (een type woordgrapje dat Korteweg wel vaker heeft toegepast).

Ouderen zijn het gelukkigst telt drie afdelingen, ieder met vijftien gedichten: Onmachtige sukkels als wij, We waren behoorlijk wanhopig en Het seizoen is bijna gesloten. De toon is in alle afdelingen dezelfde – vanaf het begin is er consistent sprake van de in spot verpakte vrolijke wanhoop waarop Korteweg patent heeft -, maar de kwaliteit van de gedichten is heel verschillend. Regelmatig zijn de gedichten al te eendimensionaal en gaat hij voor het al te makkelijke succes. Het aardige is dan weer wel, dat hij dat zelf heel goed weet en dan niet te beroerd is een gedicht dan bijvoorbeeld de titel ‘Lekker makkelijk’ te geven.

Hoewel Korteweg een voorkeur lijkt te hebben voor het korte, bijna sententieachtige (hij herschrijft zelfs een drietal gedichten in de door Sofie Cerutti gemunte sms-vorm), is hij toch op zijn best in de wat langere gedichten, en dan vooral als hij tot ernst gedwongen wordt. Met name is dat het geval in de laatste afdeling waarin flink wat gelegenheidsgedichten staan, geschreven voor o.a. Remco Campert, Jan Eijkelboom en Eddy van Vliet (op diens verstrooiing).
De (naderende) dood is hier onontkoombaar aanwezig, zoals in ‘Een geniaal systeem’, waarin Korteweg overtuigend aantoont, hier zélf een beetje geniaal, dat het feit dat werkelijk iedere dag je sterfdag kan zijn, voorwaarde is voor levensgeluk.
Het gedicht over de ‘stijve’ Jellema eindigt met een kenschets van deze dichter die ook op Korteweg zelf van toepassing verklaard kan worden: ‘Enfin, Jellema was, als Jahwe, die hij was:/ man met geduld voor het onopgeloste/ in eigen hart, die als geen ander wist/ dat juist het masker ons verraadt, niet het gezicht.’ Scherper kan een zelfportret niet zijn: het ik is de ander die je zelf bent.

*******
Lees hier meer over en van Korteweg in Meander.