Recensie van Op de hoogte van de vogels - Dirk Kroon

Een barmhartige sentimentalist

Dirk Kroon
Op de hoogte van de vogels
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519047
€ 35
650 blz.

Onder de titel Op de hoogte van de vogels zijn bij Uitgeverij Liverse de verzamelde gedichten van Dirk Kroon uitgegeven. Bijna zeshonderd bladzijden gevuld met teksten, waarin een prominente plaats is weggelegd voor universele thema’s als liefde en dood. Poëzie waarvan de inhoud alvast geen belemmering kan zijn om gretig te gaan lezen… Helaas voor deze dichter behoor ik niet tot de groep mensen die, omdat ze liefhebbers van schepen zijn, een schilderij van een schip automatisch een goed schilderij vinden. Maar laat ik niet teveel op mijn eigen kritiek vooruit lopen. Een voorbeeld:

Disgenoten

Wie een atlas ter hand neemt
en tijd als een fictie beschouwt,
ziet in het hart van Europa de vuren
gestookt aan Bourgondische hoven,
de druiven geperst tot een weldaad.
Die warmte stijgt op naar het noorden.

Bedenk hoe schilders in Holland intussen
hun blik lieten dwalen in verten en luchten,
en de ultieme helderheid schiepen
die het kenmerk van onze plek werd.

Wie hier nu met liefde zijn werk vindt,
neemt deze twee ingrediënten, mengt
warmte en licht, schept klaarheid en
alles wat goed doet. Zo wordt het lam
van het land gebracht naar zacht vuur –
een knisperend teken van weelde.

Iemand heeft iets te vieren of te genieten,
heft dus uitbundig de glazen.
Het ogenblik tussen gelukwens en dronk,
laat ruimte voor de verbeelding. Het wordt
een stilleven: een milde dis waarop
alleen maar fonkelende lente ligt.

Zo op het eerste gezicht geen moeilijke poëzie. Maar dat kan nog tegenvallen. Wie scherp leest ziet al gauw dat je als lezer haast geen woord letterlijk kunt nemen. Wie in een atlas de vuren die gestookt worden aan Bourgondische hoven kan zien moet misschien toch wat verder van de kachel gaan zitten. En wat is die warmte die opstijgt naar het noorden? Geen schoorsteenwarmte vermoed ik. We zouden natuurlijk kunnen denken aan het vuur van kunst en beschaving uit de Renaissanceperiode. Maar dat wordt waarschijnlijk niet bedoeld. Italië is ook niet het centrum van Europa als we de kaart goed bekijken. Mogelijk bedoelt de dichter dat wij in het noorden bepaalde joviale gebruiken van het zuiden hebben overgenomen: de weldaad van de wijn, het Bourgondische zwelgen? Het blijft gissen. In de derde strofe blijft bij alle ‘klaarheid’ die in deze strofe geschapen wordt het woordje ‘zo’ tamelijk duister. Er wordt een logisch verband gesuggereerd, maar is dat er wel? Dat de dichter het niet zo nauw neemt met letterlijke zaken en dus ook niet met plastische blijkt eveneens uit de laatste strofe. Iemand heft daar meerdere glazen tegelijk. Tenminste, als we de laatste vier regels in ogenschouw nemen (ach, je kunt natuurlijk niet snel genoeg dronken worden).

Woorden in hun letterlijke betekenis zijn absoluut functioneel. Het zijn net ankers die voorkomen dat een schip wegdrijft. Dit gedicht van Dirk Kroon heeft iets van een schip dat aan het wegdrijven is: het geeft geen houvast. En het oogt een beetje nevelig: de logica dreigt uit het zicht te verdwijnen.
Misschien dat dempende adjectieven, zoals zacht en milde, dit effect nog versterken. De dichter lijkt scherpe contrasten te schuwen. Toegegeven, dat heeft ook voordelen: zwakke overgangen of een onlogische gedachtegang vallen daardoor minder op. In de derde strofe bijvoorbeeld, wordt een lam van het land naar ‘zacht vuur’ gebracht. Dat is niet alleen beschaafd, maar versluiert ook de wreedheid tegenover het lam dat voor ‘alles wat goed doet’ wordt opgeofferd.
Er zitten ongetwijfeld voordelen aan een wollige stijl. Maar de nadelen zijn groter: de zeggingskracht van een gedicht lijdt eronder als er weinig contrast is. Het gedicht krijgt minder profiel (men onthoudt het minder goed) en het straalt iets tams uit: alsof het de dichter aan durf ontbreekt. Het blijft steken in een veilige (conventionele) gedachtegang: in sentiment.

Een ander gedicht om dit nog wat meer te verduidelijken:

Gegeven

Je neemt de krant
en ziet de wereld.
Wat je niet kunt verdragen
lees je mij voor.

Ik staar naar jouw hand –
de diamant die je daar draagt
is harder dan de kale feiten.

Een statement: liefde is sterker dan de wereld, zoiets. Die diamant is blijkbaar een gift en zit daar niet zomaar. Maar ook hier een denkfout: er worden appels met peren vergeleken. Het hard zijn van de diamant heeft niets te maken met het hard zijn van ‘de kale feiten’. Bovendien: de diamant is waarschijnlijk niet gegeven omdat hij hard is, maar omdat hij mooi is. Dus ‘de mate van hardheid’ is niet een correcte dimensie om deze zaken met elkaar te vergelijken.
Ook in dit gedicht is er sprake van sentiment. Sentiment: die gemeenplaats van ingesleten gevoelens die wij allen hebben; gevoelens die in het verleden zijn gecreëerd en waarop heden nog gedreven wordt; gevoelens waardoor van te voren veilig verondersteld kan worden dat een lezer het met de daarbij passende en gegeven gedachtegang wel eens zal zijn. Een gedachtegang die daarom misschien ook niet zo heel precies hoeft te worden weergegeven… Of wel? Nu ja, het hangt er vooral van af wat we onder poëzie verstaan (wie veel sentiment in poëzie kan verdragen zal deze recensie niks vinden). Zelf kan ik er niet zo goed tegen. Ik heb het al eens eerder beweerd: om een goede dichter te zijn moet je scherp kunnen denken. Wat dus in dit verband betekent: denken zonder sentiment. Kroon is een bewonderaar van Achterberg. Dat is een heel goede dichter, ongetwijfeld. Maar ook een dichter die goed kan denken en vooral: een dichter (bijna) zónder sentiment (op het psychopatische af). In poëtisch opzicht een tegenpool van Dirk Kroon.

Gelukkig is het sentiment niet in alle gedichten even sterk aanwezig:

Elkaar

Je bent elkaar
te dicht genaderd,
verzet is nagenoeg onmogelijk –
je zou jezelf verwonden
als geen ander.

Kort en bondig formuleren bevordert soms de zakelijkheid. De twee laatste regels zijn de kers op de taart van dit gedichtje. En dan zijn er nog gedichten als deze:

Hoog bezoek

Het kwam niet om te nestelen
maar om even te verblijven,
voordat de winter overging.

Het heeft op ons balkon
een warme plek gezocht.
Het rilt en trilt soms,
bolt zich met z’n veertjes
tegen al te schrale wind.

Eerder dan de dag aanbreekt
zingt het al het zonlicht toe
in het donker van ons leven.

Het grote in het kleine. Vooral omdat het kleine op meerdere manieren is te duiden. Een gelovige zou hier een goddelijke aankondiging in kunnen zien voordat de winter van het leven (de ouderdom) voorbij is en de dag (van zijn dood) aanbreekt. ‘Het’ (geen vogel, maar een engel met veren dus; de bundel had ook Op de hoogte van de engelen kunnen heten) zingt hem al vóór zijn dood het goddelijke licht toe. En nu ik toch Christelijk zo goed op dreef ben: men vergeve het mij: ik vind dat poëzie meer moet zeggen dan wat er staat.

Recensie van Sterveling. De gedichten van een babyboomer - Dirk Kroon

De laatste rosé van een falende zomer

Dirk Kroon
Sterveling. De gedichten van een babyboomer
Uitgever: Liverse
2016
ISBN 9789491034893
€ 18,95
184 blz.

Toen aan mijn strand gedurende veel grauwe uren grijze mist overheerste, kreeg ik ter recensie de bundel ‘Sterveling. De gedichten van een bayboomer’, geschreven door Dirk Kroon. De tijd liep naar het eind van het jaar, tijd die tot overpeinzen noodt. Als oudere realiseer ik me dat mijn toekomst per dag kleiner wordt, het verleden langer, mensen om je heen verouderen of verdwijnen: het is een somber maar onvermijdelijk perspectief. De omslag van de bundel vertoont een grijs-wit-zwarte kleurstelling: een vingerafdruk en vogels die lijken op te vliegen van een wad. Dat omslag paste niet alleen voortreffelijk bij mijn stemming, maar ook bij de inhoud van de gedichten, die over vergankelijkheid en eindigheid gaan: een sterveling schrijft. De bundel Sterveling bevat niet alleen nieuwe poëzie, maar ook een tweede, licht herziene druk van Bijna oud (2011) en Dagelijks despoot (2013). De bundel wordt afgesloten met een reeks korte gedichten, gebundeld onder de titel ‘Thema met variaties’.
Het is geresigneerde poëzie, niet uitbundig literair, geen dubbele bodems en fiorituren en nauwelijks beeldspraken:

Schrijven – het is tijdelijk
verblijven in het huis van stilte
een doorwaakte nacht doorbrengen
en voor het ochtendgloren uitzien
naar tekens van het eerste licht.

De thematiek is samengevat de eindigheid van het bestaan, inclusief de aanwezigheid van de dood. Daarbij komt het moeten accepteren van het ouder worden (wat moeilijk is), met alle gevolgen van dien als het wegvallen van mensen om je heen. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedicht ‘Mijlpaal’ op pagina 99, waarin Kroon zijn oudste broer herdenkt. Hij spreekt die ‘grote broer met wie ik opgroeide’ aan en vertelt hem nuchter en eenvoudig wat er na zijn dood gebeurde: ‘( … ) temperden alle schepen van de / baggermaatschappij waarvoor je werkte / hun machines en turbines / en hesen zij op alle wereldzeeën / tegelijkertijd de vlag halfstok- / om zo een stil saluut te brengen / aan jou als hoofd van de machinekamers, / hun ‘meester’ / die respect afdwong ( … )’. De dichter besluit dan bijna laconiek: ’Dat heb je dan toch maar bereikt.’
Het gaat ook om kleine dingen als het krijgen van minder kerstkaarten, het voelen van ouderdomspijn in spieren en gewrichten, de moeheid die zelfs de ‘geliefde lust’ doet wegebben, maar alles wordt ‘vergeten en verzwegen in gezelschap van een mooie vrouw’, wat op ontkennen duidt. Het is het troost vinden bij de partner vanuit een gezamenlijke herinnering aan warmte en lust, maar het is toch vooral ook de aanwezigheid van de dood, die door al deze sober geschreven poëzie waart.
Het laatste deel van de bundel , ‘Thema met variaties’, fascineert me. Niet zozeer vanwege de inhoud: ook hier is de eindigheid het bepalende, waarvoor je wel of niet je ogen sluit, waarvoor je je terugtrekt in jezelf, met de angst voor de dood, de afscheid voor het leven, de afscheid van het leven, maar vooral door de vorm: 24 paren korte gedichten, soms kwatrijnen, soms terzinen, steeds een a en een b, die subliem zijn geformuleerd en tot zelfkennis leiden: soms vraagt de dichter als een moderne ‘Elkerlyc’ rekenschap aan zichzelf:

Je vraagt je bij herhaling af: Bestaat de duivel
-heb je dan nooit werkelijk naar jezelf geluisterd,
gedachten schaamteloos de vrije loop gelaten
de vernietiging van liefde niet gezien?

(pagina 156, 20a)

Misschien moeten we in de twee laatste variaties de conclusie van de bundel zien, waarbij de vorm een rol speelt bij het verwoorden van de inhoud: kort en krachtig. De dichter spreekt de lezer of een specifieke lezer aan. Gezien de opdracht van de bundel: aan de liefste – als vanouds kan hij ook tot deze liefste spreken.

24a:

Als dit het einde moet zijn,
herinner mij dan met respect
voor wat toch werkelijk was,
hoe alles in vrijheid begon.

Als dit het afscheid is,
noem dan alle namen
-vergeet die van de dingen niet-
en houd ze mij langdurig voor.

24b

Als dit alles moet zijn,
vertel dan maar hoe wij
fanatiek en levensziek
overal het niets aanvielen.

Als dit het laatste is,
verplaats je in de eerste droom
waarmee wij liefde deelden
om nooit meer dood te gaan.

Ik heb een klein commentaar. De bundel gaat over wezenlijke dingen. Hij gaat over ‘Elkerlyc’, over iedereen. Daarom vond ik de titel Sterveling mooi. Wie geboren wordt is bestemd tot sterven. Ik begrijp daarom niet waarom de toevoeging ‘De gedichten van een babyboomer’ nodig was noch wat deze toevoegt. In feite vind ik het een verzwakking, gedachten als hiervoor besproken zijn niet voorbehouden aan babyboomers. Of zijn deze banger voor de dood dan stervelingen van een eerdere of latere generatie?

***
Dirk Kroon (1946) is een Rotterdams dichter die van zijn leermeester, de fameuze Victor E. van Vriesland, het advies kreeg te publiceren. Hij debuteerde in 1968 met de bundel: Materiaal voor morgen. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden, en werkte tot 2006 als parttime docent. Daarna besteedde hij alle tijd aan schrijven. Naast vele dichtbundels schreef hij ook veel essays over dichters van zijn voorkeur, waaronder Slauerhoff, Nijhoff, Leopold en M. Vasalis. Zijn verzamelde essays zijn eveneens bij de uitgeverij Liverse uitgekomen.

Poëzie Kort 2016 / 6

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.), Ik proef iets wat bedorven is.

Door Hans Puper

De samenstellers van de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is willen laten zien dat het een misverstand is hekeldichten uitsluitend als light verse te beschouwen, want ze kunnen ook ‘groots, ernstig en complex’ zijn. En dat is natuurlijk niet hetzelfde als nobel: ze kunnen tegelijkertijd vals, leugenachtig, incorrect of ronduit smerig zijn. Het dieptepunt wordt gevormd door een weerzinwekkend anti-semitisch gedicht van de nazi Georg Kettmann uit 1941. De samenstellers motiveren die keuze door te stellen dat, als je volledig wilt zijn, een ethisch oordeel geen bruikbaar criterium is voor de selectie van hekeldichten. Ik ben dat met hen eens. De ethiek komt door de achterdeur echter weer binnen, doordat zij één zo’n voorbeeld genoeg vonden en dat waardeer ik. Alle andere opgenomen gedichten, hoe vals of leugenachtig ze soms ook zijn en hoeveel ergernis ze ook kunnen opwekken, blijven binnen de grenzen van het voorstelbare.

De samenstellers blijken de definitie van hekeldichten erg ruim te nemen en daardoor houden zij de misvatting van light verse ten dele in stand . Een voorbeeld is het gedicht ‘Raad’ van Annie M. G. Schmidt over het advies van een moeder geen dichter als man te nemen: ‘zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op …’ . ( … ) ‘Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou’. Ik kan dat met de beste wil ter wereld geen hekeldicht noemen, hoe geweldig ik het ook vind. ‘De’ kruidenier in plaats van ‘een’. Prachtig.

Een echt hekeldicht komt voort uit heftige verontwaardiging, woede, haat of minachting, soms zelfs alle vier tegelijk. Jan Greshoff schreef in al in 1932 het ‘Wiegeliedje’ over de nazidreiging. De eerste strofe:

Kleine S.A.-man, slaap zacht,
Hitler houdt immers de wacht;
Voor hém heb je pas in het holst van den nacht
Een zoodje marxistische joden geslacht:
Kleine S.A. – man, ’t gaat goed,
Geen betere meststof dan bloed.

Het zou me niet verbazen als dit gedicht, waarin iedere strofe begint met dezelfde regel, ten grondslag ligt aan de tekst van ‘Welterusten Meneer de president’ van Boudewijn de Groot.

Het is niet verwonderlijk dat het aantal hekeldichten toeneemt naarmate we dichter bij onze tijd komen: we hoeven maar aan de scheldpartijen op Facebook te denken – over kwaliteitsverschillen heb ik het hier natuurlijk niet.

De gedichten zijn ondergebracht in afdelingen. De meest venijnige vind je in ‘Tegen poëzie en de literaire wereld’ en ‘Tegen dichter X’. Je krijgt een beeld van collega’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en als verschijnsel is dat boeiend om te lezen. Afgunst neem soms zulke kleinzielige vormen aan, dat een hekeldichter zichzelf effectief de grond in boort. Neem Jan Kal, die jaloers was op H.C. ten Berge, omdat deze kennelijk meer subsidie kreeg dan hijzelf – het gedicht stamt uit 1997. ‘Hij zat op 38 000 gulden, / Ik op een twaalfde: 3200.’ Dat kwam natuurlijk doordat de geldgevers snobisten waren, anders hadden ze hem wel ruimer bedeeld. De laatste strofe van onze caberateske sonnettenbakker: ‘Ik ben geen epigoon van Ezra Pound / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.’ Jan Calimero.

Een aantal dichters reageert op hekeldichten van anderen. Je kunt ook zelf gedichten met elkaar in verband brengen. Zo zegt Marc Tritsmans in een hekeldicht tegen de dood dat die ‘hebberig naar alle / lijven graait en vergeet waar / het echt om draait’. Het lijf is slechts overbodige ballast. In de laatste strofe zegt de dichter: ‘Povere / mislukkeling: precies hetgeen je / hebben wilt ontsnapt je elke keer.’ Dat gedicht zou je kunnen laten volgen door eentje van Leopold uit een andere afdeling. Hij onderscheidt twee soorten mensen: ‘intelligente mensen zonder vroomheid / en vrome mensen zonder intellect.’

***

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.) (2016). Ik proef iets wat bedorven is. Uitgeverij Passage, De doos van passage, 109 blz. € 19,90


Jan Fabre,
Restanten

Door Lennert Ras

Jan Fabre exposeerde onder andere in het Louvre in Parijs en is bekend om zijn performances en theaterwerk.

Restanten is een ode aan de droom, meer in het bijzonder de nachtmerrie. De droomwereld is misschien te verkiezen boven de dagelijkse wakende staat, ‘omdat ik de droomreizen in mijn droomwereld / veel spannender en plezieriger vind / dan de harde realiteit / (van een theatervoorstelling).’ Fabre is een slechte slaper.

In de bundel maakt hij gebruik van de herhaling en ook speelt hij met spreekwoorden en gezegdes. Hij schuwt de seksualiteit niet en het Oedipuscomplex komt voorbij. ‘Zoals elke zoon zijn moeder penetreert / in zijn kwellende maar vanzelfsprekende droom.’ In zijn droom grijpt de verteller zijn prooi.

Op de achterkant van de bundel staat een gedicht uit de bundel afgedrukt: ‘onthoofd me / zodat ik kan slapen / eeuwig / want ik heb veel minder angst / voor de dood / dan voor het altijd wakker zijn.’

De bundel heeft een spirituele inslag. De droom is geschreven in een vergeten taal en brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid. Het is een dromerige bundel, maar ook hard. De droom spaart je niet. Ze beschrijft Fabres worsteling met de slaap.

De bundel werd geschreven met het oog op Mount Olympus, een ambitieus project waarin dertig jaar theater maken samenkomt. Mount Olympus brengt een brok geschiedenis aan de hand van verhalen en figuren uit de Griekse tragedies. Toch lijkt de Griekse oudheid geen overheersende rol te spelen in de bundel. Alhoewel de verteller het wel heeft over zijn favoriete Griekse componist. Voor mij refereert de inhoud van de bundel eerder aan de indianen met hun dromenvangers.

De bundel heeft soms een filosofische ondertoon. Want wanneer leef je nu echt? Tijdens het waken of tijdens de droom? De bundel schudt wakker, zet aan het denken en doet verlangen naar de belevingen in de remslaap.

***

Jan Fabre (2016). Restanten. De Bezige Bij, 96 blz. € 18,90

Anja Jager en Margreet Schouwenaar, Warm van vacht

Door Hans Puper

Warm van vacht bestaat uit een serie van dertien miniaturen van Anja Jager en de gedichten die Margreet Schouwenaar daarbij heeft gemaakt.
In het colofon staat dat Jager een middeleeuwse schildertechniek heeft gebruikt, ei tempera. Ze doen dan ook denken aan de verbazingwekkend rijke kunstwerkjes in 13-eeuwse handschriften, bijvoorbeeld de Arthurromans. Die zijn echter zeer ingetogen, in tegenstelling tot deze miniaturen: die zinderen van erotiek door de niets verhullende kleding en de vorm van bladeren. Het contrast met onschuldige poppen of beertjes onderstreept die erotiek nog. Een overeenkomsten met de middeleeuwse hoofse miniaturen is de sprookjesachtige sfeer.
De bundel is een ode aan de liefde: ‘als spel, als jagen, als dromen en verboden vrucht’. En liefde is natuurlijk geen liefde zonder verdriet. In ‘Mijn lief is mijn lief niet meer’ leidt dat niet tot passiviteit: ‘Ik zal hem nooit meer vinden / dan waar hij zich naliet, maar meer zal ik / worden dan zijn ontbreken.’ Mooie regels.

In ‘Liefste zei hij’ speelt Schouwenaar een elegant spel met taal en werkelijkheid. Er is de beschreven werkelijkheid en er is de talige van het gedicht. De ‘ik’ stelt zich een beeld voor: het eerste woord op een onbeschreven blad van de liefde te zijn. Haar liefde wordt werkelijkheid: ‘Liefste’ zei hij, ‘liefste!’ En ik was het.’ In de talige is werkelijkheid is ‘Liefste’ ook in concreto het eerste woord.
Mooi is ook de paradox in de derde strofe: ‘pluk [de liefde] met geen / woord. Laat haar vallen als fruit.’ Maar het woord – dit gedicht – brengt de liefde wel degelijk tot leven.

‘Liefste’, zei hij. ‘Liefste.’
En ik wilde de liefste zijn
als een eerste woord
op een wit blad, als
milde regen na een droge
dag. ‘Liefste’, zei hij,
‘liefste!’ En ik was het.

Ik was de kom van handen
waaruit water liep, de muziek
van wilde wind en mals blad.

Maar van woorden was ik niet.
Ik aarzelde zelfs om te spreken.
Spelen wilde ik en van het wikken
zocht ik de wegen.
Wek de liefde niet voor zij wil
ontwaken, pluk haar met geen
woord. Laat haar vallen als fruit,
vochtig door de lippen van de dauw.
Hoe ze zingt: voor jou, voor jou.
Alleen voor jou.

Ik doe beiden tekort door alleen een gedicht te citeren, want de gedichten en miniaturen geven elkaar glans. Koop de bundel, zou ik zeggen. Het zou mooi zijn als er een expositie werd georganiseerd waarin miniaturen en gedichten paarsgewijs werden opgehangen. En als ik conservator was, zou ik in de expositieruimte nooit meer dan dertien personen tegelijk binnen laten, zodat niemand wordt gestoord door hinderlijke mede-bewonderaars.

***

Anja Jager, miniaturen en Margreet Schouwenaar, poëzie (2015). Warm van Vacht. Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 34, 40 blz. € 18,95. (NB Op de titelpagina staat dat de bundel is uitgegeven in 2015, in het colofon wordt 2016 vermeld).

Dirk Kroon, Verzamelde liefdesgedichten

Door Hans Puper

De Verzamelde liefdesgedichten van Dirk Kroon (1946) beslaan een periode van vijftig jaar: 1965 – 2015. De bundel bestaat uit twee gedeelten: over liefde in het eerste deel van het leven en over liefde in het tweede. In het eerste tref je regels aan als ‘[wij] worden verslonden /door de vogelspin liefde’. In het tweede niet meer, dat is overwegend reflectief: de dichter kijkt terug, vraagt zich af wat liefde in de herfst van het leven betekent en welke rol de dood daarin speelt.

Kroon is het best als hij eenvoudig schrijft. (Voor de goede orde: dat is iets totaal anders dan simpel). Een gedicht waarin de ‘ik’ zich voorstelt dat hij tegen zijn geliefde blijft praten als zij dood zal zijn, is vertederend – of schrijnend, dat hangt af van de ervaringen van de lezer:

Afspraak

‘Als je dood bent,
blijf ik met je praten.
Niemand zal het horen,
maar ik zal vragen:
Vind je deze schoenen mooi,
of zal ik die andere nemen?
De verkoopster zal het paar inpakken
dat jij gekozen hebt.’

Het gaat niet altijd goed met de gedichten. ‘Wakker wordend kijkt ze zeer bestraffend / naar degene die haar durfde wekken, / een half oog kijkt verkennend op hem neer’ schrijft hij in ‘Straf’. Maar is het niet zo dat je klaarwakker moet zijn om bestraffend naar iemands gedrag te kijken? En kun je zowel bestraffend kijken als met een half oog op iemand neerkijken?
Bovendien maakt een gedicht soms de indruk het resultaat van moeizaam maakwerk te zijn, zoals ‘Osmose’. Achterberg zal hem op het idee hebben gebracht: hij schreef een gedicht met dezelfde titel. Voor het begrip van Kroons gedicht is het voldoende te weten dat het bij osmose om een dun vlies gaat dat wel een vloeistof doorlaat, maar niet de daarin opgeloste stoffen. De doorstroom duurt net zolang tot de concentraties van de opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk zijn. Hij gebruikt in de eerste strofe het volgende beeld: ‘De werkelijkheid is slechts een vlies / met eigenschappen die wij zelf / niet kunnen maken.’ Maar als de werkelijkheid wordt voorgesteld als ‘slechts een vlies’, dan valt al het andere daarbuiten. Dat beeld klopt niet. Waarschijnlijk bedoelt Kroon dat zo’n vlies voor de geliefden realiteit is.
In de tweede strofe beschrijft hij de richting waarin de vloeistof – liefde? – stroomt: ‘ik kom dan wel in jou terecht / maar jij vloeit nimmer in mij over.’ Het beeld is duidelijk, maar het heeft – bedoeld of onbedoeld – een seksuele connotatie en dat maakt het beeld bizar.

Het is een hachelijke onderneming om een bundel te vullen met zo’n 120 liefdesgedichten, want je moet van zeer goeden huize zijn om de lezer steeds opnieuw te raken. Het is Kroon niet gelukt, maar verwonderlijk is dat niet: het is voor weinigen weggelegd.

***

Dirk Kroon (2015). Verzamelde liefdesgedichten. – het is nooit volmaakt – . Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 35, 144 blz. €14,95

Recensie van Bijna oud, gedichten van een babyboomer - Dirk Kroon

Op kousenvoeten of blote kakken

Dirk Kroon
Bijna oud, gedichten van een babyboomer
Uitgever: Liverse ,Liverse ,Liverse ,Liverse
2011
ISBN 9789491034030
€ 12,95
52 blz.

De 36 gedichten in Bijna oud, gedichten van een babyboomer zijn op twee na geschreven in de vrije vorm en variëren qua compositie; sommige strak in het pak, andere wat losser.
Ze nemen je vanaf de eerste pagina op sleeptouw en worden op geen enkel moment huilerig, want Kroon bezit de gave om de fee van de weemoed met fluwelen handschoenen aan te pakken en te paaien. Het is boeiend materiaal, niet alleen voor oudere lezers, maar zeker ook voor degenen die hun onbezonnenheid nog decennialang kunnen genieten zonder noemenswaardige consequenties. Zij lezen bijvoorbeeld het gedicht ‘Aan een nieuwe generatie’. In ‘Kern’ telt het lyrische ik zijn zegeningen tijdens de bedevaart naar onthechting:

Kern

Je hebt gewoond
in de gedachten van zovelen,
vrienden die je ontving en
bij wie je te gast was
hebben vast en zeker
ooit van je gedroomd.

Je hebt verkeerd in kringen
waar schoonheid leven was
dat je hebt nagestreefd en
met warmte hebt behouden –
maar van de dagelijkse gang
van zaken en ervaringen
heb je niets bewaard.

De wereld waarin je graag verkeerde,
muziek, de boeken die je las,
een zeldzame ets, een zeefdruk
die jouw wezen weergaf,

het vormt de rijkdom
die je hebt verzameld,
waarvan je straks
doodgewoon afstand doet.

De bundel kent een rijke schakering aan invalshoeken omtrent het ouder worden. Neem ‘Sneeuw voor de zon’, waarin wordt geklaagd over ouderdomskwaaltjes; maar dan vervolgt de dichter: ‘wat is het toch dat alles / plotseling wordt vergeten en verzwegen / in gezelschap van een mooie vrouw?’

In ‘Dilemma’ doemt de vraag op hoe anderen het ervaren. Zouden ze ook met gemengde gevoelens terugkijken op de vrienden en kennissen van weleer van wie je nooit meer iets hoort en waar jij ook geen contact mee opneemt?

Dilemma

Zou het meestal wel zo gaan,
dat je zonder goede reden
mensen die je vrij goed kende
nauwelijks of niet meer ziet?

Zouden anderen hetzelfde doen,
niets meer van zich laten horen
en dat doorgaans zonder spijt?

Zou het een gewoonte worden,
alleen maar aan hen terug te denken?

Zou je dit ten diepste wel zo willen?

De poëzie van Dirk Kroon blaast je met kracht doch op ingetogen wijze uit je schoeisel; niks geen explosie, bloed aan de wand of ingewanden over de vloer. Je bent na lezing alleen je sneakers kwijt, en slentert verder – al naar gelang – op kousenvoeten of blote kakken. Een aanrader, deze bundel.

*****
Dirk Kroon (1946) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit van Leiden en was jarenlang deeltijddocent in Rotterdam. Als letterkundige publiceerde hij essays, bloemlezingen en compilaties over J.H. Leopold, M. Nijhoff, J. Slauerhoff, M. Vasalis e.a. Als dichter debuteerde hij met Materiaal voor morgen (1968) en daarna volgden o.a. De vogelvrouw (1977) en Grondsporen (1978). In 2007 verscheen zijn voorlaatste bundel, Getemd tij.
Bijna oud, gedichten van een babyboomer is de achtste bundel in de Bordeauxreeks van Uitgeverij Liverse.