Signalementen 2017 / 1

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van Molwerk - Frans Kuipers

Een speelse diepgraver

Frans Kuipers
Molwerk
Uitgever: Atlas
2014
ISBN 9789025442880
€ 21,99
64 blz.

Het is onmogelijk om als recensent een dichtbundel niet tekort te doen. Er zijn zoveel factoren die bij het schrijven van poëzie een rol spelen, dat het onmogelijk is om ze allemaal te kennen. Ik proef bij andere recensenten niet zelden het genoegen een regel te herkennen van een bekende poëet, en ik voel met ze mee. In de afdeling ‘Molwerk’ van de gelijknamige bundel van Frans Kuipers (1942), las ik op blz. 27:

        ‘Ik: nu eens een roerloze woelgeest/ dan weer een zingend everzwijn.’

Lucebert herken ik dan nog wel, maar hoeveel citaten zullen mij nu weer ontsnappen, simpelweg omdat het werk niet gelezen heb? Van Kuipers heb ik de vorige, lovend ontvangen bundel Wolkenjagen ook niet gelezen, en ik moet bekennen dat ik dat erg jammer vind. Toen ik de bundel Molwerk opensloeg las ik:

VROEG AL je regengelaat aan mijn raam zien staan
versierd met al de dronken lichtjes van de straat.

Punt.
Wat mooi! Dit kon niet meer stuk. Hier is geen ‘would be’ dichter aan het woord, maar een werkelijk talent. Na dat gedichtje werd ik gretig. Het volgende probleem dook op: wat kies je uit een schatkist om te laten zien hoe bijzonder/knap/mooi/overtuigend/ innemend/ het werk is van een dichter die je raakt?

Je begint maar gewoon aan het begin.
De bundel bestaat uit vier afdelingen. Daaraan vooraf een kort gedichtje:

TE DOETERNIETTOE om nooittelaat
daar heeft zij met mij afgesproken.
Ach mijn oh en au is zij,
het hondsdiep van mijn nooddruft,
de schipbreuk van alle zekerheid.

Naar mijn idee verwijst Kuipers in bovenstaand gedicht naar iets heel essentieels: waar de meeste mensen van een relatie zekerheid verwachten, daar weet Kuipers wel beter: liefde slaat alle zekerheid onder je weg, maar in het vertrouwen dat je zo bij de ware, betrouwbare aard van het leven belandt. Liefde plaveit de weg naar zelfverlies.
Natuurlijk is dat hoe ik het gedichtje zelf invul. Daar is geen ontkomen aan. Elke recensie is de persoonlijke mening van een recensent, die hopelijk zo onbevooroordeeld mogelijk en naar beste vermogen zijn oordeel geeft.
Waar val ik op?

Ik mag graag kijken in de ogen van zuigelingen.
Niemand geneest van zijn moeder.

[blz. 14]

MIJN GROOTVADER kon
in kaas de gaten horen vallen als het stil was zei ie.

Mijn vader kon
de madenmondjes horen smakken als het stil was zei ie.

Maar mijn moeder kon
in alle talen van de aarde
een zee van smeekbeden horen als het stil was zei ze.

[blz. 34]

Het is even moeilijk uit te leggen waarom dit prachtige poëzie is, als dat het ondoenlijk is om te vertellen waarom je iemand van wie je houdt mooi vindt. Je hart loopt simpelweg over, je bent ontroerd. Wanneer dat niet genoeg lijkt, kun je er allerlei zaken bij halen die uiteindelijk van minder belang zijn: de moeder die voelt hoe er een beroep wordt gedaan op haar mededogen, terwijl de mannen gericht zijn op de dood, de noodwendige veranderingen, het feit dat het leven op leven teert. Het gedicht overstijgt deze benadering.

In een gedicht op blz. 36 schrijft Kuipers als laatste regel:

Aan een draadje zo dun als het leven dat alles.

De poëzie van Frans Kuipers ademt een poëtische levenshouding. Daar bedoel ik mee dat de feiten waarover hij schrijft, voor hem een diepte hebben die een gemeenschappelijke grond verraden. Alles wat hij waarneemt ervaart hij als op een geheimzinnige manier aan hem gelieerd. Een voorbeeld:

EN DE STERREN boven peppel en pannendak
die hebben het gezegd toen: zwerver.
En in het boek der Genen (oom L., oom H.)
geschreven stond het net zo (dat een in zijn eentje
vroeg al weerleggen zou al het gelijk van de wereld
met niets anders dan het gewicht
van zijn krullen).

Opnieuw is het grappig om dit te interpreteren en te merken hoe de poëzie elke duiding overstijgt. Dat verduidelijkt ook de onzinnige vraag wat poëzie nu precies is; je hebt er alleen een bepaalde gevoeligheid voor nodig. Ik weet het: velen missen die. Ikzelf mis elke gevoeligheid voor wiskunde. En voor gastronomie.

Bij elk gedicht dat ik las, was ik weer verbluft door het taalmeesterschap van Kuipers. Wat heet verbluft: perplex! Hij weet muziek in taal te schrijven, hij is in zijn woordkeuze een meester; niet alleen staat elk woord op de meest geëigende plek, maar is juister dan welk synoniem ook. Hij weet met zijn woorden en beelden andere woorden en beelden aan te trekken. Niet eerder las ik een dichtbundel met zo’n dichtheid aan staande uitdrukkingen en zegswijzen. Het mooiste: hij speelt. Hij is een heerlijke woordbouwer: ‘het eendeneeuwig wolkenwater schuimde in de sloten’ (blz. 53).
Onder al het taalspel heeft hij de teugels zo vast in handen dat hij exact uitkomt waar hij wil: het in kaart brengen van het onbestendige:

TEL DAARBIJ op het feit dat van zitten noch lopen
sprake kan zijn als wij met hoge snelheid
ronddraaiend
koersen naar allerlei kanten.
Wij: duizelruimtevarenden.
Wij: door een bleue waterplaneet uitgedroomden.
Dat je je bevindt in een
vuurwerk
te midden van gigantische explosies en erupties
denk daar eens aan
als je zit bij het raam
van je trein of je bus wellicht doet het je
goed.

[blz. 29]

Klinkt het vreemd wanneer ik dit een humoristisch gedicht vind?

Was ik er door woorden als nooddruft, jota en Job, woorden die refereren aan de bijbel, al opmerkzaam op geworden, in de reeks ‘Landschappen, Seizoenen’, is het een zij die de waarschijnlijk religieuze insteek van de dichter onder woorden brengt:

‘God,’ zei ze, plotseling voorlezend ‘snachts
vanachter de witte sluier van haar klamboe,
‘God is van de vele wezens
in de groootsterrendommen
van dit heelal het uiteindelijke doel van de reis.’

Religie in de werkelijke betekenis van het woord: hereniging; daar hoef je niet religieus voor te zijn, het is het gevoel deel uit te maken van dat ene universele leven, dat een absoluut onvoorstelbaar heelal omvat.
Aan het einde van de bundel schreef Kuipers een soort verantwoording waarmee ik graag afsluit:

Tot slot

EVENALS alle belangrijke, onontbeerlijke zaken
   (zonlicht, zuurstof)
is poëzie van niemand en iedereen.
   Het toeval en het onophoudelijke toeval alleen
voorziet straten en wegen
   in het broodnodige, onvoorspelbare leven.
De omstandigheden kunnen niet anders dan samenlopen.
   Tijdloos en onafzienbaar
is de alles verzwelgende, ieder ten dans vragende,
   wilde, wijde, sirenen-zingende zee.
Poëzie is mijn kleine boot op die zee.

Poëzie is
27 augustus 2013 omdat het vandaag 27 augustus 2013 is.
De maan en de roos en het bloed weten daarvan.

Allen die mij voorgingen. Alles wat blijft.
   De geestdrift en de wanhoop,
de onontkoombare waan en verwarring van een sterveling,
   het cadeau gekregen licht van zijn cadeau gekregen ogen,
aanleiding is de poëzie
   en enig geldend excuus voor het schrijven van
gedichten.

Ik kijk uit naar de volgende bundel met door de poëzie van het leven opgeroepen gedichten.

Recensie van Wolkenherdersliederen - Frans Kuipers

Van strotgalop en sparteltong

Frans Kuipers
Wolkenherdersliederen
Uitgever: Atlas
2009
ISBN 9789045004907
€ 18,50
64 blz.

Frans Kuipers (1942) publiceerde met Wolkenherdersliederen zijn elfde bundel, sinds Wolkenjagen uit 1997 de zesde op rij bij Atlas. Een ongekend hoge productie van een dichter die ook lange perioden van zwijgen heeft gekend. Zo duurde het na de eerste bundeltjes uit 1965 twaalf jaar voor er nieuw werk verscheen en voor de overstap naar Atlas in 1997 met Wolkenjagen was er zelfs zeventien jaar sprake van ‘stilte’. Maar daarna ging het dus zo snel, dat er bij Kuipers wel sprake moet zijn van een soort flow.

Met grote gedrevenheid, vanuit een persoonlijk engagement dat haast van profetische allure is, gebruikt hij alle taalregisters om te verwoorden wat hem bij voortduring verstomd doet staan: hier te leven, nu, op dit moment in dit heelal.

Zoals hij het zelf zegt in de inleidende afdeling ‘Daaromwaarom’: ‘Om het wit/ en de waanzin van het woord die hoort bij mijn soort./ Om de wolken wonderlijk.’ In de laatste afdeling, die dezelfde titel meekreeg, formuleert hij het zo: ‘In antwoord op uw zwijgen/ en nooit anders dan/ krachtens de nacht.’

Het is een diepdoorleefd gevoel voor de onbegrijpelijkheid van alles, voor de niet te bevatten sensatie van te leven op deze aarde, die zowel de ‘bloedbesmeurde hongermuil/ boven de opengereten prooi’ is, als ‘de boom waaronder het goed liggen, het blauw waarin het goed schouwen is’ en voor het wonder van de taal die dat alles vermag te beschrijven:

4
ER IS de strotgalop der klinkers
en de hersenopgang van het woord.

Gedachtenkracht
en over de zwijgedingen zilverzeggemacht.

Er is de sparteltong
en tandenmolen lettermalend.

Er is het praatapen eerste wereldwonder
der ademgeschapen taal.

Het is het slotgedicht van de bundel, en dan heeft de dichter al veel van zijn ‘zilverzeggemacht’ getoond. Haast baldadig laat hij de tandenmolen malen, het ene woord nog gedurfder dan het andere. Hij spreekt van ‘honingkwijlers’, ‘sterrenperplexie’, ‘stervenselckerlijc’, ‘ritselragfijntjilpen stil’, ‘hommelgonzend goudaugustus weer’ en daarbij is het knappe dat die nieuwe woorden in de context waarbinnen ze gebruikt worden, nergens geforceerd aandoen, dat ze volkomen vanzelfsprekend hun plaats innemen in Kuipers’ taaluniversum dat ertoe moet dienen ‘wat ons omringt te doorzien:/ een duizelingwekkend malen om niets’.

Kuipers schrijft dus poëzie die bewust de grenzen van het zegbare opzoekt, maar dat gaat geen moment ten koste van de verstaanbaarheid. Integendeel, want onder alle exuberantie gaat een grote nuchterheid schuil, die alles te maken heeft met de wijze waarop hij tegen de wereld en zijn eigen plaats daarin aankijkt.
De ik in deze gedichten is ‘een blauwemaandagsman, naamloos en naakt’, ‘Met niets op weg gegaan’ […] naar nergens’, ‘op weg zonder reisdoel’. Hij is de ‘door het wormendonker verwachte: dappere/ krijger van het roemloze eind’, beseffend ‘IK Leef maar leef niet genoeg […], door genade en toverwerk ben ik hier, maar gedraag mij daar niet naar.’ Alleen deze hoop: ‘Van de toegemeten tijd/ een paar dagen tenminste/ naar behoren geplukt te hebben.’

Poëzie is levensnoodzaak, en daarom kan Kuipers het niet alleen. Er zijn expliciete verwijzingen (soms als complete citaten) naar Whitman, Blake, zenmeester Han Shan, Hans Arp, Van Ostaijen, Lucebert, Faverey, Andreus, Kouwenaar en Campert. Kuipers lijkt het nodig te hebben, omdat hij van aanvang af zelf slechts een ‘man in de marge’ is. De levensreis begon hier:

(Vught, 1942)

GEBOREN TE ZIJN in dat dorp daar en toen.
Gelopen te hebben in dezelfde bossen als kind en niets
te hebben geweten dan zonnestralen op spinnendraden
dan licht op groengloeimos.

Heengegaan te zijn en teruggekeerd
en heengegaan te zijn en nooit meer teruggekeerd.

Geleefd te hebben tot nu, hier
en nooit – fortuinlijke – van nabij gekend te hebben
zij die breinwassen en zij die
aan langzaam kelen hun lol beleven.
Bloed dat een plasje doet.
En dat allen breken
– Oh het kwetsbaar lijf zo fijngeschapen voor de pijn –
mogen beulen weten.

Kuipers schreef met Wolkenherdersliederen opnieuw een overrompelende bundel. Rijk, warmbloedig, geëngageerd, van de eerste tot de laatste bladzijde het waard om te delen. Een feest om te lezen.