Recensie van Nachtopera. Een episch gedicht - Liesbeth Lagemaat

Een nachtelijke beeldenstorm

Liesbeth Lagemaat
Nachtopera. Een episch gedicht
Uitgever: Wereldbibliotheek
2015
ISBN 9789028425675
€ 19,95
80 blz.
Met Nachtopera. Een episch gedicht staat Liesbeth Lagemaat in een traditie die ook in onze Nederlandse literatuur enkele spraakmakende voorbeelden heeft opgeleverd, zoals Albert Verwey met zijn Persephone en Demeter, Martinus Nijhoff met Awater en Willem Jan Otten met De Vlek. Met hun verhalend en mythisch karakter hebben zij ieder op hun eigen manier naar thema en vorm gestalte gegeven aan het genre van het epische gedicht.
Lagemaat heeft gekozen voor een heldere structuur. Een operavoorstelling bestaande uit drie aktes, drie stemmen: een vrouw, een man en een kind. Elke afdeling vormt een cyclus op zich. De titels overlopend in de verzen onderstrepen dat. De vrouw verrijst als een Venus uit de zee en valt er weer in terug. De man ziet zich geworden aan een vrouw in wie hij tot slot onderduikt. Het kind houdt van het woord ‘begin’ en weet uiteindelijk te ontkomen aan het duistere lied van de heerwolf en de wrede wolvin. Vanuit het perspectief van een alleswetende subject krijgen we in terugblik de innerlijke overwegingen van de drie personages in beeld. Lagemaat hanteert in dit episch gedicht bewust klassieke versvormen. Met zijn nachtelijke bespiegelingen in terzinen vervult de man een bemiddelende rol tussen het ten hemel schreiende klagen in disticha van de vrouw en het kind. Op de omslag van haar bundel staat een galactische voorstelling die gelijkt op een vruchtbeginsel dat geboorte van leven en onderlinge verbintenis suggereert. Om dit proces van leven en verbinden te duiden bedient Lagemaat zich in haar gedicht van beelden, ontleend aan de wereld van de sterren en planeten, de zee, de onderwaterwereld en de concrete werkelijkheid Ze brengt de innerlijke spanningen in beeld die dit gedwongen samenzijn bij de vrouw, de man en het kind teweegbrengen. Dat gaat met heftige emoties gepaard die gaan van onvoorwaardelijke overgave tot zelfontkenning.

Wat zich daarbij in hun lichaam en geest aan denk- en gevoelsprocessen voltrekt, verwoordt Lagemaat in een stroom aan metaforen die elkaar in snel tempo opvolgen. Als de ik het lichaam van wie zich in haar heeft ‘uitgemorst’, krijgt aangemeten, begint haar lied van de pijn in haar te zingen. De tekst stroomt, is muzikaal van toon en schilderachtig van beeld. Ze moduleert voortdurend van een concrete werkelijkheid naar een meer abstract niveau en weer terug:

     Ik vervelde, wel zeven maal
     achter elkaar, tot ik niemand meer was.
     Zij was wit, maar wit als de schuld.

Ze slaat diverse stemmingsregisters aan. Ze weet een kleurrijk heelal, vol klanken en beelden en stemmingen op te roepen.

De voorstelling is een overdaad van beelden. In de eerste afdeling ‘De vrouw’ vindt er ‘een ijle/ omklemming’ plaats: ‘een wurgsnoer van lucht, of een golfslag van ether.//’. De ik weet zich omgeven, overweldigd, in de ervaring van de pijn gesteld door een andere geest: ‘mijn zingen knarst, elke klank was al stuk in mijn strot./’ Al snel dient zich een man aan: ‘Ik val, mijn omtrek verschuift en verzinkt/ in de man, onze lijnen raakten verward./‘. Ze weet zich opgenomen in zijn leven en lichaam. Ze probeert hem in haar web van woorden te vangen. Welke verwonding dat ook oplevert, ze wil hem bij wijze van spreken nog liever dood dan levend in haar macht hebben.

Soms ziet ze in haar beeldenstroom een kind: ‘Onschendbaar lijkt ze voor mijn nacht,/ klein is ze en wit./’.  Ze lijkt te kunnen terugkeren naar de plek die ze als kind van vroeger kent: ‘De dingen/ staan zwijgend op wacht./ In hun midden een cirkel van licht.//’. Met denkbeeldige draden blijft ze verbonden met de man. Ze sluit zich af voor wat van buiten tot haar komt. Ze is doof voor het licht. Ze boetseert voor hem ‘een onzichtbare cirkel’. Hij schonk haar een pop die leek op een kind. Het kind ‘was ons/ een wig. Dan vindt er ‘een zwenking van ruimte en tijd’ plaats. Ze komt aan in een leeg en kaal land. ‘Ik miste de man en zijn hand.//’. Onafhankelijkheid en afhankelijkheid strijden om de voorrang. Op een ochtend verdween de man naar de zee en dook daaruit telkens weer op.

Dan ontspint zich de strijd tussen de man en de vrouw om het kind: ‘Hij speelde het spel// met een valse rokade, de formule van barbaren,/’. De vrouw vlucht weg en schuift in haar gedachten het kind naar de man toe. Van nu af aan wordt de vrouw begeleid door ‘het hoerige zusje, de pijn’. Deze tocht gaat dieper dan dromen en slapen. ‘Mijn pad zou leiden, weg van het kind./’. Ze lijdt onder de afwezigheid van het kind: ‘ik was een/ litteken, een wond van schuld./’.
De man en het kind dringen beide diep in haar gedachten door. De vrouw verliest tijdelijk haar identiteit:

     Wie ik was wordt gewist.
     […]
     er is niets dan het zeer dat woekert en bloedt

     in mij. Ze is mij een pad

     dat voert naar het vormeloze niets, een heelal waarin alle gedachten die ik

     ooit had als geschifte planeten rondzwerven. De tijd heeft zich afgebroken
     in mij. Ze heeft mijn woorden verguisd en mijn klanken gedoofd, in mijn cel
 
     en elk continent daarvan regeert het niets.
 
De vrouw beschouwt zich als een pelgrim van de waan die door landen zwalkt ‘die ik niet kende, waarvan ik de taal niet versta./’. Haar reis duurt lang, ’van// zwart eiland naar zwart, ik zie wie ik was en de platen zijn ogen, ze richten// hun pijlen op mij./’ Ik ben niets.  Ze valt, en blijft daarmee in zichzelf gevangen. 
In de tweede afdeling ‘De Man’ laat de vrouw zich lezen: ‘in de spiegeling, het kamerbrede raam transformeert/ in het donker dit woonhuis tot aquarium, en zij is alle kleuren vissen./’. Hij wenst haar stem niet te horen. Het zou het begin van einde kunnen inluiden. Hij ervaart hoe ‘verscheurend het kan zijn, de mond van// een vrouw die zich opent om alles wat ik in me heb te doorsnijden.//’. Deze vrouw zal nooit beseffen wat ze in zich draagt: ‘in haar/ beste uren kan ze zich meten met de lieflijkste planeet in een nooit ontdekt/ ongerept Galactica.//’. Hij vraagt of ze weet dat ze een engel is. Hij neemt zijn harpoen en raakt haar. Alle vrouwen houden van bitter. ‘Ik zal steeds ver weg van je reizen,/ je zult steeds proberen mijn schedel te lichten, mijn hart te eten.//’.  

Lagemaat bedient zich allerlei beelden aan de mythologie en de esoterie ontleend die tegemoetkomen aan de clichés die er bestaan over de man en de vrouw. De man houdt het kind voor, dat alle vissen zoals de vrouw onder water engelen zijn. De vrouw en de man ‘ zijn een slecht getimede pantomine.//’.’We spelen met elkaar een vreemd ritueel en weten niets meer van de regels.//’. Op het moment dat de vrouw haar mond opent, verdwijnt de man met het kind. ‘De vrouw/ was haar een gevaarlijk vlies maar het kind wist het nog niet./’ Het gevecht tussen de man en de vrouw om kind ontbrandt. Het sliep tussen zijn vinnen en droomde in zijn bek.
De vrouw blijkt een meesterdievegge te zijn en blaast elke dag haar adem/ in de mond van het kind.//’. Het kind weet van niets en werd langzaam gekleurd door het gif van de vrouw. ‘Ik zag haar vinnen en het weke vlees van haar buik dat leek bespat/ met de wrok van de vrouw./’. De vrouw danst als een duivelin, een begijn.//’. De man duikt onder in de bloedrode zee van zijn onmacht.  

In de derde afdeling is er bij ‘Het kind’ een herinnering aan ‘een duet van een man met een vrouw’. Ze kan met een klik ineens opnieuw woorden vullen met herinnering die omhoog naar de hemel of diep naar de afgrond verwijst. Het stormt in het hoofd van de vrouw. Atlantis rijst voor haar geest op. Gevaren dreigen:
 
     wat ze wil zeggen wordt ingesloten. Vinger voor vinger legt zich
     op haar mond. Ze zal niet spreken over dingen, niet over mensen
     niet eens tegen zichzelf.
 
Ze doet er het zwijgen toe. Geluiden, woorden en klanken glijden door haar hoofd. ‘Wat ze zich wenst, waar ze nooit kan zijn: de andere kant van de tijd.//’. De twistgesprekken tussen de man en de vrouw doen haar huid trillen. Het enige wat het kind kan bewaken is haar eigen omtrek. Gevolg: ‘Ik ben er niet ik ben er niet ik ben er niet.//’. Het kind oefent woorden om zich te verdedigen tegen de aanwezigheid van de man en de vrouw. Ze weet zich gevoed door hen met
 
     hun merg, hun lawaai,
     […] Ze bestaat aan de andere kant
 
     van de tijd. Er was eens een bundel vol woorden van –on en van –niet.
     Ik nam de band in mijn handen en trok hem aan stukken. Nee: 

     ik vrat de woorden op tot mijn mond ervan bloedde. Nee: ik schreeuwde
     de woorden uit in de nacht. Steeds opnieuw. En ik begon.
 
Haar huid herinnert zich tot slot een vreemd land. Ze weet zich te wapenen tegen het licht.  De vrouw is voor het kind tot een beeld op de rots geworden. Van de man vouwt ze scheepjes. Ze hoort ten slotte een lied dat ze niet kende. Het lied van het bleke licht. Ze weet zich verlost.

Lagemaat valt te bewonderen om haar beeldenstorm, haar kleurrijke taal, haar ritme en haar gedrevenheid in bepaalde delen van het gedicht, maar de stroom aan beelden doet te kort aan de epische lijn die ze blijkbaar heeft willen uitzetten over het samenleven tussen een man, een vrouw en een kind; in het hier en nu of langer geleden. De lyrische en dramatische aspecten, gewikkeld in deze beeldenstorm, overwoekeren de epische voortgang. De innerlijke overwegingen veroorzaken daardoor een duister schimmenspel. In plaats dat haar metaforiek in samenspel met de epische lijn een verhelderend totaalbeeld zou moeten oproepen, treedt vooral in het eerste, en wat minder in het tweede en derde deel een verhullend effect op.

Lagemaat durft zeker het grote epische gebaar te maken, maar de kracht van haar pennenstreek verliest gaandeweg haar intensiteit en scherpte. Het nachtelijk en mythisch spektakel ontbreekt het aan doorzicht vanwege de talrijke beeldrijke pirourettes.

 

***
Liesbeth Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) studeerde Nederlands en Taal- en Literatuurwetenschap, werkte als journalist, actrice, reclametekstschrijver, accountmanager en docent Nederlands en debuteerde in 2005 met de bundel Een grimwoud in mijn keel, die bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs. In 2007 verscheen Een koorts van glas, in 2009 Handlanger – Het witte kind en in 2012 Het uur van de pad.
 

Recensie van Het uur van de pad - Liesbeth Lagemaat

Ik knier dat het een aard heeft

Liesbeth Lagemaat
Het uur van de pad
Uitgever: Wereldbibliotheek ,Wereldbibliotheek ,Wereldbibliotheek ,Wereldbibliotheek
2012
ISBN 9789028424562
€ 15,90
88 blz.

Soms zijn er van die bundels die je om uiteenlopende redenen tot wanhoop drijven. Meestal is de inhoud de reden. Poëtische gedachten maken nog geen poëtische gedichten. In het geval van Lagemaat is dit zeker niet het geval. Na lectuur vraag je je af hoe … tja, wat vraag je je af? Kennismaking met poëzie die recensies op losse schroeven kan zetten.

In 2005 ontving Lagemaat (Bergen op Zoom, 1962) de C. Buddingh’-prijs voor haar debuutbundel Een grimwoud in mijn keel. Daarna verschenen de bundels Een koorts van glas (2007) en Handlanger – Het witte kind (2009). Daarna was het drie jaar wachten op Het uur van de pad, de nieuwe bundel die voor mijn neus ligt.

Klacht van de weduwe na het vergaan van de vloot

Ik knier dat het een aard heeft. Waar het land verdampt, in asblauw een pluim een veeg
uitgestrooide lijn het zand condens de adem licht de adem in waar. Ik had je uitgerookt
ik knier je lag in splinters narwalhoorn in mosselscherven o.

En de oestervloot van 17-zoveel vertrok, sloeg zich uit en haalde verhaal op het land
je was scherp als het blad vandaag de scheermes klapte open knier ik dat het op het strand
waar het land waar jij voor mijn voeten. Ik knier blauw bloed vandaag, as als de lucht

het verdampende. Aarde = korrel = Babeltoren van manvrouwkind geweeste levens,
geestgrond hier aan de kust ja het zucht. Eet mij. Mijn woord is perkament. En was.

Dat je grit in de droogte, stof op de aangekoekte nerf van het land, huidvel in schuilvorm.
Ik trap je. Mijn zolen van glaspijn, naadloos mijn hoef in het zand? Dat nooit.

Je droogde je trager dan gort uit 17-zoveelste storm. En ik knier. Zucht dat het kraakt.
Ik vermaal je. Ik moet want het lopen gaat door het gaat asblauw en gaat als een snijbrander
vloek je tekeer en mijn zolen: aan spelden gewend. Schuur ik, kerf me, leg ik me uitgestrooid

op je vlakte. Verraad in asblauw. En ik knier. Lispelend mosselvlees, je had je in golven en
vlokken gespreid. Dacht je dat ik dat ooit geloofde?

Je bent mijn gebed jongen jij. Ik knier. De zool van het land is de mijne.
Het snijdt waar ik loop. Ten onder. Verzuipen in het zand.

Tijdens de lectuur bleef er een beeld op mijn netvlies spoken. Enkele jaren en een ander leven geleden verbleef ik in het Ierse Drumcliffe. Het dorpje zou zeker een ingeslapen leven geleden hebben in de schaduw van Ben Bulben in County Sligo, ware het niet dat Nobelprijswinnaar W.B. Yeats hier zijn laatste rustplaats gevonden heeft. Na een koude blik op leven, dood en zijn graf geworpen te hebben, passeerde ik op weg naar de kust in Rosses Point het standbeeld Waiting on shore, eenzame wanhoop van een moeder die door de zee weduwe werd, net zoals in het gedicht van Lagemaat.

Wellicht is dit wat men als lezer moet verwachten: impulsen om beelden uit het verleden weer in het heden te trekken. Is dit trouwens de reden waarom ik op het internet zo weinig informatie vind over het werk van Lagemaat? Hebben mensen voor mij reeds de tanden stukgebeten op dit woordenfluïdum van associaties en zijn diezelfde mensen tot de conclusie gekomen dat het beter is om te zwijgen?
Maar niet alleen de inhoud van de gedichten is op zijn minst bizar te noemen. De bundel kent ook geen paginering, maar tijdsindeling. Elk gedicht krijgt een minuut toegewezen. Soms is deze tijd voldoende om het gedicht volledig te lezen, maar meestal lukt het niet om de hoeveelheid Lagemaatwoorden per gedicht verwerkt te krijgen. Ja, de dichteres is zeker geen Jan Arendsepigoon. Meestal dreigen de gedichten de beknoptheid van de pagina te overstromen. ‘Klacht van een weduwe’ is binnen deze context immers ‘slechts’ een middellang gedicht te noemen.

Van de man die eigenlijk een dichter was

Al jaren woont de man in het glazen schuurtje.
Hij ziet het gras, wanneer hij wakker wordt,

en hoe de aarde zich ’s nachts spiegelt aan de lucht;
de kleuren van de bloemen ziet hij telkens in een ander licht,

en elke avond begint hij voor de eerste keer met het tellen
van de sterren. Hij wijst ze aan, niet om te controleren maar

uit nieuwsgierigheid. En een beetje uit behoefte aan ordening.
Hij noemt ze, onhoorbaar, bij hun donkerblauwe namen.

Spreken doet hij niet. De woorden die hij, eventueel,
tegen zichzelf zou willen zeggen, zijn herhalingen

van klanken in zijn hoofd. ‘Goud,’ denken zijn hersenen,
en ‘peillood.’ ‘Krommingsrevolutie’. De man knikt,

houdt zijn hoofd schuin, wrijft wat condens van zijn glazen
schuurhuis. ‘Wie maakt me los?’ peinst de man.

‘Wie borg me op? Ik ben voor mezelf niet te tellen,
laat staan dat ik alle speldenprikken van gedachten kopieer,

vannacht, naar de sterren. Voor elke enigszins ooit
af te ronden gedachte een ster.
’ En ‘druppelepitheel,’

doen de lippen van de man. ‘Het duizendjarig slaaprijk
van de As.’

Juist wanneer hij kijkt naar het gras, beginnen de halmen
te zoemen. Een langgerekte toon, alsof er een elektrische

wekker afgaat. ‘Hoe lang nog?’ echoot het hoofd van de man.
Het gras zoemt. De man probeert de halmen aan te wijzen,

hun vorm te lezen, de man voelt een dwangmatige behoefte
op te lossen in het gras. Mee te doen met groen, sapstroom,

de wortels van kriebelend haar aan de keerkant van stengel.
Getallen wervelen op in zijn hoofd, botsen op elkaar,

van sommige cijfers breken stukken af, de tekens raken
onherstelbaar verminkt. Het tellen in het hoofd van de man

lijkt steeds meer op het zoemen, buiten.
De man tuit zijn lippen en doet ‘uuuuuuuuuuuuuuu’. Zo zachtjes

dat hij het zelf nauwelijks verstaat. Hij schaamt zich een beetje.
Aan de binnenwand van zijn glazen huis wordt de condens dik als lijm.

Traag stromen de druppels naar beneden. Het huis van de man –
‘Huil niet,’ klinkt het op uit de hersenbochten van de man.

Zijn vinger streelt de wand.

Dit gedicht begint als een sprookje, een sprookje dat meandert langs de grens tussen slapen en waken. Achttien disticha poëtische associaties laat Lagemaat op haar lezers los. De lezer dwaalt en zoekt tegelijkertijd zijn eigen weg in het woordenweb dat de dichteres zorgvuldig gesponnen heeft.

Maak ik het me gemakkelijk om geen verdere uitleg te geven bij de gedichten? Ja, ik pleit schuldig, maar ik wil tegelijkertijd de woorden van Dylan Thomas ter verdediging aanvoeren: ‘You can tear a poem apart to see what makes it tick . . .. You’re back with the mystery of having been moved by words. The best craftsmanship always leaves holes and gaps . . . so that something that is not in the poem can creep, crawl, flash or thunder in.’
Voor mij is dit exact wat Lagemaats poëzie doet. De lege plekken tussen haar woorden vul ik aan met mijn eigen beelden, woorden, leven. Elke lezer krijgt op deze manier de mogelijkheid om zijn eigen bundel te schrijven tussen de versregels van Lagemaat.

Hoort deze bundel een plek te krijgen in uw boekenkast? Zoals steeds is het antwoord dubbel. Neen, de bundel is te overladen. Na een tijdje gaat het associatieve haasje-over zichzelf voor de voeten lopen. Zoals Mozart al te horen kreeg van Keizer Joseph II dat zijn werk teveel noten telde, zo bekroop mij hetzelfde gevoel bij lectuur van deze bundel. Ja, als je de prijs-kwaliteit per dichterlijke letter rekent, is deze bundel absolute topkwaliteit. Lagemaat is geen dichteres van de uitgepuurde taal. Zij smeert woorden dik uit over haar pagina’s en laat haar lezers meegenieten van haar poëzie.

Interim management

Het uur van de pad loopt bijna ten einde,
jy geckie verliefde dweilie, jy my draghen in zwickzwackplasticrondeeltje?
We gingen hem voor. Op een uitgetekende trek.
We gooiden droge takken naar zijn kop en kwaakten,
’s middags, in onze priktijd, naar de dotterbloemen,
als een jonge verliefde padman, we hebben heimwee,
voelen melancholie, sympathie, en een ondoorgrondelijke haat,
our love is like a fever, ons is de tijd beschoren dat pad ons snoerde
in een korset van rozenblaadjes. We waren onszelf, ondanks onszelf,
en schopten padmodder op, er kleefde schuld en grind en padhuid
aan onze zolen wy minnecoosman wy zmackerdiezmackvrouw,
we hebben ons teruggewalst in het holst van de tijd,
schuilen in de kiem van bang, dat is het,

tenzij

iemand

iets

doet.

Iets anders.

(Liefst iemand van buitenaf.
Iemand die we de schuld kunnen geven als de toverspreuk niet werkt.
Iemand die lijkt op de pad. – Een verre neef, misschien?)

Misschien.

Alsof het nog niet voldoende is, vergast Lagemaat ons bovendien nog op een gedicht dat over de ganse lengte van de bundel met ons meereist. Onderaan elke pagina krijgen we als toemaatje een gedicht-verhaal over ‘pad’. Ik laat in het midden of deze gimmick echte waarde heeft. Sommigen zullen beweren dat deze voortschrijdende woorden de rode draad van de bundel zijn. Anderen, en wellicht meer ICT onderlegde recensenten zullen in ‘pad’ een verkorte vorm van IPAD zien, Jobs verslavende venster op de virtuele wereld. Ze zullen elk gedicht, elke regels, elk woord als een afzonderlijke hyperlink gaan lezen, waardoor elk gedicht een oneindige ontploffing van nieuwe beelden wordt. Alhoewel ik bij deze laatste soort eerder moet denken aan recensenten die een beetje te lang gelikt hebben aan de kikker van Lagemaat waardoor hun verbeelding hallucinogene dimensies aangemeten kreeg.