Recensie van Het riool - Arnoud van Adrichem en Jan Lauwereyns

Een rat om te aaien

Arnoud van Adrichem en Jan Lauwereyns
Het riool
Uitgever: IJzer
2016
ISBN 9789086841271
€ 14,50
96 blz.

Twee in één bundel, tel uit je winst!
Toch niet.
De twee zijn namelijk versmolten tot één dichter, je zou hem Jarnoud Laudreyns kunnen noemen als de tweekoppige niet voor de afzonderlijke namen had gekozen. Een gelukkige symbiose, laat ik dat vooropstellen en de werkwijze van de twee in dit samenspel maakt nieuwsgierig; voer voor interviewers!

De Vlaming Jan Lauwereyns, hoogleraar neurowetenschappen in Tokio, kende ik van zijn debuutbundel ‘Nagelaten sonnetten’, waarmee hij in 1999 werd genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs. Anders dan anders, geen sonnetten in ieder geval, wel intrigerend, maar ook koel en te klinisch om me in te verliezen, wat me in deze bundel wel gebeurde.

Arnoud van Adrichem werd eveneens genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs voor zijn debuutbundel ‘Vis’ in 2008.
De bundel werd een jaar later bekroond met de Hugues C. Pernath-prijs.
Als duo met Jan Lauwereyns bundelde hij in 2010 essays, gedichten en vertalingen in ‘Stemvork’.
Het gaat om slechts negen gedichten, die er qua lengte echter mogen zijn; de bundel telt zesennegentig pagina’s. Zij bestaan alle uit strofen van ten hoogste drie regels waaronder meerdere eenregelige met een vraagteken. Vooral die vraagtekens zuigen de lezer het gedicht in:
‘Wat?’ met het antwoord ’Dat!’; ‘Spreken wij te vlug?’; ‘Denken wij te snel’; ‘Volgen wij’; ‘Dus?’; ‘Beken je je?’.
Men hoopt een antwoord te krijgen en leest dus door ook al blijft het antwoord achterwege.
Wat ook bijzonder aan de vorm is, is dat strofen aan het begin van een gedicht later iets gewijzigd terugkomen, wat de samenhang van het gedicht ten goede komt: ‘Inderdaad, / zeker de vierde of vijfde / keer,’ en enkele pagina’s later ‘Inderdaad, / zeker de vijfde of zesde/keer,’.
En niet alleen in de gedichten afzonderlijk komen deze echo’s veelvuldig voor, ook in de bundel als geheel treft men deze stijlbloem aan. Zo vormt zich een organische eenheid.

Wat de inhoud betreft, het achterplat vermeldt dat de literaire samenzang van de dichters afdaalt tot in de donkerste krochten en holen van onze wereld. Dat is zonder meer waar, de titel is juist gekozen. Maar vooral het riool boven de grond is alarmerend: ‘Nog even, / meneer, mevrouw, / voor uw orgasme / nahijgt in het binnenoor / van onze privédetectives.’ en ‘Zijn traject zal barsten, / alle toekomsten verloren, liefdevolle leegte, / schielijk worden beloftes ingetrokken. / Aanraken is ophoesten. / Wie smaakt, blijft steken.’ (Uit het gedicht ‘Overzeese stad’). En in ‘Maren van de beul’ wordt het nog onheilspellender en wranger:

[…]

Soms gaat het beter
met een bot
instrumentarium.

[…]

IJzer weifelt niet,
vlees nodigt uit tot snijden.

Dat weet de beul.

[…]

Het lemmet is minder
dan een zweetdruppel

verwijderd van de keel.

Vertraagt zand
het denken?

[…]

Na de eerste drie gedichten gaan we daadwerkelijk onder de grond om kennis te maken met ‘Rat’ in zijn rioolbuizen en spelonken waar de toon wezenlijk anders is dan ervoor; levenslustig,vrolijk bijna.

Rat

Hier, daar, het is donker,
vochtig, Rat wil iets

belangrijks zeggen, hij heet
het succesvolste zoogdier

ter wereld, ter wereld.

De echo maakt hem groter,
groter nog dan zijn schaduw,

die verkennend vóór hem
een roestbruine buis oploopt.

[…]

Voor het slapen gaan
vertelt hij verhaaltjes
aan de vlooien in zijn vacht.

[…]

Altijd lachen met Rat

Het doet sterk denken aan een kort verhaal van Julio Cortázar uit ‘De Mierenmoordenaar’ over een beer die door de waterleidingen en de pijpen van een huis scharrelt, deze zindelijk houdt, een poot door de kraanopening steekt, waarvan de dochter des huizes gaat gillen, en als zij zich wast ongemerkt haar wangen streelt. De beer heeft bij uitstek een hoog aaibaarheidsgehalte, met de rat ligt dat anders. maar het is Lauwereyns en Van Adrichem gelukt ook dit dier aandoenlijk te maken, ondanks ‘zijn kale vette staartje / in verse pis, in de drek / en drab, de stank.’

Merk dat ik behoorlijk lovend aan het recenseren ben, maar enkele kritische noten moeten ook gekraakt. Ten eerste hadden de gedichten korter gekund; elk gedicht bevat wel een paar overbodige strofen, en in de verzen die op ‘Rat’ volgen, dringt zich de invloed van Hans Faverey wel erg op.

Niettemin een boeiende bundel, die men beter niet in de trein kan lezen; de kans dat men zijn bestemming dan voorbijrijdt is niet denkbeeldig. (Het gebeurde mij).

Tot slot: veertien en een halve euro voor dit werk is te weinig.

 

Recensie van Theorie van de rondworm - Jan Lauwereyns

Een theorie over mensen en wormen

Jan Lauwereyns
Theorie van de rondworm
Uitgever: Koppernik
2015
ISBN 9789082175134
€ 15,-
56 blz.

‘Wie waanzin wil begrijpen,/ moet de beweging bestuderen.’, oppert Jan Lauwereyns in het eerste fragment van zijn bundel Theorie van de rondworm, waarin hij de lezer meeneemt een laboratorium in waar een man door een microscoop wormpjes bestudeerde:

(..)
Hij zag de mogelijkheden
zich nu eens verscherpen,
dan weer terugtrekken

in het wazige, precies zoals
de minuscule rondwormen
dat deden,

onder zijn lenzen.

Eerder had hij het over ‘het conflictparadigma’:

kronkelend van de tegenstellingen,
de aantrekking en de afstoting

waarna hij de wereld van de waarnemer binnenstapt met:

de lekkere geur van boter, daar,
aan de andere kant van de petrischaal,
en de walgelijke koperen barrière, hier
recht voor zijn snoet.

De wormpjes vertegenwoordigen voor de dichter dus een stelsel van met elkaar samenhangende theorieën over ook in hem spelende conflicten:

Wormen die net hebben gegeten, zijn geneigd
om een plekje met veel lekker eten te verlaten
op zoek naar hermafrodieten.

Uitgehongerde wormen blijven bij het voedsel,
ook al is er geen enkele hermafrodiet in de buurt.

Maar laten we aannemen dat het mannetje
trek heeft in seks.

(Waarom anders binnenstappen bij Het Geheim?)

Hij golft er elegant op los.

Theorie van de rondworm is een uit losse fragmenten gevormd, niet chronologisch gestructureerd episch gedicht, dat de lotgevallen beschrijft van Drosselmeyer, een man van middelbare leeftijd, in relatie tot Clara, een jonge vrouw, met wie hij drie jaar eerder gedanst heeft. In de metrotrein onderweg naar huis in slaap gevallen, met schrik ontwaakt, een halte te vroeg uitgestapt, komt hij in de volgende trein achter haar te zitten:

(..)
Hij bleef veilig, onbereikbaar, buiten haar blikveld.
(..)

Dan volgt hij haar:

Hij doolde eenzaam als een wolk,
drijvend in de hoogte, onder de wassende maan,
toen een fragment van zijn denken loskwam, even bleef
fladderen, en neerdwarrelde op zijn schaduw
die langer en langer werd.

Dunne straten, steegjes, liepen elkaar voor de voeten.
Het oosten verwarde zich met het zuiden, hij was een paard
vrijgelaten in het veld,
in de diepte van de kloof die golven baarde,
in de hersenen als doolhof, de nieuwe huizen
in de karakteristieke woonbuurt,
onmogelijk te onderscheiden,
het waanbeeld van een rib die razende danste
in de herinnering aan zichzelf,
de figuur van een pasgeboren ster, die de wilde grassen
scherper deed oplichten tegen de schaduwen
de limieten van het veld.

In de verte schitterde Het Geheim.

(..)
waar vooral ‘s nachts hapjes voorgeschoteld worden,
aan eenzame mannen.

(..)
Wanneer breekt het ogenblik aan
waarop we het meervoudige van mogelijkheden zien?

Hij slaagde er niet in de ene
met de andere te verenigen.

Kon de onbevlekte ballerina van weleer
werkelijk een ordinaire bardame geworden zijn?

Ik ben zo vrij geweest om deze fragmenten in een chronologische volgorde te plaatsen, om toch maar iets te vertellen over het verhaal. Hoewel ik liefst zo snel mogelijk tot ‘De theorie van de rondworm’ kom, is het verhaal er zo ingenieus mee verweven, dat je er eigenlijk niets uit kunt missen:

Vluchtige synchronie verwees naar het rijmen,
naar harmonische resonantie, een kortstondig lied,
een gedeeld danspasje,
een op elkaar afgestemde terugkeer.

De onmiddellijke herhaling bevestigde het samenhoren.

Er zat betekenisvolle synchronie
in het moment waarop hij zich vergiste
(een halte te vroeg uitstapte)
en het moment waarop hij haar kwijt raakte
(bij Het geheim)

Beide momenten behoorden tot hetzelfde ‘nu’.

De ene scheur in de werkelijkheid
maakte de andere mogelijk,

de vergissing zette hem op het spoor van verkenning,
bracht hem in de ban van de wrede wiskunde
van genot.

(..)
Om zeventien minuten vóór middernacht
slikte hij zijn speeksel door en stapte eindelijk
Het Geheim binnen.

De ontmoeting met Clara in Het Geheim is bepaald ontluisterend door alles wat er omheen gebeurt. Hij verlaat Het Geheim en trekt naar de zee:

Hij liep langs de rand van de golven,
moest af en toe een stap opzij zetten,
een enkele keer zelfs springen,
om te vermijden dat het water hem te pakken kreeg.

Herhaling, terugkeer, opnieuw, hier iets en daar weer,
hij zag het in de golven.
Hetzelfde was niet hetzelfde, het baren deed iets
geboren worden, iets worden wat
niet helemaal gelijk was aan het vorige.

Elke herhaling bracht verandering teweeg,
hoe miniem ook.

Hij liep langs de rand van de golven, zette af en toe
een stap opzij, en moest zelfs een enkele keer springen,
om te voorkomen dat het water het denken
aan haar overspoelde.

Twee bladzijden daarvoor lazen we wat er zich in zijn hoofd afspeelde:

Het krioelde onder zijn schedeldak.

De wormen golfden in prachtige, hypnotiseerende
sinusoïden tot aan de koperen barrière.

Daar sloeg de chaos toe in het gehele lichaam van de C.elegans.

De kop, de staart en alle vlees daartussen,
het volledige bestaan van de worm
viel uiteen in autonome neigingen, die trokken en duwden
in tegengestelde richtingen.

Hij zoomde in en stelde scherp.

Het gewurm hield hem vast.

De titel van de bundel werkt als een focus. Het is alsof je door die lens de verrichtingen van Drosselmeyer volgt, om tot een paradigma te komen dat een logische samenhang toont, een verklaring geeft van zijn gedrag en van wat hem overkomt. ‘Wie waanzin wil begrijpen/ moet de beweging bestuderen.’ Je stelt scherp, stelt bij – Het waarnemen van bepaalde fenomenen kan verheldering geven van andere. Het leven van de rondworm laat iets zien van de wetten waaraan ook de mens onderworpen is. Herhaling en verandering blijken onafscheidelijk, en het heeft er de schijn van dat we door krachten die groter zijn dan wij, verleidelijker en sterker, worden voortgedreven. Of we dat nou leuk vinden of niet. We maken deel uit van hetzelfde leven als de wormen, al voor we naar de wormen gaan…

Een opmerkelijke, eigenwijze, humoristische en tot nadenken en herlezen stemmende bundel.

***
Dichter en neurowetenschapper Jan Lauwereyns (1969) debuteerde in 1999 met de dichtbundel Nagelaten sonnetten (genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs). Daarna volgden de dichtbundels Blanke verzen (2001), Buigzaamheden (2002, bekroond met de Hugues C. Pernathprijs), Tegenvoetig, tweebenig (2004), de roman Monkey business en het essay Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (genomineerd voor de Vlaamse Cultuurprijs). In 2007 verscheen Anophelia! De mug leeft. In 2008 publiceerde hij Vloeistof en welvaart, in 2011 gevolgd door Hemelsblauw (VSB Poëzieprijs 2012).
Theorie van de rondworm is het eerste deel van een door uitgeverij Koppernik uit te brengen nieuwe poëziereeks van vier bundels per jaar. In 2015 volgen verder nog bundels van Wiel Kusters, Breyten Breytenbach en Armando.Vijftien euro per deeltje, abonneren is mogelijk.

Recensie van Hemelsblauw - Jan Lauwereyns

Een nevelige blik op de berg Fuji

Jan Lauwereyns
Hemelsblauw
Uitgever: De Bezige Bij
2011
ISBN 9789023457329
€ 17,50
80 blz.

Bij eerste lezing van de afdelingen in de nieuwste bundel Hemelsblauw van Jan Lauwereyns valt je direct naar vorm en inhoud de eigenzinnigheid op die de dichter hanteert. Vier doorlopende parabelen in veelal korte strofen van één, twee, drie of tien regels. De tweede afdeling ‘Rondom de boom’ heeft de gedaante van een verhalend prozagedicht, zoals dat van oudsher gebruikelijk is in de Chinese en Japanse poëzie. Maar bovenal raak je direct verstrikt in de over elkaar heen tuimelende beelden in de overige afdelingen. De associatieve sprongen zijn groot. Woorden en beelden lopen nogal uiteen. Zo nu en dan gebruikt hij wat nieuwvormingen als ‘regenboogschepping’, ‘veelstammige herinnering’ en op zichzelf staande verrassende beelden en paradoxen: ‘de krochten van de zelfverloochening’ of ‘je gesloten volledigheid’. Grotendeels gewone woorden.
Telkens bekruipt je het gevoel dat Lauwereyns weidse perspectieven opent, en toch lopen de lijnen op een of andere manier niet bovengronds door, maar gaan ze ondergronds verder. In die zin ondervind je in zijn poëzie enig invloed van de Aziatische wereld waarin hij dagelijks leeft en waarin het leven aan de oppervlakte lang niet altijd verraadt wat daaronder leeft. Het hangt ongetwijfeld samen met zijn interesse als wetenschapper in de werking van onze hersenen.

Waar het voor mij als beschouwer van poëzie op aan komt, is dat ik niet zozeer alleen moet letten op de eigenlijke betekenis van de woorden, maar dat ik er ook op dien te letten, in hoeverre de wijze en intensiteit van werken en de mate en aard van de moeilijkheden eruit blijkt die de maker zich heeft opgelegd. Die intensiteit is zeker merkbaar in deze gedichten, de moeite die de dichter zich ervoor getroost eveneens. Eerlijk gezegd ervaar ik zelfs te veel worsteling om het ‘mot et image juste’ te vinden.
Wat de hele bundel door overheerst, is een spel met de vorm. Dat stelt voor mij de inhoud te veel in de schaduw. Of dat nu het prozagedicht, de eenregelige verzen uit de derde en de vierde afdeling of de tienregelige strofen van de vijfde afdeling is, met de vorm wil Lauwereyns de inhoud samenhang verlenen en tegelijkertijd zwarte gaten in de betekenissamenhang in stand houden. Ligt daarin niet juist de kracht of juist de zwakte van deze poëzie? Constructie of intuïtie? Bewust of onbewust? Ik bespeur te veel een gewilde, bedachte constructie.

De gesluierde eenvoud van Lauwereyns’ beelden en woorden, de korte versregels verbergen een complexiteit, die je al te gemakkelijk zou kunnen doen denken dat zijn associatieve manier van werken gemakkelijk zou kunnen nabootsen. Vooralsnog intrigeert zijn poëzie, maar irriteert mij ook. Vreemd en dichtbij in sfeer en beeld. Ze straalt een weldadige rust, maar ook een beheersing van de wereld uit die ze daardoor weer zo vertekenend werkt.
Wat dat betreft is de dichter op een eigenzinnige wijze aan het weven: ‘Tekst, een tekst, de tekst, weven wij/ In, en van, en voor , alles of niets//’. De Else uit de eerste afdeling duikt telkens op in de herinnering van de dichter als brandpunt van ‘de verdwenen parabool’. Je kunt niet anders zeggen dat Lauwereyns in staat is gespannen poëzie te schrijven, vol zwarte gaten. Zijn poëzie kent misschien wel te veel beelden die elkaar soms in de weg zitten, elkaar verduisteren in plaats versterken en verhelderen. Er hangt een sluier over zijn taal, en die trekt hij er niet van af.

De eerste cyclus ‘Parabel voorbij de regenboog’ bergt uiteindelijk een liefdesgeschiedenis in zich, die op een heel associatieve en indirecte wijze tot zijn ontvouwing komt.

Vele woorden van liefde
Bij de finale aflopen van alles, absurd

En toch, en evengoed, zal niets gedaan zijn
Wat achteraf gezien onmogelijk bleek

Nergens resten wat ooit zeker zou
Geen wijsheid of richtlijn

Dan in het brandpunt
De verdwenen parabool

Die cirkel werd, meisje
Hemelsblauw

Aan deze cyclus ontleent de bundel zijn titel. De cirkel sluit zich aan het einde van dit gedicht. De dichter weeft zich een liefde, een geliefde voor de geest. Ze verschijnt op en verdwijnt weer van het papier. Ze wordt ondergebracht in een wiskundig model, gevangen in een denkbeeldig kader. Wat betekent aanwezigheid van liefde? Wat is liefde? Hoe dichtbij kan ze zijn?

De tweede parabel is die van de oude, lieve meneer Nakazato en de eeuwenoude boom. Hoewel de man heel oud is en meent recht van spreken te hebben over zijn tuin, zijn boom, zijn eigendom, moet hij uiteindelijk erkennen dat wij het bezit zijn, dat hij het bezit is van de natuur. Die omkering brengt Lauwereyns tot leven. Het gegeven is van alle tijden. Maar het modieuze incident met de kerstverlichting waar hij op zijn oude dag zich nog toe weet verleid, toont hem ons als een man van deze tijd. Even is hij zijn bron van alle leven vergeten en waant hij zich de alleenheerser van zijn leven. De ik die in samenspraak met zijn kleinzoon Fumio de verlichting laat verwijderen, bezorgt Nakazato een opwinding die uitmondt in een hersenbloeding.

Wij zijn zoals de bladeren van de zelkova, we blijven
groen voor een tijdje, zo lang houdt de boom het
met ons uit, en dan laat hij ons los

‘Addertje zonder kop’ bevat eenregelige verzen met het karakter van een innerlijke monoloog. Een addertje zonder kop gevonden onder het blad. In een aarzeling die een gedicht lang duurt, keert telkens de vraag terug of dit een gedicht is. De adder zonder kop, dood, giftig. Je durft het nauwelijks op te rapen. Is het wel echt? De kop van de adder opgepikt door de kraai die het weer laat vallen, opgeslokt worden door een karper. Al die vervolgstappen in het gedicht betekenen voor mij fasen in de totstandkoming van een gedicht:

alsmaar in gedachten het koploos addertje kop

Is het dan een gedicht

Zoiets is toch een gedicht

Altijd maar denken

Aan de kop van het addertje zonder kop

Omdat hij het opgevreten had

Wat je waarneemt, laat zich niet altijd direct begrijpen.

Trein die stilstaat

Woorden die je niet begrijpt

Is dit dan de theorie van het gedicht

Van het addertje zonder kop

Onder gebladerte de rest van het gedicht

Zekere dag in de tuin, het gedicht zonder kop

Op bedachtzame wijze toont Lauwereyns hier de hinkstap sprongen van een dichter die struikelt over een adder zonder kop, en soms over zijn eigen woorden en beelden. Het blijft cirkelen rond de kern.
Het gedicht over een onherbergzame gorilla volgt als vierde parabel. De dichter probeert betekenissen te geven aan het ‘haar’ van de gorilla’s. Het gaat om de verovering van het vrouwtje door het mannetje. Een leugenachtig scheppingsverhaal dist de dichter hier op. Ze verschuilt zich achter zijn beharing. In een stroom van woorden legt Lauwereyns hier een natuurlijke paring vast met alles wat daarbij te pas komt.

De dubbele omhulling
Zo dicht geweven

Het gat dat
Taal Hem bood

Haar leed
Verschrikking en dood

Het onzegbare gezegd te hebben
Het perfect gesproken te hebben

Soms schildert ze
De ballade
De verbijstering

In deze afdeling scheren de verrichtingen van de dichter tussen de natuurlijke gebeurtenissen door. Dit amalgaam aan indrukken, klanken en schilderingen doet afbreuk aan de trefzekerheid van de waarnemingen. Op een of andere manier blijft de fragmentatie zo overheersend dat er zich vanuit de tekst geen ordeningen aandienen. Maar misschien is dat juist wat de dichter ons wil voorhouden.
Dat geldt ook min of meer voor de laatste afdeling ‘Zoals vuur vuur uitademt’. De ballade van Zin en Verlies. Het

Zwemmen in je kennisveld
De ordening van het zichtbare
Het duiken in een leegte
De bossen in
De enkelvoudige nacht van stoffelijkheid
Het onverzoenlijke hart

Een dergelijke opsomming geeft blijk van een diepe behoefte greep te krijgen op een waarneming, een ervaring, zonder dat daar ook maar enige kans toe bestaat. Er is sprake van een hoge mate van abstractie. De dichter komt niet veel verder dan

De rijkdom van vreemde lettertekens
Nederlands, ondergronds
De dichterlijke schepping van kersenbloesem
Slechts een keuze van
Het punt waaraan voorbij
Kersenbloesem
Dichterlijke schepping

Je krijgt in deze bundel de indruk dat je in een rijk van diepe duisternis terechtkomt, zonder dat je een gids hebt toegewezen gekregen. Het is dolen geblazen aan de voet van de berg met de irritante wetenschap dat andere lezers al zoveel schoonheid in deze contreien ontdekt schijnen te hebben, die jij nog niet hebt kunnen waarnemen. Voor mij bleef deze bundel een blik op de berg Fuji, in nevelen gehuld. Ik heb de zon niet zien opkomen.

***
Jan Lauwereyns (1969) is als neuropsycholoog verbonden aan de Victoria University te Wellington. Hij debuteerde in 1999 met Nagelaten sonnetten, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Buigzaamheden (2002) werd bekroond met de Hugues C. Pernath-prijs. In 2007 verscheen zijn vijfde bundel, Anophelia! De mug leeft. Daarnaast schreef hij een roman, Monkey business. Zijn essay Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie werd genomineerd voor de Vlaamse Cultuurprijs.

Recensie van Vloeistof en welvaart - Jan Lauwereyns

Raakvlakken

Jan Lauwereyns
Vloeistof en welvaart
Uitgever: De Bezige Bij
2008
ISBN 9789023428787
€ 16,90
48 blz.

Vloeistof en welvaart van Jan Lauwereyns laat zich gemakkelijk beschrijven: een sober uitgegeven bundeltje van 32 titelloze gedichten, ondergebracht in vier afdelingen van zes, elf, acht en zeven gedichten, respectievelijk getiteld ‘Barst in de kiemcel’, ‘Brekerbaai’, ‘Verdwijning in het landschap’, ‘De waterproef’. Op de voorkant een foto van Alfred Gescheidt, ‘Beach Scene with bathers and atomic bomb’. Het is een digitaal gemanipuleerde compositie van in zee badende mensen, allen met hun rug naar een paddenstoelvormige explosie op de achtergrond. Door hun ouderwetse badkleding maakt de foto een zeer gedateerde indruk – alsof het een badfoto is uit de jaren twintig – en daardoor lijkt het kernwapen waarvan de dreiging nog immer actueel is, toch iets van een voorbije tijd te zijn. Op het achterplat een kort overzicht van zijn eerdere werk, een kenschets van de bundel (‘denkende gedichten’, ‘poëzie die lyrisch wordt van de wetenschap’) en een fotootje van de voor zijn veertig jaar jong ogende dichter.

Alle gedichten zijn opgebouwd uit strofen van een en twee regels (in totaal van beide vrijwel evenveel) en tellen meestal twaalf of dertien regels van ongelijke lengte (maar vijf gedichten zijn een of twee regels langer en vier iets korter), nauwelijks rijm (en als het er wel is, maakt het een wat pesterige indruk met bijvoorbeeld in een gedicht dertien keer achter elkaar een woord op -ik), geen metrum, geen ritmiek die de gedichten dwingend voortstuwt.
Het zou een soort antipoëzie zijn, ware het niet dat Lauwereyns de lezer de tekst binnenhaalt door duidelijk het gesprek met hem aan te gaan. Hij doet dat in de eerste plaats door het stellen van opvallend veel vragen (precies twintig) als ‘Everybody happy?’, ‘Heb je het ook gevoeld?’, ‘Waartoe deze platgelopen baan?’, ‘Waar zouden we willen schuilen?’, ‘Jeukt het al?’, waardoor de lezer de dichter in zijn directe nabijheid weet. En bijna even vaak eisen de zinnen en woorden met uitroeptekens aandacht op, net als de vele zinnen die tussen haakjes staan (soms zelfs haakjes in haakjes in haakjes): of de lezer maar wakker blijft en meedenkt in deze poëzie die steeds iets aan de orde stelt, bevraagt en bevestigt en de eigen complexheid daarbij voortdurend relativeert. Opvallend is nog, tegen de huidige trend in, het gulle gebruik van leestekens: veel komma’s, maar daarnaast ook symbooltekens als +, :, =, ≠, en →.

Alles helpt mee de suggestie te wekken van een grote innerlijke logica, niet alleen in de afzonderlijke gedichten, maar vooral ook in de bundel als geheel, die een netwerk is van verspreide motieven die langs soms onnavolgbare wegen en op de meest onverwachte momenten contact met elkaar maken, waardoor als het ware één groot neuraal systeem ontstaat. Bepaalde fragmenten daarin zijn glashelder, bij andere kom je niet verder dan vermoedens, nooit heb je het idee dat je geen betekenisverbanden op het spoor bent. In ieder geval, hoe vaker je de gedichten in deze bundel leest, hoe interessanter ze apart én als onderdeel van het geheel worden.

Dit is het openingsgedicht van de bundel. Het werd voor het eerst gepubliceerd in De Morgen van 19-3-2008:

Everybody happy?

Ongevraagd zingt de schepping een bisnummer.

Mengeling van sublimiteit en tederheid,
en nog een isotoop of twee.

You talking to me?

Lichte kernen zijn relatief makkelijk tot fusie te brengen,
weet de laffe wet van de grote aantallen,

met olie,
gas,

zware trucks en bommenwerpers.

Dit zijn de woorden: wierook en vervoering,
en dankuwel voor de waterdichte bewijskracht.

‘Barst in de kiemcel’ luidt de titel van de eerste afdeling en die maakt beter dan de bundeltitel duidelijk dat Lauwereyns het in deze bundel wil hebben over schepping en vernietiging en over hoe wetenschap, met name de wis- en natuurkunde (prominent in de gedichten aanwezig), ten goede maar vooral ten kwade kan werken. Stanislaw Ulam, een Pools-Amerikaans wiskundige die een belangrijke rol speelde bij het ontwikkelen van de theorie achter de waterstofbom, Ivy Mike, de bijnaam van de allereerste waterstofbom en Tsar Bomba, de Russische waterstofbom die in 1961 met een kracht van 50 megaton de krachtigste explosie ooit was, zijn wat dit betreft niet mis te verstaan. Dat kwam, om een gewaagde beeldspraak in de trant van Lauwereyns zelf te gebruiken, natuurlijk niet uit de lucht vallen. Er was een kiemcel voor nodig met een bepaalde programmering van ‘algoritmetjes’ (de ‘barst’!) die daartoe leidde, evenzeer als andere kiemcellen met andere instructiereeksen tot zoiets glanzends als poëzie kunnen leiden (Vestdijk!) of tot muziek, beide belangrijke thema’s in de bundel.

‘Ten, nine, eight..’ begint een van de gedichten, en dit wetenschappelijke aftellen tot het moment van verbijstering over wat wordt aangericht leidt tot de reflectie ‘Zo, Johannes, wolf toch,/ en zeg nou eens,// waar zit het, Ik? Systeem?/ Dit leven, deze dood// een kalme uitademende, koele/ aggregatietoestand// waarin wat stroperig is, dun vloeibaar wordt.’
Deze Johannes, die elders ‘de wrede dichter’ heet, en in een ander gedicht op zoek lijkt naar een Zen-achtig geluk, moet wel de dichter zelf zijn, die zijn plaats zoekt in dezelfde Schepping als waarmee hij zich vereenzelvigt: ‘waai ik als het binnenregent?’ Niet alleen ‘aapmens Ik, lijdend aan rijmziekte’, maar ook ‘zenuwmier’, ‘mug’ en ‘lange bloem, homp vlees/ van de hoogste rang’. Het heeft er veel van weg dat Lauwereyns bezig is tegelijk een wereld te analyseren, af te breken en op te bouwen en dat allemaal om zichzelf daarin als mens, wetenschapper en kunstenaar een plaats te geven. Op de een of andere manier het Paradijs overdoen, of aanpassen, zou een optie kunnen zijn, maar uiteindelijk zal een ‘waterproef’ (zoals die ooit op vermeende heksen werd toegepast) duidelijkheid moeten verschaffen hoe verantwoord dat is. Door de hele bundel heen werd er al heel wat afgeplonsd, maar de ultieme test is op de een of andere manier ‘waterproof’ te worden: ‘Ivy Mike bewijst: de plooibaarheid van Nieuw Land.// ‘Een halve notensliert/ vóór ik door het oppervlak plons// heeft de waterproef ons al verbrand.’

Duivelse krachten kunnen worden uitgebannen, de barst in de kiemcel kan worden geheeld, een schepping kan voorbeeldig zijn:

Nu mag je hart worden,
boezems kamers,

kleppen vormen
en beginnen te kloppen.

Alleen al in het laten luiden
van jezelf

zal je hart heel wat bevestigen.

Dat je leeft, bijvoorbeeld.

Dat je hoorbaar de lucht doet trillen.

Dat je raakvlakken,
hulplijnen en buigpunten

ver voorbij bent.

‘Dat je raakvlakken,/ hulplijnen en buigpunten// ver voorbij bent.’ Vestdijk had het in De glanzende kiemcel het wezen van de poëzie kunnen noemen.

*****
Neuropsycholoog Jan Lauwereyns (1969) doceert biologische psychologie aan Victoria University of Wellington in Nieuw-Zeeland. Hij is kernredacteur van DWB, vast medewerker van Parmentier en werkt graag samen met andere auteurs, zoals Leo Vroman, Paul Bogaert en de onlangs overleden Patricia de Martelaere met wie hij nog een DW B-nummer over God samenstelde.
In 1999 debuteerde hij met de dichtbundel Nagelaten sonnetten (genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs). Daarna volgden de dichtbundels Blanke verzen (2001), Buigzaamheden (2002, bekroond met de Hugues C. Pernathprijs), Tegenvoetig, tweebenig (2004), de roman Monkey business en het essay Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (genomineerd voor de Vlaamse Cultuurprijs). In 2007 verscheen Anophelia! De mug leeft. In 2008 publiceerde hij het radioboek Lied van het meer en zijn zesde dichtbundel, Vloeistof en welvaart. Het meest recent is de coproductie met Leo Vroman Zwelgen wij denkend rond.