Recensie van Lotgenoten - Gwy Mandelinck

De lotgevallen van Mandelinck

Gwy Mandelinck
Lotgenoten
Uitgever: De Arbeiderspers
2014
ISBN 9789029589031
€ 16,95
56 blz.

Syrië, Centraal Afrikaanse Republiek, Mali, Kongo. Daders en slachtoffers. Lotgenoten. De vraag rijst of wij die daarvan horen en getuige zijn, eveneens lotgenoten zijn. Al die beelden en getuigenissen roepen een verantwoordelijkheid bij ons wakker. Als we deze niet nemen, dan zien we vroeg of laat getraumatiseerde lotgenoten uit die gebieden ongevraagd in onze straten verschijnen. Of we willen of niet, we zijn lotgenoten.
Iets van die beklemmende werkelijkheid lezen we in de eerste afdeling ‘Over de grenzen’ van Lotgenoten, de nieuwe bundel van Gwy Mandelinck. Een ingehouden maar niet minder klemmend engagement steekt de kop op tussen zijn scherp gebeitelde versregels. Mandelinck is een berekenend dichter. Hij wikt en weegt het effect van zijn woorden en beelden. Hij wenst geen woord te veel te schrijven. Zijn poëzie geeft de lezer veel te denken:

Lotgenoten

Uit cellen aangekleed
met kippenvel;

tot op de laatste lepel
mager gelikt.

Ze baden met schuld beladen
in fonteinen. Korsten losgeweekt.

Op hun schoot straathonden,
lotgenoten, sluikstort onder struiken.

Op de omslag van zijn nieuwe bundel staat een stilleven afgebeeld: een takje met drie wilde boomvruchten, en iets verder daarachter één losse vrucht. Uitdrukking van verbondenheid tegenover op zichzelf staand verloren zijn; van in samenhang zien tegenover aan het zicht onttrokken raken. Dat laatste laat Mandelinck ons in tal van gedichten uit deze bundel zien, zowel buiten als binnen de grenzen van de taal. De opmerkzame waarnemer in hem toont ons wrange beelden over de geografische grenzen heen en binnen de grenzen van onze waarneming. Beide grenservaringen dreigen zich aan ons zicht te onttrekken.

Zijn ‘concours tropical’ door denkbeeldige streken met uitzinnig geweld levert scherpe beelden op. Mannen, vrouwen die met kommen op hun hoofd langs de weg lopen en even uit evenwicht raken: ’een oproer van ellebogen.’ Gruwelijke beelden van opgezette hoofden. Kindsoldaten: ‘Ze reizen in colonnes geranseld/ en gegespt./’ Afrika in zijn onophoudelijke strijd in de savannen: ‘Hoe luid ook losgeld/ rinkelt: geen polsen vrij.//’. Limieten worden overschreden. Overvallen vinden plaats: ‘Belagers schrikken op,/ verdoofd. Verderop en voet// in de bedrading/ van de nacht.//’.
Allerlei aspecten van de strijd komen aan bod: vluchten, overlopen, verkrachten, signalen in de nacht, beleving van angst en dreiging van gevaar. Hoezeer Mandelinck ook laat zien dat de strijd op de tast plaatsvindt, hij zet zorgvuldig woord voor woord in geblokte stijl deze afschrikwekkende werkelijkheid voor ons neer. De beelden zijn messcherp, afgemeten, passend. Sommige gedichten deden me in hun lijnenspel denken aan de abstracte landschappen van Gerrit Benner:

Chaleur

Uit dorpen verdreven. Boven
hen aasvogels, vuurvreters

de vleugels glad geslepen:
en stuifwolk van as.

Stappen tellen in verloren
grond. Onder druk

van hitte heft men schalen, beeft,
elke druppel gemorst gemis.

De hele eerste afdeling ‘Over de grenzen’ maakt sprakeloos. Wat we te zien krijgen, laat zich niet in woorden vangen. Het stemt cynisch en bewogen tegelijk: ‘Hoe zwaar dat drukken kan?// Geen lijk dat doorgezakt/ een weegschaal raakt.//’. Al die gedode rebellen. Wat doet dat met een mens? Mandelinck eindigt deze afdeling met een onthutsend beeld:’ Zandstormen./ De woestijn legt kelders// bloot: tongen in een wrong,/ schedels, ketels gelapt.//’. Als we dit slagveld overzien, dan blijft de vraag wie met wie verbonden is. De slachtoffers, de daders en/of de waarnemers? Mandelinck voelt zich als waarnemer een lotgenoot verbonden met deze daders en slachtoffers. Zijn poëzie roept niet op tot een verantwoordelijkheid nemen, maar zet er indirect wel toe aan.

In zijn tweede afdeling ‘Binnen de grenzen’ opent hij met de overmoedige vogels die in ‘stadsparkpoelen’ duiken. In hun bewegingen, omhoog en omlaag, veroorzaken zij ‘nauwelijks een rimpeling,// een spoor/ van wat verdween.//’. Weer zo’n Benner beeldvorming. Dit soort verdwijningen tracht Mandelinck in beeld te brengen. De sporen van terroristisch opererende ‘hanenkammen’ uitgewist door smeergeldpraktijken, de zwijgplicht waarbij het ‘Gebit snoerdicht// op slot gekrast: geen kaken te breken;/ geen woordgeheimen prijs te geven.//’. Zoals hij de vloeiende beweging van de dalende vogels met slechts enkele woorden in beeld weet te brengen, zo is hij tegelijkertijd in staat de onverzettelijke houding van de terrorist neer te zetten. Mandelinck beschikt met zijn geblokte verzen en messscherpe beeldvorming over de vaardigheid het hele spectrum aan stemmingen en sferen te verwoorden. Situaties stellen zich voor je open. Met de beperkte middelen en woorden die hij inzet, steekt hij de spade van zijn archeologische drijfveer diep in de grond om te achterhalen wat niet meer te achterhalen lijkt:

Recherche

Van wie ze zoeken niet de helft
te vinden: inderhaast verdwenen van

de ene in de andere hand;
routes gesplitst, modder

wist de zolen uit,
eelt trapt vilt, de tenen

in hun veelvoud gesleten.
Wat men vindt: een pluk van haar.

Hij gaat op onderzoek uit. Ook in deze tweede afdeling zijn schrille kreten van geroofde kinderen hoorbaar. De zelfkant van de maatschappij dringt de versregels binnen. In alles wat hij hier laat zien, doemt een schimmenrijk van onzichtbare handelingen op: ‘Rest de schim van wie verdween.//’. Missing, patrouille, zoektochten naar wat niet meer valt waarnemen. Op zoek naar wat zich voorbij het oog en het oor aan ons kan voordoen, maar ook wat ineens naar de oppervlakte gehaald kan worden als een ‘potvis,// een zeppelin in ene zoutstrook/ bewaard. Straks leeg gelepeld.//’. Na al die onverbiddelijke beelden breken ‘gouddraden uit de zon,/ die losbol,/’ door in de laatste verzen. Een herwonnen paradijs, maar ‘het Beest/ met zware staart/ vlegelt delfstof in een wolk.//’ De dreiging blijft.

De dichter Mandelinck lijkt als een vogel over het aardoppervlak gevlogen te zijn. Met zijn scherpe blik is hem het geluk en ongeluk in het oog gesprongen. Hij voelt er zich niet door verpletterd of bedreigd. Zonder dat hij zijn zicht op het ‘paradise regained’ uit het oog verliest, onderkent hij wel de allesbepalende werking op ons allen van dit aan tweestrijd onderworpen bestaan. We zijn allemaal lotgenoten van elkaar.

Niet al zijn woorden en beelden zijn direct te duiden. Uit de suggestie die zij oproepen, spreekt kracht. Zijn gedichten blijven vragen om betekenis. Ze geven zich niet onmiddellijk bloot. Het begint met de vorm, een enkel woord, een beeld, een enkele zinsnede, een strofe, een motto. Dit is een bundel waar je in hink-stap-sprong door heen gaat, voordat je patronen gaat ontdekken. Ik ben uiteindelijk onder de indruk geraakt van de zeggingskracht van deze poëzie. Het vraagt wat tijd om de vensters geopend te krijgen en jezelf in de spiegel te zien.

***
Gwy Mandelinck was gedurende achtentwintig jaar artistiek leider van de Poëziezomer in Watou die hij in 1980 oprichtte en tot 2008 als artistiek directeur leidde. Hij publiceerde zes bundels. Zijn meest recente, Overval, verscheen eveneens bij De Arbeiderspers. Voor zijn werk ontving hij onder andere de vijfjaarlijkse Prijs van de Vlaamse Provincies, de Maurice Gilliamsprijs en de Guido Gezelleprijs.

Recensie van Schemerzones - Gwy Mandelinck

Gebroken spiegels

Gwy Mandelinck
Schemerzones
Uitgever: De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers ,De Arbeiderspers
2009
ISBN 9789029571425
€ 16,95
56 blz.

Spiegels zijn de ideale feedback-gevers. Wanneer we in een spiegel kijken zien we onszelf zoals we zijn. ZOALS we zijn, want we zijn het niet. Een spiegel vertelt ons een leugen die de waarheid spreekt.
Gedichten zijn ook leugens die de waarheid spreken, en lijken daarin op spiegels. Soms, zoals in de bundel Schemerzones van Gwy Mandelinck, een beetje op gebroken spiegels:

Dat er sterren

Dat er sterren boven ons gespijkerd staan,
dat het hamert in ons hoofd;

de wereld ons te buiten gaat alsof men
op het kookpunt van het water naar

ons fluit; wij van dorst vergaan,
dat je een hand verheft

die voor een zee van tijd het zoute
van het zoete water scheidt.

In dit gedicht, dat over een afscheid gaat, wisselen de beelden elkaar af in korte, hoekige zinnen. Precies zoals scherven naast elkaar kunnen liggen. Zelfs de discrepantie die ontstaat in een spiegelbeeld wanneer twee spiegelscherven niet helemaal goed aansluiten is in het gedicht terug te vinden: bij een hand die zich verheft denk ik aan vingers die omhoog steken, bij een hand die – als een soort dijk – het zoute van het zoete water scheidt meer aan horizontale vingers.
Mooi is wel in regel 3 beschreven hoe het bij een afscheid werkt: de wereld gaat ons – letterlijk – te buiten. De sleutelzin ‘dat je een hand verheft’ doet daarbij dan ook denken aan een hand die wuift. En die hand duidt dan tevens de grens aan tussen een zee van tijd van niet bij elkaar zijn (zout water?) en de zoete, voorbije tijd, van bij elkaar zijn.
Waar een hand al niet voor kan worden gebruikt… Maar dat brengt me toch op een puntje van kritiek: hoe kan een hand langere tijd (een zee van tijd immers) zoet en zout water van elkaar gescheiden houden? Dat beeld is niet helemaal waterdicht. Blijkbaar mag deze poëzie niet te letterlijk worden genomen. En dat is ook niet verwonderlijk natuurlijk: met een hoop scherven bij elkaar rammelt er al gauw wat. Wie van meer samenhangende teksten houdt kan beter het volgende lezen:

Wat trekt

Op welke stokroos ogen uit te
botten, hoe je aan te kijken?

Een vangnet je gezicht, trekt dicht, een draad
die faalt. Je ligt een schoot voor op je kind.

Een sparteling. Je dijen knijpen. Uit je rokken
pluist een bed. Men nestelt, schikt

de veren, kuilt zich in. Diep in de nacht
de maan die trekt: een golf van melk.

Dit is toch een fraaie beschrijving van een bevalling. Veel meer een complete spiegel dan het vorige gedicht. De eerste strofe doet zich met die stokroos op het eerste gezicht wel een beetje als een losse scherf voor, maar is bij nader inzien toch wel een heel leuke beschrijving voor iemand die ‘stokt’ in zijn gedrag, en zich geen raad weet met wat hij ziet. Hoe moet je erbij kijken als een vrouw in erbarmelijke omstandigheden bevalt? Je wilt wat doen, helpen (of zo), maar bevallen lijkt wat dat betreft een beetje op sterven: het komt er uiteindelijk op neer dat de persoon in kwestie het zelf moet doen en ondergaan.
Eigenlijk zit er bij nader inzien natuurlijk helemaal geen barst tussen de eerste strofe en de rest (dan nog eerder bij de laatste regel). Een stokroos heeft letterlijk niets met iemand die kijkt naar een bevallende vrouw te maken, maar er is ook geen sprake van een tegenstrijdigheid, zoals dat wel het geval was in het vorige gedicht; de beelden komen eenvoudigweg naast elkaar voor, zoals een appel en een peer naast elkaar kunnen liggen.
De rest van het gedicht sluit dus uitstekend bij de eerste strofe aan. Het gezicht dat ‘een vangnet’ is, vangt met alle uitdrukkingen die het laat zien tijdens de bevalling letterlijk de blikken van wie toekijkt. De mooiste zin is misschien wel ‘Je ligt een schoot voor op je kind.’, die op meerdere manieren gelezen kan worden: het kind heeft wellicht nog een stuk te gaan voor het helemaal geboren is, maar een moeder ligt ook altijd één generatie voor op haar kind.

Tot zover dit bevallen. In het algemeen bevallen mij in Schemerzones gedichten beter als de metaforen ook aan de oppervlakte (lees: in hun letterlijke betekenis) niet al te veel verschillende kanten uitwaaieren. Gedichten waarin dat wel gebeurt laten me als lezer een beetje ‘met de brokken’ zitten: scherven, die (door het intellect) wel als scherp kunnen worden ervaren, maar gevoelsmatig meer bevreemden dan aantrekken.

Rest nog te zeggen wat ik het mooiste gedicht vind. Ik heb natuurlijk verzuimd te vermelden dat de tweede helft van Schemerzones zich in Oost-Kenia (Afrika) afspeelt en als hoofdfiguren een moeder en haar kind heeft, die proberen zich in de omstandigheden daar staande te houden. Maar dat is van secundair belang voor de waardering van deze gedichten. Ik vertel het nu omdat het om het laatste gedicht in de bundel gaat. Een goede regisseur bewaart de climax tot het eind. En wat dat betreft heeft Gwy Mandelinck zijn bundel goed geregisseerd: dit is een climax, dit gedicht, hierin komt het ongewisse van een onzekere toekomst, die uiteindelijk toch zeker is, messcherp uit de verf, in een beeld dat ook ons een spiegel voorhoudt:

Underground

Waar je loopt geschuif van
wervels niet meer passend

in elkaar; opzij een schedelscherf
geborsteld door de wind. Je kind

geblinddoekt met je hand, het rukt
zich los, rolt door het zand gezeefd

als beendermeel, trekt voor de slaap
dat nachtkleed aan.

Dit gedicht is vooral zo goed, omdat de voor ons bizarre, maar toch herkenbare situatie die erin wordt beschreven kan worden opgevat als een metafoor voor iets groters, waarmee het plaatselijke wordt overstegen. Naast een indruk van de noodsituatie in Kenia, spiegelt het ook het hele leven: welke moeder wil haar kind niet beschermen, al of niet om te voorkomen dat het iets verschrikkelijks kan zien? Welk kind rukt zich op den duur niet los van zijn moeder? En rollen we niet allemaal door het zand van het leven, om tenslotte dat nachtkleed aan te trekken…