Recensie van Ergens halverwege zweven - A. Marja

Aan deze kant is men een levend mens

A. Marja
Ergens halverwege zweven
Uitgever: kleine Uil
2008
ISBN 9789077487686
€ 14,50
128 blz.

Met Ergens halverwege zweven, hun bloemlezing uit de poëzie van A. Marja, zeggen samenstellers Coen Peppelenbos en Nick ter Wal een hernieuwde belangstelling te willen be­werkstelligen voor de gedichten van de man die maniakaal de rol van practical joker speelde en graag poseerde als ‘enfant terrible’.
Peppelenbos en Ter Wal selecteerden inclusief de losse kwatrijnen en de grafschriften precies honderd gedichten en kozen daarbij voor een thematische opzet, waarbij ze zelfs in de aparte afdelingen de chronologie doorbraken. Achtereenvolgens komen aan de orde Marja’s gedichten over va­der en moeder (veel meer moeder dan vader trouwens), het dichterschap, zijn worsteling met het geloof (‘Nochtans een christen’), zijn maatschappelijk engagement, liefde en geluk (en het gebrek daaraan) en de dood als voorspelbaar sluitstuk. Daarnaast bevat de bundel twee cycli: de sonnettencyclus ‘Droom van zon en sneeuw’ en de cyclus ‘Wat ik speelde’ (gedichten die Marja schreef bij de ‘Kinderszenen’ van Robert Schumann) en nog een restgroep onder de vrolijke noemer ‘Ik ben het aapje mens’ .

In Tussen de gemaskerden (1958), een bundel met allerlei persoonlijke herinneringen en essayistische uitweidingen, somde Marja zeven ‘stokpaardjes’ op die hij er met betrekking tot de poëzie op nahield:
1. Goed geschreven is alleen wat spontaan ontstaat; zodra er bij het schrijven gezwoegd moet worden, is er iets mis. 2. Een gedicht dat men niet kan begrijpen is een mislukt gedicht. 3. Het is in poëticis altijd boeiender nieuwe wijn in oude zakken te doen, dan deze zo maar uit te gieten. 4. Als dichter moet men altijd de ‘moeilijkste’ weg nemen en in elk geval zijn aandriften voortdurend wantrouwen. (In de resterende drie zegt hij dat de meeste critici analfabeet zijn of te lui om wat zij moeten beoordelen ook werkelijk te lezen, dat voordrachtskunst grenst aan oplichterij en dat socialisme een zaak is van fatsoen.)

Neemt men Marja’s poëzie de maat met diens eigen uitgangspunten, dat is het duidelijk dat voor hem begrijpelijkheid voorop stond en dat zijn beste gedichten de vormvaste zijn. En die hebben dankzij het gebruik van ‘gewone’ spreektaal, soepel rijm en veelal een anekdotische invalshoek inderdaad de illusie van spontaniteit. Zijn beste gedichten hebben iets van de toon van Hoornik, een enkele keer zelfs die van Vasalis.

Als dichter is Marja nooit helemáál weggeweest. In bloemlezingen overleefde hij met het kwatrijn ‘Het huwelijk’ (‘Ik heb je alles gegeven:/ een gedicht, mijn maandsalaris/ en een kind; wil je nu even/ kijken of het eten klaar is?’) en met een aantal sonnetten, zoals ‘Een predikant’ (‘Hij leek een halfzacht ei, maar toen ze kwamen/ en hem met knuppels onder handen namen/ hield hij voor ‘t eerst èn tot het laatst zijn bek.’), ‘Een psychiater’ (‘De angst dat al die anderen ‘t begrijpen/ kan af en toe nog zijn testikels knijpen, maar laat hem los zodra hij spreekuur houdt.’) en vooral met ‘Moment sentimental’ (‘Mijn kleine moeder met je rode haar,/ eens werd je ginds in een zwart graf gelegd,/ een dominee heeft, galmend, aan de baar/ enkele verzen uit Gods woord gezegd.’) Ook het volgende gedicht over zijn vader, die predikant bij de Vrije Evangelische Gemeente was, werd verschillende keren in bloemlezingen opgenomen:

Ik zag mijn vader

Ik zag mijn vader dood toen ik al dertig jaar
geworden was, toch gaf het mij een harde schok:
wij waren altijd goede vrienden van elkaar,
maar toen hij daar zo lag en met zijn lippen trok

alsof hij snauwen ging – iets wat hij haast nooit deed
terwijl hij leefde – leek hij op een dode hond
die, voor hij stierf, nog grimmig in het leven beet,
vertwijfeld omdat hij daarna niets meer vond.

Hij had iets onvoltooids, doordat men zijn gebit
had weggenomen toen hij langzaam lag te stikken:
meer embryo dan hond, zo lag mijn vader dood.

Soms denk ik, als ik droom of vaag te staren zit,
dat ik moet schrijven hoe zijn aanblik mij deed schrikken,
maar dat gelukt maar half: ik geef mij niet graag bloot.

Peppelenbos en Ter Wal tonen met hun bloemlezing aan dat Marja veel meer potentiële klassiekers schreef. ‘Oprecht gebed’ bijvoorbeeld, over de leegheid van het geloof, of ‘Van de liefde’ (‘dat ik van de aarde/ wil blijven/ omdat de dood met mij/ bezig is.’) of ‘Wakende’, dat begint met de indringende strofe ‘Wie in een nacht vooruitloopt op het sterven,/ hij ligt te denken aan een vreemde grens:/ aan deze kant is men een levend mens,/ aan gene zijde vlees dat gaat bederven.’
Voorlopig kan Marja weer een generatie mee.

*******
A. Marja (Arend Theodoor Mooij, 1917- 1964) debuteerde al jong met Stalen op zicht (1937) en sloot zijn dichterschap af met Van de wieg tot het graf (1963). In totaal schreef hij zestien bundels, waaronder twee verzamelbundels.

Gelijktijdig verschenen bij dezelfde uitgever een heruitgave van Snippers op de rivier, Marja’s enige roman, en een zeer lezenswaardige A. Marja-special van het literaire tijdschrift Tzum (64 blz., € 6,50)