Signalementen 2017 / 1

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van Bodemloos Blauw - Mark Meekers

Bodemloze liefde voor Chagall

Mark Meekers
Bodemloos Blauw
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339164
€ 19,50
128 blz.

Mark Meekers is, naast de op een na meest bekroonde dichter van Vlaanderen (volgens de flaptekst is Hugo Claus de meest bekroonde) ook beeldend kunstenaar. In beide hoedanigheden is hij geïnteresseerd in leven en werk van Marc Chagall; wellicht is het beter het woord ‘geobsedeerd’ te gebruiken. Deze Russisch-Joodse poëtische, religieuze, soms surrealistische schilder met zijn rijke symboliek en nog rijker kleurenpalet en zijn ongelooflijke mogelijkheden – er is geen groter liefhebber van zijn gebrandschilderde ramen dan schrijver dezes – inspireerde Meekers tot een bundel van 86 gedichten van elk 4 kwatrijnen (dus in totaal 344), die de levensloop van Chagall volgen en commentaar geven op de belangrijkste werken uit een bepaalde periode. Na twee inleidende gedichten, ‘Levenslijn’ en ‘Magnetiseur’, heeft hij de gedichten geordend volgens bepaalde levensfasen van Marc Chagall en daarbij schilderijen uit die periode als onderwerp voor gedichten genomen. In ‘Rusland, de ezels en de anderen’ beschrijft hij de eerste Russische jaren tussen 1887 en 1906, waarna het verblijf in Parijs tussen 1910 en 1914 verwoord wordt (‘Lampje in een Lichtstad’). Chagall keert terug naar Rusland, waar hij oorlog en revolutie meemaakt. Dat onderdeel heet ‘Hart- en veldslagen’. De liefde komt aan de orde in ‘Bella, Basinka, bovenaards’. ‘Een Rus in Parijs (1923-1941)’ verdicht de definitieve komst naar het westen. Chagall vertrekt bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog als bedreigde Jood naar Amerika (‘Nieuwemaan in een nieuwe wereld, 1941-1948’), waarna hij terugkomt naar Vence in de Provence en daar zijn plek vindt (‘Op licht gebrand ,Vence 1948- 1985′). De grote religiositeit en de vele religieuze werken in het Bijbels museum in Nice krijgen aandacht in de ‘Message biblique’. De laatste jaren van Chagall worden verwoord onder de titel ‘Salto Vitale’, waarin ook aandacht wordt geschonken aan de fascinerende plafondschildering in de Parijse opera. Tenslotte geeft Meekers nog een nawoord waarin hij ‘het licht als leidraad’ neemt en zichzelf verantwoordt.

In die verantwoording stelt de dichter dat hij zich niet identificeert met ‘Marc’ maar ‘raakpunten en verschillen’ zoekt en daarbij een duidelijke eigen inbreng heeft. Hij zoekt ‘een parallelle analoge wereld’ waarbij hij ook ‘een portret van zichzelf’ schetst en de schilder door zijn pen laat spreken. Het werk van Marc Chagall is voor Marc Meekers een groot harmonisch geheel; hij tracht die ‘harmonie’ te benaderen ‘door de ‘vier-maal-vier vorm’’ van de gedichten en de structuur die de bundel ‘tot een coherent concept’ maakt. Hij spreekt ook nog over zijn taalgebruik, dat ‘niet hoogdravend literair behoeft te zijn’, ‘maar hij zoekt ‘zoals bij de meester verfijnde eenvoud’. ‘Ons werk’, zegt hij, ‘moet voor iedereen, begrijpelijk, aanvoelbaar zijn’. Deze zin viel mij op: de dichter ziet zijn werk en dat van Chagall als bij elkaar horend: het is ‘hun’ werk geworden. Het is aan de recensent die verantwoording te toetsen aan zijn eigen beleving van tekst. Helaas is er in het boek dat toch behoorlijk lijvig is, geen enkele afbeelding van enig werk van Chagall opgenomen.

Nu geloof ik in de evocatieve kracht van het woord: het woord benoemt, het woord verbeeldt, het woord legt vast, maar hoe fraai de poëzie op sommige plekken is, hoe kleurrijk de woordkeus is, hoe knap de technische vorm met de soms prachtige enjambementen en de beeldspraken, ik ging, juist vanwege mijn interesse voor de relatie tussen het werk van de beide Marc/ken toch op een gegeven ogenblik de mist in: er stond wat er stond en het stond er prachtig. Maar ik kon niet zien hoe de poëzie zich verhield tot het beeld. Er zijn prachtige regels: bijvoorbeeld in ‘Schilderalaam’ (‘alaam’, Zuid-Nederlandse vorm die ‘gereedschap’ betekent):

Een palet is het schild van de dichter
daar wordt de strijd tussen de pigmenten
uitgestreken, in de tubes schuilen alle
weidebloemen, voltiges van vreugde, uit-

geknepen verdriet. de hand is meer dan
een verzameling van botjes, haar verste
vingers wortelen in de dromen en in donker
gegiste verlangens. kunst kust het leven,

is tot over de ogen verliefd. hij signeert
tekens van harmonie en tegenspraak:
een regenboog door en bijl gekliefd,
gebedsriem en roekenvloek. verf spreekt

met verve en vervoering, soms jaagt hij
alle vogels op, verliest vaste grond, pen-
seelt fabels en babels, laat de blik hoge
ogen werpen voorbij elk aards domein.

Nu beschrijft dit ritmische, zorgvuldig gebouwde gedicht geen schilderij. Ik kreeg echter grote behoefte om bij gedichten die wel een werk becommentariëren het beeld ernaast te kunnen hebben. Ik heb dan ook een middag in de Haagse bibliotheek gezeten, omringd door boeken met reproducties van Chagall (wat een prachtige middag opleverde vol visueel genot). Hoewel ik vier naslagwerken raadpleegde kon ik niet alle schilderijen traceren, wat pleit voor de grondige kennis van Meekers. Ik geef slechts een paar voorbeelden: 86 gedichten is niet niets.

Het gedicht ‘Liggend dichter’ (p.39) is een contrapunt bij het beeld. Het schilderij is aanleiding voor dit gedicht, geen beschrijving. Ook bij ‘De dorpswinkel’ (p. 27) is dit het geval. Het gedicht op p. 24, ‘Het atelier’, is geïnspireerd door het schilderij ‘Parijs vanuit mijn raam gezien’. Als je dat niet wist, zou je het vanuit de tekst niet kunnen raden. Het mooie gedicht ‘Offergang’ (p.29) is geïnspireerd op het volks aandoende schilderij ‘De Veehandelaars’. ‘De blauwe vedelaar’ (p.30) is in het Stedelijk Museum van Amsterdam te zien als ‘De violist’ (dat schilderij gaf ook aanleiding tot de musical ‘Fiddler on the roof’). Het gedicht staat bijna los van het beeld, moet op autonome waarde beoordeeld worden: het schilderij is bruin. Het gedicht op p. 36, ‘De Kerkhofpoort’ is min of meer beschrijvend. Na een middag lezen en kijken trok ik deze conclusie: de dichter leefde een leven met Chagall. Wat is het daarom ongelooflijk jammer dat niet elke lezer de beelden kan zien: samen zou het een volstrekt harmonisch tweeluik zijn. Niet als een fuga van Bach met twee autonome stemmen, maar veeleer als een kleurig beeld naast een kleurige taal, een veelluik als het ‘Lam Gods’ van Jan van Eyck, maar waarbij de aandacht voor het schitterende blauw van Chagall centraal zou kunnen staan. Ik vind het een grootse poging om vanuit een grote liefde voor, kennis van en zelfs op sommige punten identificatie met Chagall een dergelijk consistent werk te schrijven. Ik herhaal dat ik tot deze conclusie kwam na beeld en tekst naast elkaar gelegd te hebben. Voor de niet-kenner van Chagall blijft er een aantal gedichten over die op zich waarde hebben, fraai zijn, kleurrijk en ritmisch, maar ik vraag me af of ze op zich zelf de zelfde grote kracht hebben.

***
Mark Meekers is een pseudoniem van Marcel Rademakers, geboren in Blaasveld in 1939. In 2007 was hij de eerste dorpsdichter van Doel om te protesteren tegen de geplande vernietiging van het polderdorp. Hij stichtte dichtersgroepen als ‘Mengmettaal’ en ‘Concept’, die hij ook voorzat. Hij was tevens poëzie-ambassadeur van Vlaams-Brabant. Naast dichter is hij beeldend kunstenaar, essayist, romancier en zanger. Hij trad onder andere op in Zuid-Afrika. Zijn laatste werk is Alleen in een lied kan ik wonen (2016), de verzamelde poëtische chansons vanaf de jaren zestig.

Recensie van Hink-stap-sprong. Essays over haiku - Mark Meekers

Een handvol meninkjes over haiku

Mark Meekers
Hink-stap-sprong. Essays over haiku
Uitgever: Demer Uitgeverij
2013
ISBN 9781291136869
€ 16,00
103 blz.

Met Hink-stap-sprong, essays over haiku bewijst Mark Meekers (pseudoniem van Marcel Rademakers) de poëzieliefhebber geen dienst. Al in de jaren zeventig van de afgelopen eeuw zijn helderder en informatiever teksten geschreven over haiku en senryu, neem bijvoorbeeld de inleidingen van J. van Tooren bij Senryu – De Waterwilgen (1976) en Haiku – Een jonge maan (karakter en techniek van de haiku, 1977). Meekers zegt in zijn voorwoord geen ‘steen door de vitrine te [willen] keilen, wel een keitje in de zentuin te werpen, stof tot discussie te bieden.’ Oei, een mooischrijver, denk ik dan, en de essays bevestigingen die gedachte. 
Meekers, die volgens zijn eigen website ‘ongetwijfeld de meest bekroonde dichter van de laatste tien jaar’ is, heeft er een handje van om zichzelf te citeren en ook eigen haiku’s als voorbeeld te geven. 

Rrrr bzt vil o prr
za man kili pour bashi:
la mano stamen

Mark Meekers, 1979

Dit is zijn voorbeeld van een ‘muzikale’ haiku. Intussen gooit hij er een aantal niet al te frisse oordelen uit. Op pag. 29 zet hij, na het afserveren van ‘de natuur’ als onderwerp van de poëzie: ‘Toch is er in onze samenleving nog interesse voor landschap en natuur. Milieuactivisten met geitenwollensokken- en sandalenromantiek staan ervoor op de bres en zullen waarschijnlijk de laatste groene lezers zijn.’ 
Meekers citeert een aantal kenners van haiku, vooral uit het Vlaamse taalgebied en neemt een steekproef van 500 haiku uit datzelfde taalgebied waaruit hij trefwoorden destilleert. Wie iets van het genre afweet, zal niet verbaasd zijn dat er veel ‘seizoenswoorden’ en woorden van vier of vijf lettergrepen (hoofdkussenwoorden) in haiku staan.

In dit werkje staan wel een aantal interessante woorden, die ik nog niet kende en heb opgezocht, zoals laicisering en vierklauwens. Er viel dus toch nog iets te leren: dure woorden. Net op het moment dat ik voor mezelf heb genoteerd: aan de toon herkent men de persoonlijkheid van de schrijver, oubollig en oordelend, lees ik: ‘Precies door zijn kenmerkende, eigen taalmanipulatie verraadt de dichter zijn wereldbeeld en zijn intenties.’ Daar slaat Meekers mooi de spijker op zijn eigen kop.

Wisselend draagt Meekers de dichtvorm ten grave, waarna hij die met hulp van humor en muzikaliteit weer nieuw leven wil inblazen. Het lijkt alsof het postmodernisme en de poëzie erna volkomen langs hem heen zijn gegaan. Hij citeert de filosoof Ton Lemaire, die rept van ‘hedendaagse, moderne poëzie,’ die in zijn ogen vooral ‘hermetisch en meerduidig’ is. Haiku hoort tot de "spontane, gedemocratiseerde, gemakkelijke" poëzie met alle gezichtsverlies dat daarbij hoort.’ 

Hij sluit af met een reeks ‘moeten’: Een kunstwerk moet contact leggen, beroeren, aanspreken (…) Auteur en lezer moeten kunnen genieten van een tekst  (…). Dit verfijnd lustprincipe, dit mentaal genot is de norm voor alle poëzie (alle kunst). Shiki gaf de raad: "Vergeet de grammaticale regels…" en "schrijf voor je plezier!" Met Shiki kan ik het wel eens zijn. 

Laat ik deze essayist zijn  zin geven en het boekje als voer voor discussie zien. Ik ben ervan overtuigd dat het schrijven van haiku een goede oefening is voor het dichterschap. Juist door het keurslijf van de strenge regels oefent een dichter zijn pen. Van de honderd die hij er schrijft, blijft er misschien een overeind, als ‘goed.’ En dan maakt het niet uit of het een ‘zuivere’ haiku is, met de natuur als onderwerp, of een senryu, die meer over menselijk ongemak gaat en meer humor bevat. En een goed gedicht heeft altijd ritme en muzikaliteit. Zo helder kun je het ook opschrijven.