Recensie van omdat ik ziek werd - Bart Meuleman

Op een wankele motor

Bart Meuleman
omdat ik ziek werd
Uitgever: Querido
2008
ISBN 9789021434575
€ 16,95
48 blz.

Paarden die dicht bij een afdak los mogen lopen. Filmisch grotesk geweld, de dingen gevaarlijk dicht bij de rand van de behandeltafel gezet. Meuleman heeft harde handen waarmee hij zijn subjecten objectiveert en op zijn speelbord rond schuift tot bloedens aan toe.
Wie is deze dichter? Het boze broertje van Toon Tellegen? De misantropische achterneef van Anton Koolhaas? De dieren en de mensen – ze zijn half van toen, opgejaagd en verdwaald en onderweg een stuk van zichzelf verloren. Net als in zijn tweede bundel Hulp (2004) laat in omdat ik ziek werd wat kapot is zich niet meer dan door rauwe spot helen.
Ook in zijn nieuwste werk voert Meuleman het onvermogen van de mens om naar de overkant te raken als verzelfstandigd gegeven op. Stikken in het verlangen om menselijker te worden dan de bestiale staat waarop de mens, opgetrokken uit misantropisch getinte woorden en gevlekt papier, zichzelf weet te betrappen.

De bundel kent een driedeling waarvan het middendeel een reeks hommages bevat aan bekende personen of vrienden van de dichter. Of aan de hond van een vriend. Het eerste deel ‘Wakker blijven’ is een lang prozagedicht.
De eerste bladzijde kent al een mystieke lading die door blijft gonzen in de daaropvolgende pagina’s. Er is sprake van twee doden die spreken. Een goed gesprek lijkt het, als nooit tevoren. Humor en pijn gaan hand in hand en een losse conversatietoon leek niet te (kunnen) zijn getroffen toen zij beiden nog leefden. 

nu we allebei dood zijn
is het rustig praten bij dit minzame weertje
zo vlak naast de bossen
dicht bij het koelwater.
ik maak een grapje, je trekt
nog een tand uit ons losse geheugen
met het gemak waarmee we nu van een glas nippen.
geen denken aan dat dit ooit nog een kant uitschiet.
gekwetter van mussen valt dof in je schoot.
zoveel vrede is er dat de wind er nog even mee speelde
voor hij zich moe aan onze voeten in slaap kwam leggen.
en ja, stoffelijkheid verteert slecht,
afval gaat eeuwen mee als het moet, maar wat geeft het,
wie draait daar nog zijn maag voor om in deze lange, lange, hete, hete nacht
van minieme deeltjes.
geef me nog een hapje van dat overheerlijke ijs.
als je stil bent hoor je de lepel zoemen.

Het is de afwisseling van perspectieven, het in zichzelf babbelen, soms vaag een derde aanspreken – een alternatieve vorm van gebiedende wijs hanteren waar Meuleman patent op lijkt te hebben – waardoor de sfeer huiveringwekkend wordt. De toon is gezet voor de rest van de bundel, in ieder geval voor dit lange gedicht (‘de lange, lange, hete, hete nacht’).
Vreemd dat er sprake is van een teveel aan vrede: wat wij als harmonieus en fijn ervaren is hier verdacht, een thema dat in Meulemans eerdere werk ook aanwezig is. De laatste zin is streng en naïef tegelijk, een emotionele tussenstand waar het menselijk bewustzijn gevaarlijk op kan balanceren juist door dit vermaledijde bewustzijn. Je kunt niet stil genoeg zijn en lepels zoemen niet. De theatrale zienswijze en een broodnuchtere schrijfwijze combineert Meuleman goed tot een magische trilstand met de dood als receptor die oude eigenschappen in een levensvatbaar(der) daglicht weet te brengen.

‘Hoe dood zijn we als we dood zijn?’ is ook de vraag die in de komende bladzijden kriebelt.
Een denken tegen beter weten in, want ‘de bezinning krijgen we niet afgeschud’ en de dichter bijt zich vast in menselijke vertwijfeling: waren we maar honden. Last hebben van mens te zijn, dat plaagt hem, en ook de jongens die in het vervolg van het gedicht op komen duiken. Het wordt even een scène uit een schelmenroman en buigt knap weer om naar liefdesgedicht.
Meuleman speelt met oude verhalen en symbolische elementen uit vervloekte landschappen. Dualiteit wordt benoemd, het is weer dat denken dat naam geeft aan gevaar en daardoor de ellende over de mens afroept: ‘laat het zuur maar likken, alles heeft zijn tedere kant.’

Nergens was een dichter eenzamer, slachtoffer van het door hemzelf tevoorschijn getoverde louterend vuur. Ligt een gemoderniseerde versie van een Griekse tragedie op de loer? Het is een ‘leven lang op een wankele motor’, een vervloekt leven van alledag, en al de ellende van alledag knap verdicht en verweven in een eigen universum waarin mensen verworden zijn tot mensmachines gereduceerd tot een mond aan een infuus. Het ene moment haalt hij uit, maar altijd onderkoeld. Er blijft compassie doorklinken voor de mens al is de bewondering voor het dier groot. 

omdat ik niet van mensen hield, van het gif van hun aanblik,
van de wildgroei van hun voelen, het afzicht van hun denken,
van hun zwijgen de kanker, hun spreken
de doodsdrift,
zocht ik steun bij de wreedheid van dieren.
ik hou van grazen en van aanvallen.
gras is mooi, bloed ook.
nergens vind je zulke prachtige strepen.

[…]

Dwingend van toon, maakt de dichter nieuwe categorieën waarin hij ons lijkt aan te willen sporen om het waanidee los te laten dat we compleet kunnen worden als we in medemenselijkheid blijven steken. En zelfs de hoop op een beter bestaan is ongegrond als we proberen onszelf met iets anders te verenigen (‘wat zijn we zonder bronnen’). In die zin is Meuleman een romanticus met een hang naar kosmologische duiding van wat in het hier en nu gebeurt al doet het woord geen recht aan zijn stijl die vol zit van rauwe mededelingen, vreemde stellingen die niets te raden overlaten, knap spelen met volkse spreekstijlen. In de kale humor tocht ‘de weldadige kou van het niets’ al is een etiket als ‘nihilisme’ hier niet op zijn plaats.

Verder gaat het, een ware en merkwaardig meeslepende odyssee van ellende, zoals in het gedicht of dichtdeel op pagina 22:

niet langer kon ik lijdzaam toezien.
ik stichtte een gemeenschap met ruime aandacht
voor dieren.
is dit mijn bijdrage aan de oplossing voor een
probleem vandaag, de verwerping van het zelf, zijn omgeving,
en in het bijzonder, alle anderen?

[…]

Ook in het tweede deel, vier gedichten gewijd aan een mens of een dier, staat de dood centraal. Leven is iets wat je ‘uitzit’ met elkaar, het op herinneringen vooruit lopen. Meuleman speelt met omkeringen van dikke waarheden, liefde is niet liefhebben maar je ontdoen (‘niet dat het lukt, ze houden ons lekker samen.’). In de elegie voor de ‘hond van willy vandermeulen’ brengt Meuleman zijn kunst om de dingen via de buitenkant van de dingen juist aan de binnenkant te exposeren tot grote hoogten. De hond wordt ‘bij de kop vastgepakt, in de ogen gezien’ totdat het de mens doordringt dat menselijke communicatie in de vorm van taal toch tekort schiet.

Deel drie ‘wat ik deed’ is een vreemd soort sprookjesvertelling, misschien wel een allegorische. De mens loopt naar de horizon om naar het begin van het leven uit te zien. 

opgetrokken uit het achterland liep ik naar de drukte
van de horizon.

alzo, diep in de rust van een opgezette kraag,
nog eenmaal uitgedacht hoe ik in jongere tijden ooit
door een ongeschonden exemplaar
zijdelings was aangeraakt…

mijn stem goddank niet prijsgegeven.
de vulgaire film van mijn intonatie: geen vertoning.
ik wist wie ik werd geen raad met mij
maar
bleef wie ik was goed opgesloten.

zo kon het leven in bedekte termen beginnen.

Ook de volgende gedichten (of zijn het uitgesponnen draden van hetzelfde gedicht?) laten het leven zich afspelen. Via weerstand en daadkracht, bochten nemend, schijnt de zon als een hete filmlamp op het schraal gelopen individu, een soort lonesome cowboy. Hier weet Meuleman de mens tot literaire stripheld en tragikomische Don Quichot te verheffen. Alle ingrediënten van de klassieke vertellingen zijn aanwezig. Moeilijk te duiden taalmomenten raken slaags met lijdende ledematen. Het is een waar slagveld en het papier bloedt. Ik zie in de motieven die de dichter gebruikt een referentie aan de existentialisten, maar weet ook niet goed of de visie van de dichter wel gepuurd dient te worden uit wat hier staat.
Mooi vind ik dat in de laatste pagina’s een triest soort voorbijgaan van de kleine dingen wordt getoond ‘toen de boeken zich vanzelf nog opensloegen (…) droeg ik zorg voor de konijnen tot ik moe werd en ze stierven.’

De eindafrekening is een positieve. Hier staat een moeder bij wijze van spreken met de handen op de heupen te wijzen naar waar het allemaal om begonnen is als je als mens op de aardkloot geworpen wordt. Ze jaagt het kind, want daar komt Meuleman dan uiteindelijk op uit, terug naar het leven ‘omdat je, zoals ze me toefluistert’ nergens beter bent.

Bart Meuleman is een dichter die beheerst theatraal met een prachtige directheid vol koele drift de felle angst van de mens voor het leven onder woorden weet te brengen. Pagina na pagina brengt hij de mens met zichzelf in aanraking, zijn verleden, een poging om in de toekomst zien.

De Vlaamse dichter Bart Meuleman (1965) debuteerde in1997 met de bundel Kleine criminaliteit. In 2002 was hij writer in residence voor het literaire tijdschrift Yang. Hier werkte hij samen met Paul Verrept aan enkele kinderboeken over ‘Mijnheertje Kokhals’. Voor zijn tweede dichtbundel Hulp ontving hij in 2004 het Charlotte Köhler Stipendium. De bundel werd ook genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en de J.C. Bloempoëzieprijs.