Recensie van Speling zoeken. Alle gedichten tot nu - K. Michel

Orde scheppen in de chaos

K. Michel
Speling zoeken. Alle gedichten tot nu
Uitgever: Augustus
2016
ISBN 9789046705797
€ 15
238 blz.

K. Michel heeft ooit eens verteld dat hij door het onderling vergelijken van vertalingen erachter is gekomen dat een poëzietekst een waaier aan mogelijke betekenissen in zich draagt. De aforistische poëzie van Willem van Hussem leidde hem naar de Chinese poëzie. Hij volgde de stappen van de vertalers. Daardoor kwam hij voor een tijdje zo ver van het Nederlands af te staan, dat hij met andere ogen naar zijn moedertaal leerde kijken. Iets van die verwondering heeft Michel ten opzichte van de werkelijkheid nog altijd weten te behouden. Een bijzondere helderheid en directheid bepalen in sterke mate zijn dichterlijke stem als hij zich buigt over zijn herinneringen: ‘Sommige herinneringen zijn zo licht dat ze geen contouren krijgen, zo vluchtig als een geur die op straat voorbij vlindert; andere zijn net zo vanzelfsprekend en stevig aanwezig als je eigen naam, als de neus in je gezicht. /’ .
     
Michel presenteert ons in zijn verzamelbundel Speling zoeken (2016) zijn poëzie tot nu toe gepubliceerd, met uitzondering van zijn vrijwel tegelijkertijd verschenen bundel Te voet is het heelal drie dagen ver. Bij eerste lezing verrassen ze door hun verhalend, filosofisch karakter. Reizen, routes, raadsel en dromen zijn veelvoorkomende woorden. Veel vragen worden gesteld, maar zijn antwoorden worden geplaveid met omwegen. Het omvangrijke gedicht ‘De weg van het water’ uit de eerste bundel Ja! Naakt als de stenen (1989) is daarvan een treffend voorbeeld. De reis door grote delen van West-Europa spreekt tot de verbeelding en is doorspekt met verrassende decors, denkbewegingen en momenten van reflectie. Tegelijkertijd weet Michel op tal van momenten aan zijn reiservaringen een meerstemmigheid mee te geven.
      Michel is zich sterk bewust van de wet van de entropie ‘die stelt dat meer informatie minder orde oplevert.//’. In het gedicht ‘De meeuw van Treytel’ uit de tweede bundel Boem de nacht formuleert hij dat als volgt: ‘Naarmate mijn leven zich ontrolt / en ontbindt in steeds grilliger patronen / ontvang ik dit soort signalen des te / gretiger; souvenirs van een vergane / samenhang; de suggestie dat om de hoek / het geluk wacht op een botsing // Complexe processen: als ik op blote / voeten over de tegels naar het balkon / loop, begint mijn neus te niezen //’. Een dergelijke diepzinnigheid gaat bij Michel gepaard met aandacht voor de taal en de dingen van alledag. Op diverse plaatsen duikt er een filosofische ondertoon op onder meer in vragen die het lyrisch subject zich stelt. Waarom kan het verleden in het leven van een man en vrouw zo op hun heden drukken?

Omdat het verleden als een immense massa
op het heden drukt
en [daardoor] alle woorden en gebaren onder spanning zet …

[…]
Daarom is de liefde een tunnel
die onder de berg van het verleden doorloopt.
Daarom is de cruciale vraag
of je iemand wilt ontmoeten of bezitten.

Hij stoort zich onderwijl aan ‘het alomtegenwoordige gebrek aan visie’ onder zijn lotgenoten.
      In veel gedichten is Michel in een strijd verwikkeld met de samenhang tussen werkelijkheid, verbeelding en taal. Hij weet zijn wereld doortrokken van droomgezichten en associatieve gedachtesprongen: ‘Een gevaarlijke onderneming / je dromen echt te maken //’. Hij beseft voortdurend dat de taal ontoereikend is om de achterliggende ervaringen tegenwoordigheid te geven: ‘om tussen de woorden de wereld / in al haar veelvoud / om tussen de woorden de dingen / in al hun enkelvoud // niet te kunnen lezen / maar te zien // te zien zonder aap noot mies ertussen //’. Hij zou de dingen zo graag eenvoudig willen ervaren en zien.
      Michel merkte al gauw dat de taal niet het geschikte instrument is om de ruimte van het volledige leven mee uit te beelden. Taal maakt van de mens en zijn leven een abstractie. Michel is voortdurend op zoek naar een taal buiten de taal, waarbij zijn ‘buitenwijkverbeelding slechts / tekortschietende vergelijkingen voorhanden heeft /’. Het blijkt een paradoxale opgave te zijn die tot niets anders kan leiden dan tot poëzie waarin met diezelfde taal een jacht op de essentie van de dingen wordt geopend. Toch weet Michel te ontkomen aan louter redenerende poëzie. Hij bedient zich van humorvolle, ironische en soms uitgelaten uitbeeldingen, wendbaar als hij is in zijn beelden en vergelijkingen. Daarin weet hij een opmerkelijke lichtheid van toon in zijn gedichten op te roepen. In zijn zoektocht ligt de eigenheid van de dingen voorbij de namen. De ervaringswerkelijkheid ligt voor hem buiten de taal die hij daarbinnen wil halen: ‘er is slaap, er zijn dromen / loom drijvende, onder water wiegende / maar gedragen worden wij door geen grond //’. Het lijkt er soms op dat deze poëzie geen poëzie wil zijn, als je kijkt naar zijn woordkeuze en zijn vrije versvormen tot aan de poëtische prozagedichten aan toe. Elk gedicht lijkt een stil wachten te zijn totdat het zijn dekking laat zakken. Het is duidelijk dat Michel een moeilijke verhouding tot de taal, werkelijkheid en verbeelding heeft. Soms meent het lyrisch subject dat ‘de tekst mij wel begrijpt’. Wat echter door alles heen merkbaar blijft, is dat het subject het leven positief blijft bejegenen, zoals ‘De vrouw van de toonladders’ die ‘gelooft in het bestaan van de ziel //’.
      Het lyrisch subject weet zich dikwijls omringd door paradoxen: ‘Als iemand die van je houdt niet van je houdt / maar je wel op wil eten terwijl je geen appel bent /’. De absurditeit dient zich eveneens aan, zoals daar is ‘het door het huis zwemmen van een barst’ of het ‘beginnen te sneeuwen van bruidsjurken’ in het gedicht ‘Domino’. En toch is er in dit absurdistische spiegelpaleis de warmte waar het lyrisch subject naar op zoek is. Het gaat uiteindelijk om de verbinding met de ander: niet alleen heeft een ruzie twee meningen nodig, maar een kus ook vier lippen. Bij het getal één hoort nog altijd de hamer van de dictatuur. Michel getuigt van een type engagement dat niet door utopische vergezichten is aangedreven, maar op subtiele wijze zijn standpunten in gelaagde taal weet onder te brengen: ‘En ik ruik de sloot van het Leijpark / dertig jaar geleden, het parelende dril / tussen mijn vingers/’. Hoe ‘een konvooi van felgekleurde speelgoedbeesten’ afkoersend op de Ierse en Britse kusten de oceanografen hopelijk de kans biedt het zeegedrag te bestuderen, is weer een ander blijk van Michels betrokkenheid bij de problemen van deze tijd.
      Michel bekent kleur over de evolutie van de mensheid die zijn veelbelovende en teleurstellende kanten kent:

Nu tienduizenden jaren later
Zijn we eindelijk in staat
Tuinmeubelkussenbewaartas
Te zeggen zwevende rentevoet

En is de wereld veranderd
Van een lopend buffet
In een krakelend marktplein

Maar boven het gerinkel uit klinkt
Nog steeds dat scheurend geluid.

      We bewegen ons als schepen in de nacht langs elkaar heen. Michel zoekt zich een weg in dit labyrint dat leven heeft, net zoals J.P. Eckermann dat deed als secretaris in zijn gesprekken met J.W. von Goethe. Het komt maar niet tot de laatste antwoorden op de levensvragen die ieder mens heeft: wie ben ik, waarom ben ik er en waar ga ik heen? ‘Ook wat betreft hun liefdesleven / zoeken ze het waarom in het daarom / en het wel in het niet, verlangen ze / gemis gestelpt, oud zeer geheeld / door niet aanwezige personen. //’ Wil je jezelf helpen: ‘wees [dan] van de breuk het deelteken / en van de vertaalslag de is //’. De wereld verandert, maar de mensen in wezen niet. De captains of industry gaan na de hausse nog steeds op dezelfde voet door. En al die vissen die dorst hebben, die niet te lessen is. Het lijkt wel of een gemeenschappelijke visie ontbreekt om orde in de chaos te scheppen. De toestand in de wereld doet denken aan die sneeuwbal in de middagzon op een autodak. Hij beweegt zich ‘volmaakt volledig op zijn eigen smelten voort //’ om langzaam te verdwijnen.
      Michel weet zich verstrikt in het verloop van de tijd. Hij probeert haar bijna op een sprookachtige wijze te benaderen. Er worden toespraken tot het plafond gehouden. Sporen worden terug gevolgd. Kaartenmakers ingeschakeld en routes uitgezet en gevolgd. Hij moet als dichter wakker blijven en attent blijven op tekenen van de tijd die een werkelijkheid verraadt die zich achter de zintuiglijke waarneembare bevindt. De dromen helpen daarbij: ‘en als het toeval wil / doet iemand het donker open / kun je door het bos / van de dromen lopen //’. Michel blijft erin geloven: ‘ik weet zeker dat je mij nu kunt horen //’. Tegen beter weten in blijft deze taalkunstenaar geloven in de taal om daarmee zijn diepste ervaringen over te brengen. Daarvoor is het scheppen van een zekere orde noodzakelijk, zonder daarbij de dwaalwegen van onze dromen te veronachtzamen.

***

K. Michel wordt beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse dichters. Zijn werk werd bekroond met de Herman Gorterprijs, de VSB-prijs, de Jan Campertprijs, de Awater Poëzieprijs en de Guido Gezelleprijs. In Speling zoeken is al zijn poëzie (met uitzondering van het tegelijkertijd verschenen Te voet is het heelal drie dagen ver) voor het eerst bijeengebracht: de bundels Ja! Naakt als de stenen, Boem de nacht, Waterstudies, Kleur de schaduwen en Bij eb is je eiland groter.

Recensie van Te voet is het heelal drie dagen ver - K. Michel

Hoe een dichter aan het hazen vangen sloeg

K. Michel
Te voet is het heelal drie dagen ver
Uitgever: Atlas Contact
2016
ISBN 9789025447755
€ 17,99
56 blz.

Leven wij niet op de aarde, dat kleine planeetje, in een zonnestelsel dat niet meer is dan een stipje in dat onbevattelijk grote heelal? Worden wij daar dan van afgescheiden?
Vragen die bij mij op kwamen toen ik de dichtbundel: Te voet is het heelal drie dagen ver te recenseren ontving. Welke diepzinnige gedachte zou er achter de titel kunnen schuil gaan? Was hier een dichter aan het woord die zich op onze aardkloot een vreemdeling voelde, een alien op doorreis naar zijn bestemming? Het antwoord vond ik onder de aantekeningen: ‘De titel verwijst naar de Kármánlijn die de grens tussen de aardatmosfeer en de ruimte situeert op ongeveer 100 km hoogte.’ Ok. Dat weten we dan ook weer, maar die titel klopt dus niet. ‘Stratosfeer’ in plaats van ‘heelal’ was juist geweest, maar in dat geval was de titel nog meer een mededeling geweest dan hij nu al is: hij roept geen enkel denkbeeld op, geeft net zo veel vuur aan de verbeelding als de constatering dat ik 169 woorden heb gebruikt om dit op te schrijven. 177.

Nu is K. Michel niet zomaar iemand: hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse dichters. Winnaar van de Herman Gorter-prijs; de VSB- en de Jan Campert-prijs voor één en dezelfde bundel: Waterstudies; de Awater Poëzieprijs en de Guido Gezelle-prijs – dat is niet niks.

Ik heb van pianisten wel gehoord dat zij moesten opboksen tegen hun eigen registraties. Bij het turnen zie je dat ook: hoe bereik je opnieuw je eigen top? Dat is bijna onmogelijk om vol te houden. Ik kan mij voorstellen dat iets soortgelijks ook het geval zou kunnen zijn bij de wel heel vaak bekroonde dichter K. Michel. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat hoop, want ik kan mij niet voorstellen dat er een jury bestaat die deze bundel een prijs waardig zou achten, hoewel je het natuurlijk nooit weet in de literaire wereld: invloedrijke vrienden hebben doet een hoop.

Het eerste gedicht van de bundel:

Signaal en ruis

Walvis landt op vissersboot.
Trainer vindt vliegtuigdeur op voetbalveld.
Student heeft seks met standbeeld.
Dronken man zit vast in brievenbus.
Indiër rijdt al elf jaar achteruit in auto.
Zwitser breekt record telefoonboekscheuren.

Vrouw slaat echtgenoot met pantoffel dood.

Paardbei. Menigte tilt dubbeldekker op
bevrijdt fietser. Strandbal van metaal blijkt
zeemijn. Dorp schenkt reuzentruffel
aan Obama. Rara, het is rood en het hinnikt.
Dichter vangt haas door achter een boom
geluid van wortel na te bootsen.

Voilà, een kleine greep uit wat ik gisteren
aan info data trivia in mijn vlindernet vond.
Hier waar alles van ruis doordrenkt lijkt
– een klamme nevel die alle content kromtrekt –
klonk dat ene signaal als een inspirerend idee.

Dus ving ik ook een maartse haas, nam hem
gezellig op schoot en samen bladerden we
‘allemachtig’ door de multimedia.
Tot de haas zei: los het raadsel op, vriend
doe een wens of laat me vrij

Volgt een doorwaakte nacht vol hoofdbreken
licht kiert aan de horizon maar nergens een clou.
Voor hij wegstuift in de nakende dageraad
geeft de haas nog een laatste advies:

klim nu hoog in de boom en fluister
terwijl je de bladeren doet ritselen
je hartewens en laat daarna zaagsel
toverachtig sneeuwen door de takken
rondom je af te zagen ook die waarop je zit.

Buiten de dichter zelf, zijn redacteur en misschien een corrector, zal niemand gemerkt hebben dat ik een zin aan het gedicht heb toegevoegd; alleen maar om aan te tonen hoe willekeurig dit gedicht is samengesteld. (Als u hem heeft geïdentificeerd en wilt weten of u het goed hebt: hij staat onderaan de pagina). Het heeft geen enkele urgentie, het ademt niet: is één en al klamme nevel die alle content krom trekt. Lapwerk. De dichter die een wortel imiterend een haas ving, was hij dat zelf? ‘Dus ving ik ook een maartse haas’ (..) lijkt daarop te wijzen. Zat die al bij hem op schoot (allemachtig) toen hij, in zijn vlindernet nota bene, info data trivia vond? De maartse haas, van wie hij dus wist dat hij gestoord was, gaf hem advies. Ik zou hem de raad hebben gegeven om drie rondjes rond de kerk te gaan fietsen, al dan niet door de nevel, om, het zaagsel uit zijn kop gewaaid, met verfrist gemoed een écht gedicht te gaan schrijven. Dan moest hij wel stoppen met raadsels voor poëzie aan te zien; ik weet ook niet wat rood is en hinnikt – het roept niets bij mij op, en dat is toch wel een voorwaarde bij poëzie: een beeld, een stem, een emotie. ‘[H]oofdbreken’ (wat moeten wij daarmee?! Moet-ie maar niet naar die maffe tamme haas luisteren) is niet goed voor de poëzie, en meestal een teken van gebrek aan inspiratie. Dat kan gebeuren, maar dan acht je je schrijfsels, lijkt mij, geen publicatie waardig. Dat hij dat toch heeft gedaan heeft waarschijnlijk te maken met de projectbeurs die de auteur van het Nederlands Letterenfonds ontving voor het schrijven van deze bundel.

Eén van de moeilijke zaken met poëzie is dat je inspiratie niet kunt dwingen. Er zijn nogal wat schrijvers die beweren dat inspiratie niet bestaat, dat het vooral een kwestie van hard werken is; schrijven en herschrijven. Maar wat beslist nodig blijkt, is de vonk, de ingeving die de schrijver in staat stelt om zijn aandacht zo lang op zijn onderwerp te richten dat het niet alleen van alle kanten zichtbaar wordt, maar dat hij je er doorheen kan laten kijken, zodat je door kunt dringen tot de kern, het levende, het bezielde. Werkelijke poëzie neemt je voor zich in: vervoert je.

Als de bundel één ding ademt, dan is het wel vervreemding. Het is anekdotische poëzie, maar een raar soort. Vaak zijn het verwoordingen van feitjes en weetjes die geen verbinding met elkaar vormen, zoals Michel het zelf in ‘Pliniaans’ noemde: ‘stofstormen van info en data’.
Fantasieën spelen ook een aardige rol, bijvoorbeeld de geur op te kunnen snuiven van al het in de crisis verdampte geld. (‘Benedenwinds’).
Het gedicht ‘Allemaal aan boord’ gaat over Koen die van waterdruppels een toren bouwt, daar met zijn vinger in prikt, zodat de toren voorover stort en verandert in een golf: “Allemaal aan boord!’ roept Koen/ en we kruipen in de boot./ ‘Zo, nu kunnen we op reis”.
De eerste twee strofen van het gedicht ‘Wat vooraf ging’ gaan zo: ‘de toverfluit/ is verkouden/ het klimtouw/ heeft spit/’ (volgende strofe): ‘de ladder heeft/ slappe knieën/ de trampoline/ heeft de hik/’. Omdat je je wellicht mocht afvragen waar dit gedicht heen gaat, volgt hier de laatste strofe: ‘cameraploegen/ rollen af en aan/ maar troje is/ nog niet gevallen’ (de punt ontbreekt, maar hier is het gedicht echt afgelopen, met het uit de lucht gevallen Troje waar het hele gedicht blijkbaar over ging).
In ‘De lach van Rutte’ gaat de meest uitbundige lach van onze minister-president op de loop, zijn vrijheid tegemoet; en in ‘De vind variaties’ lezen we een moppige anekdote: “En meneer’ vraagt de ober/ ‘Hoe vond u de biefstuk?’/ ‘Nou gewoon’ antwoordt de klant/ ‘Door het toastje op te tillen”. De daarop volgende strofe eindigt met een inmiddels bekende van ons: Koen vindt dat voetbal niet eerlijk is ‘want/ ze pakken elkaar de bal de hele tijd af’ (alweer geen punt). Tenenkrommend triviaal. Dat is de enige waardering die ik kan opbrengen voor deze poëzie.

Wat dacht je hier van:

Paris / Charlie 7 – 1 – 15

Na al het nieuws
haal ik de heilige boeken
uit de kast
en schud daar de leeswijzers
en de vrome praatjes uit

Van deze zuiverheid
nastrevende stof
kneed ik een sneeuwbal
– haren en kruimels geen probleem –
en steek daar een vulpen in
tot de sneeuwbal zwart kleurt

Dan zet ik het machteloos
mooie ‘vogels in bos en duin’ op
schenk jou een glas rood in
en wachten wij op het onbedaarlijke smelten

De moord op de bijna voltallige redactie van het satirische blad Charlie Ebdo zal hem vast wel geschokt hebben, anders had K. Michel dit gedicht niet geschreven; dat het iets met het heilige boek van de moslims te maken had weet hij ook, maar er is geen sprake van verontwaardiging of verbijstering over het feit dat een heilig verklaard boek blijkbaar van hogere waarde wordt geacht dan een mensenleven. Er worden veel boeken geschreven, er zijn heel veel mensen die dat erg goed kunnen, maar een mens maken (het kwartiertje plezier dat aan de verwekking vooraf gaat tellen we even niet mee) is voorbehouden aan de god in wiens naam acht humoristen vermoord werden, om grappen die zij hadden gemaakt over de vermeende schrijver (een analfabeet) van het boek dat aantoonbaar minstens driehonderd jaar na de dood van Mohammed is voltooid. (Toen pas werden paarden, die vonken lieten opspringen van de rotsen, waarvan sprake is in de koran, beslagen.) Michel schenkt een glaasje rood, en luistert naar de zang van ‘Vogels in bos en duin’. Terwijl er onbedaarlijk gesmolten wordt. Genieten toch?! Onbedaarlijk…

Eén ding kan de koran niet ontzegd worden: het boek heeft een hoog poëtisch gehalte. De evocatieve kracht van dat boek is zo groot dat het al eeuwen mensen weet te inspireren, en niet alleen die zogenaamd fundamentalistische, pathologische, van empathie gespeende idioten die dromen van een staat waarin alles Islamitisch goed is – tot moord en vernietiging.

Had de poëzie van K. Michel maar een fractie van de poëtische kracht van de koran gehad, dan zou ik blij zijn geweest met de bundel Te voet is het heelal drie dagen ver. Nu ervoer ik hem als triester dan een teleurstelling.

* ‘Vrouw slaat echtgenoot met pantoffel dood’

Recensie van Bij eb is je eiland groter - K. Michel

De tijd verstrijkt ja, maar bestaat niet

K. Michel
Bij eb is je eiland groter
Uitgever: Augustus ,Augustus
2010
ISBN 9789045704203
€ 17,90
55 blz.

‘Vroeger ben ik vaak met de boot naar Engeland gegaan. In mijn herinnering was het voortdurend kloteweer. Omdat ik benedendeks misselijk werd zat ik altijd (ook als het regende en stormde) op het achterdek. Ik moest de zee zien. Ik moest de bewegingen van het schip kunnen relateren aan de horizon, anders begreep ik niet wat er met mijn lichaam gebeurde en werd ik ziek. Grote woorden zijn ook schepen, zoek altijd het dek op.’
Met deze woorden eindigt K.Michel zijn repliek op een essay van Yves T’Sjoen in diens bundel Stem en tegenstem (2004). Deze gecursiveerde woorden beschouw ik niet alleen als een waarschuwing aan de lezer, maar ook als één die de dichter aan zichzelf geeft. Er spreekt een afkeer uit om te grote woorden te gebruiken die reiken naar universele abstracties, om het contact met de hem omringende werkelijkheid te verliezen. Hij wil ook niet de indruk wekken om met zijn taalgebruik de aandacht af te leiden van de werkelijkheid die er voorbij de taal is. Een spannend dilemma voor dichter én lezer. De lezer is in een dergelijk spanningsveld geneigd om naar vastgeroeste betekenissen te grijpen. De dichter verliest in dit dilemma al gauw zijn speelruimte. Langs de weg van vrije associatie, paradox en synesthesie zal de dichter proberen met zijn vervreemdende woord- en beeldconstructies de lezer te verleiden tot een andere leeshouding. Dat kan tot onnodige misverstanden leiden die hij echter het liefst wil voor zijn. Als het even kan, kiest Michel voor de klassieke opvatting van taal als een venster op de wereld.

Michel is in zijn vijfde bundel Bij eb is je eiland groter (2010) opnieuw erin geslaagd – net zoals in zijn vorige vier bundels – om het taalregister van alledaagse woorden een poëtische lading mee te geven. Hij komt de gewone wereld van zijn lezers tegemoet met onderwerpen als kindse oudere mensen, het afscheid nemen van geliefden en overledenen, het reizen door landschappen en naar plekken die het verleden bij wijze van toeval verbinden aan het heden en de toekomst. Hij schrijft prettig leesbare poëzie. Verrassend eenvoudig bij eerste lezing, maar bij nader inzien op vele plaatsen gelaagd, open en ruimte latend voor de ervaringswereld van de lezer. In overwegend lange gedichten weet hij je als lezer te activeren. Regels als ‘mijn hand herinnert zich de deurklink van mijn kamer,’ ‘de klok telt/ het ademhalen/ in en uit/’ of ‘het wit ontmoet de lijn in de punt//’ bezitten een gelaagdheid die zijn taal tot poëzie maakt. Vaak kiest hij een alledaagse ervaring of kwestie uit als aanleiding voor zijn teksten.

De gedichten zijn in parlando stijl geschreven, in een diversiteit aan vormen: van strofische tweeregelige gedichten als het gedicht ‘Ontmoetingen’ tot een langgerekt gedicht dat zich over een paar bladzijden uitstrekt als ‘AH’ (een douchelied). Dat biedt de lezer een bundel vol afwisseling. Michel slaagt er goed in om zijn gedichten te structureren. Hij doet dat niet zozeer door interpunctie, strofebouw, rijm- of metrum, maar vooral door middel van herhaling en opsomming van woorden en versregels, inhoudelijke variaties op een thema, cyclische bouw naar vorm en inhoud, cursivering van woorden en een verscheidenheid aan dichtvormen en typografie. Veel gedichten lopen uit op een verrassende pointe. Daaruit spreekt dikwijls humor en ironie. Op die manier krijgen de gedichten een natuurlijke spreekritme en weet hij de aandacht van de lezer vast te houden. Daartoe dragen ook zijn nauwkeurige observaties bij, zoals in het gedicht ‘Tempo tempi’. Daarin roept hij het besef op na een indrukwekkend concert aan de gracht nog wakker te moeten worden, terwijl iedereen allang op één oor ligt. Overigens een gedicht met beeldscherpe versregel als:

Met applaus werd de invalster begroet
Tijdens de vertolking woelde het publiek
als een veelkoppig lichaam als een door
meeuwen omwolkte kotter onder de kust

Zonder nu te spreken van een opgelegd pandoer weet hij in een aantal gedichten in klein bestek, verstaanbaar en binnen een menselijke maat grote maatschappelijke kwesties uit te beelden. Een voorbeeld van maatschappijkritiek op ons vreemdelingenbeleid is een gedicht als ‘Welkom vreemdeling’ dat aan de hand van een stoelendans de toenemende en wisselende aanwezigheid in ons land van diverse nationaliteiten voorstelt en dan doodleuk eindigt met de woorden:

Dans van de stoelen
in het Portugees.
In het Nederlands
ik zat hier eerst.

Maar ook in een veel langere sprookjesachtige gedicht als ‘In het land van de praatjes’ is hij heel concreet in zijn uitbeelding over de groeiende onverdraagzaamheid, waar

Twee mensen die elkaar tegenkomen
kunnen twee dingen doen

of de een
slaat de ander plat
of de een stelt de ander een vraag’

[…]

toestand A heet natuur toestand B beschaving

[…]

Zo komt het gesprek op gang & wordt de strijd uitgesteld

[…]

maar als drie personen elkaar tegenkomen…
ooh la la dan belanden we in een toestand C
de speciale die status quo heet
& wordt het knap lastig te voorspellen
wat ons te wachten staat én of kletsen nog wel helpt

drie of meer, binnen of buiten,
dan zijn de rapen gaar,
is de beer los, het einde zoek
zijn we de sigaar, in de aap gelogeerd, ver van huis

Zo staan er ook enkele gedichten in de bundel die met een humor en ironie de veranderende milieuomstandigheden belichten. Een geestig gedicht is in dit verband het gedicht ‘Vlinderverhuizing’. De dichter deelt aan ons via de poes mee hoe hij over de zich wijzigende migratie van de vogels onder invloed van de klimaatverandering denkt: ‘Mooie boel, zegt de blik van Poes, als we zo/ doorstomen, ja dan komt de Noordpool snel in zicht.//’.
De dagdroom speelt ook een belangrijke rol in de wereld van Michel. Als een Aphrodite, geboren uit het schuim van de zee, laat Michel in het gedicht ‘Dat was gisteren en nu loop ik op blote voeten’ de ik als een droomgestalte, geheel vervuld van het eigen verlangen, op blote voeten uit de zee ‘als een man van de wereld’ lopen naar een microfoon om in een zaal ‘boven de deinende hoofdenzee’ zijn mening te geven, ‘dat hij zei dat jij zei dat wij/ zweven stofjes in het strijklicht/ het mag het kan niet zo zijn dat/’. Maar dan klinkt er ineens door de zaal: ‘op onze planeet/ gelden meningen als de allerrrr/ laagste vorm van leven’//’. Op internet, in de media, in de politiek tieren tegenwoordig de meningen welig, maar ze dragen niet altijd bij tot een daadkrachtige besluitvorming.

De overheersende thematiek uit deze bundel vind ik het verstrijken van de tijd en daarmee verbonden het spoor dat de tijd door een mensenleven trekt. Rond het woord ‘tijd’ gebruikt Michel door deze bundel heen een omvangrijk woordveld: verdwalen, spoor, kaart, route, vertrek, tempo, tempi, kindsheid, afscheid en ontmoeting. Twee maal over gebruikt hij de zinsnede: ‘de tijd verstrijkt ja maar bestaat niet’. Er spreekt uit deze woorden voor mij erkenning en ontkenning van de vergankelijkheid. Hieruit blijkt het besef dat de paradox voor hem het ruggenmerg van zijn dichterschap vormt. Het past bij zijn rol van toeschouwer. In zijn laatste gedicht ‘Bevindingen’ zegt hij daarover: ’Ik keek met nieuwe ogen om me heen’. Daarop is hij voortdurend uit. Dat is de winst van de toeschouwer die zich op afstand van de dingen zet.
In zijn gedicht ‘Ontmoetingen’ komen enkele paradoxale regels – sommige vond ik niet zo ge(s)laagd – voor waarin het verstrijken van de tijd eveneens onderwerp is: ‘waar je bent als je slaapt weet je niet, misschien wel daar waar je was voor je geboren werd’ of ‘ als je je ogen dichtdoet kun je door de ogen van een ander kijken, ook als die overleden is/’. Die grensovergang van leven naar dood, het buiten de tijd komen intrigeert Michel zeer. In het gedicht ‘Daaag’ vormt het een uitgangspunt voor een poëtische beschouwing van ruimte en tijd: ‘zolang ik er niet geweest ben/ voel ik me niet geroepen/ over het hiernamaals/ iets substantieels te beweren/’. Van zijn orthodox-christelijke reminiscentie over het godsoordeel aan het eind van ons leven haalt Michel in de laatste versregels op ironische wijze de spanning af door zijn opmerking dat het begrip ‘hiernamaals’ hem nog het meest doet denken ‘ aan een verkeersbord/ (op een kruising bij Han-sur-Lesse)/ met twee forse bazige pijlen/ onder die naar links/ staat toutes directions/ onder die naar rechts wijst/ autres directions//’. Hij neutraliseert daarmee zijn eigen niet-weten wat hij daarmee aan moet. Ons denken schiet in deze dingen te kort. Hoe zou je de groeten kunnen doen aan Piet, Martin, Wouter en tante Riet? Hier laat de dichter-filosoof Michel de werkelijkheid achter de dingen even buiten beschouwing, terwijl hij juist een dichter is die een nieuwe taal wil vinden om aan zaken als het metafysische, het hiernamaals te raken.

Al met al vind ik dat Michel een gevarieerde bundel heeft geschreven. Bij de tijd, leesbaar, verstaanbaar, tot nadenken stemmend, geestig en ironisch. In het lange gedicht ‘Marx ging naar Zaltbommel’ (Nijhoff!) laat hij op geestige wijze een fragment uit de levensgeschiedenis van Karl Marx samenvloeien met een stukje actuele Nederlandse geschiedenis. Geschiedenis en tijd stromen aan ons voorbij. Het vlietende water van de rivier doet de onbekende alwetende ik van dit gedicht zijn vergankelijkheid beseffen. Maar het is tevens een plek om jezelf en de tijd te vergeten. De tijd verstrijkt ja maar bestaat niet!