Recensie van Dooier op drift - Charlotte Mutsaers

Bevreemding over de leef-tijd

Charlotte Mutsaers
Dooier op drift
Uitgever: De Bezige Bij
2012
ISBN 9789023474586
€ 17,90
80 blz.

Je staat wel even verrast te kijken, als je de nieuwe bundel Dooier op drift  van Charlotte Mutsaers doorbladert. Haar gedichten landen overwegend op smalle versstroken van één tot drie woorden per versregel. Nauwelijks leestekens. Het is duidelijk dat ze met een minimaal aantal woorden een maximale zeggingskracht wil bereiken. Parlando teksten met snelle, betekenisvolle wendingen. Anekdotisch in eerste aanblik, maar veelal gaat er in tweede instantie onder die licht ironische, speelse toon een serieuze verwondering, verbazing, ergernis of boosheid schuil, over wat we nog niet (willen) weten en niet hebben gezien. Het ritme geeft daarin bovenal samenhang.

Mutsaers is beeldende kunstenaar, essayist, schrijver, en nu dus ook dichter. In veel besprekingen over het werk van Charlotte Mutsaers valt de term poëtisch proza, of het nu een verhalenbundel als Zeepijn (1999) of haar roman Koetsier Herfst (2008) betreft. Haar poëziebundel Dooier op drift (2012) is een eerste bundeling teksten die naar hun vorm en lay-out je direct doen denken aan wat we in de regel voor poëzie houden. Mutsaers heeft nooit zoveel op gehad met wat we voor een literair genre houden. In de vrijheid die ze daarin voor zichzelf heeft opgeëist, heeft ze haar eigen zeggingskracht gevonden en is ze een uniek talent binnen de Nederlandse letteren.

Ze schrijft met het oog van een schilder, bezit de ironische toon van de essayist, steekt als was ze een cabaretier zo nu en dan de draak met wat we voor gewoon houden, stelt op haar manier groot en klein mensen- en dierenleed aan de kaak als een naturelle activist. Enige scepsis over de mens en zijn omgang met zijn soortgenoten en de schepping kan haar niet worden ontzegd. Misschien is het wel haar grootste grief dat we zo slecht zijn toegerust voor het leven zelf en er zo gemakkelijk in ‘Verdwaald’ raken: ‘Zo slecht te worden/ toegerust voor leven/ dat je leven wou/’. Over die spijt die over een leven dat in zijn diepste wezen door ons onbegrepen en op een verkeerde grondslag rust, spreekt ze in haar gedicht ‘Inktlap als schaamlap het beste’. Ze verbindt dat tevens met het schrijverschap. Dat impliceert voor haar dat leven schrijven is, en schrijven haar leven is geworden:

‘La honte d’être un homme,
y a-t-il une meilleure
raison d’écrire?’

Adam en Eva
zonder pen of pit
raakten naakt op tilt

Blote vijgenboom
waarvan blad
verspild

In een notendop staat hier het scheppingsverhaal. Ze vraagt zich af of de schaamte van de mens over zijn bestaan de raison d’ être van het schrijverschap is. In de schaamte over de naaktheid en de verspilling van het vijgenblad ligt de onontkoombare reden voor het schrijven. Is ongedaan te maken wat ontbreekt, wat verlegenheid met de ander en jezelf oproept? Deze retorische vragen blijven in haar rondspoken en duiken op allerlei plaatsen in de bundel op. Alleen al die ‘Ontoereikende voorzorgsmaatregelen’ die de ik voor zichzelf genomen heeft overeenkomstig de stijl van haar milieu om zich door het leven heen te slaan: ‘Slag in het haar/ miauwzak opgeborgen/[…] oud geld/ door de plee/ ‘ hebben niet mogen baten: ‘Dat men/ toch altijd weer/ zo huilend en/ zo halfbegrepen/ blootwaarts/ wordt gehaald// achterblijvers/ voor zich latend/ als getuigen/ onverwacht//’. Het leven zit aan alle kanten zo vreemd in elkaar, of het nu om het begin of het einde ervan gaat, om nog maar niet te spreken over wat er tussendoor allemaal kan mislukken.

Om dat alles te doorstaan gebruikt Mutsaers het probate middel van de humor: ‘Patroon aan het fornuis/ maar tevens jager//’ (‘Op weg naar Paviljoen Westhinder’). die in de richting gaat van een zekere mate van absurditeit: ‘Oor smeert pek in urn/’ (‘Kein peur mon trésor’). Ze zet mede daarom allerlei taalregisters in: van spleettonggedoe tot holadijo, en van fictie tot fixatief.
In het gedicht ‘De lichte brigade’ weet ze de door een vrachtauto ‘geplette ajuinen’ op licht hilarische wijze te laten zien hoe het niet te beïnvloeden lot hoe dan ook zegeviert: ‘theirs not to reason/ why/’. Voor haar ligt in het benoemen van het onmogelijke enig perspectief om het mogelijke te realiseren.

Haar liefde voor koken heeft ze ook plaats gegeven in deze bundel. Het gedicht ‘Knoflookkapsel beter dan capsules’ weet ze met een mythische verwijzing naar Medusa’s kapsel de geur van de echte knoflook serieus te verbinden met de zelfzuchtig ronddolende ziel. ‘Doe maar voort fictie/ fik maar rustig zo door/’: de verbeeldingskracht is de onmisbare drijfveer om de meest uitlopende zaken met elkaar in verband te brengen en zodoende toch nog enig begrip en houvast te verkrijgen in de mengelmoes die leven heet.
Ze speelt in al haar teksten een doordacht spel met de woorden en de uiteenlopende verbanden die daartussen zijn te leggen, zoals in het gedicht ‘De geur van de roos in de naam?’ waarin het verband tussen naam en betekenis misleidend kan werken, zoals een geadelde ‘Louise Bourgeois’. Daarbij is zij van nature geneigd ver uit elkaar liggende causale verbanden tussen woorden de voorkeur te geven. Ze wil op die manier de ogen openen voor dingen die ons al te vertrouwd, te bekend of te vreemd voorkomen. Voor haar is een beeldend kunstenaar, een schrijver, een dichter iemand die moet inhaken op het banale, het triviale, het buitengewone gewone detail. Neem haar gedicht ‘In vitro’ over een duurzame tocht van een paardenbloempluisje. Dat gedetailleerd waarnemen biedt haar juist de kans op iets van betovering. Je dient wel over de nodige verbeeldingskracht te beschikken.

Omkering van zaken biedt haar nieuwe inzichten en kans op opening en voortgang. Ze bedient zich daarbij onder meer van haar affiniteit met en kennis van vele filosofen, schrijvers en beeldende kunstenaars: van Marcel Proust tot Franz Kafka, van Ingmar Bergman tot Roger Raveel. Ze weet zich verbonden met hun werk. In dit verband van het gedicht ‘Gehoornd bestek’ in al zijn ogenschijnlijke eenvoud wel geestig, treffend en diepzinnig van inhoud:

Kierkegaard:
Ik ben een vork
en zal jou
steken

Mulisch:
Ik lepel soep
het liefste
met een vork

Kafka:
Ik wil het mes
wezen dat
in je wroet

Ik dekte mijn
tafel voor vier
twee vorken
een mes
en een stier

Mutsaers geeft hier met weinig woorden aan wat voor haar het schrijverschap inhoudt. De ‘stier’ is daarin niet alleen vierde tafelgenoot, maar ook het dier dat voor mij het onder- en voorwerp van de maaltijd is. Hij dient als ‘schrijver’ tevens met zijn vruchtbaarheid het creatief proces in gang te zetten. Daarvoor heeft hij attributen als vork en mes nodig. Het ‘aansnijden’ van een onderwerp zal hem nog wel lukken, maar het ‘lepelen van de soep met een vork’ duidt voor mij op de onmogelijkheid de werkelijkheid overeenkomstig de eigen beleving en ervaring op papier te brengen. En toch blijft voor elke schrijver die onweerstaanbare uitdaging aanlokkelijk. Kierkegaard, Mulisch en Kafka zijn in dit verband voorbeelden hoe de angst te overwinnen, vooral niet het spoor bijster te raken en te blijven reiken naar het onmogelijke.

Mutsaers zal je nooit haar mening of oordeel opdringen over de persoonlijke en maatschappelijke onderwerpen die ze aansnijdt, maar aan haar taalspel en tussen de regels door kun je wel vaststellen dat ze zo haar vragen en bedenkingen heeft over hoe het hier in de ondermaanse eraan toegaat. Om een paar zaken te noemen: dierenleed en al te jolige jagersplezier in bier gevat. In de ‘Terugkerende jagers over de bergwei’ begint ze met de uitroep: ‘Tot ziens bij/ de dierproeverij/ holadijee holadijo//’ en eindigt na de drijverij met de woorden: ‘de dierproeverij/ een bitterbal/ in het vizier//’. Zwalkend bewegen ze zich vanuit het dorp van bier- naar dierproeverij. Daarmee werpt ze een kritisch licht op het fenomeen van het jagen. Er weerklinkt een valse echo vanuit het dal op. Kritiek op onbezonnen gedrag.

Twee keer komt er een titelgedicht ‘Dooier op drift’ in de bundel voor. Dat brengt me nog bij een andere observatie die mij kenmerkend lijkt voor het werk van Mutsaers. Zij gaat moeiteloos over van een situatie uit de alledaagse werkelijkheid in taal van café- en stadionbezoekers naar de tedere toon die past bij de fragiele sprookjeswereld. Voor haar is dat één werkelijkheid. Haar associaties vliegen over en weer van de ene in de andere wereld. De ‘dooier op drift’ uit het eerste gedicht vertegenwoordigt een kuiken – ‘diep dooiergeel/ snavelklaar//’. Het diertje wordt helaas zonder deernis overreden. In dit voorval ligt een parallel met het ontstaan van poëzie. Het vers zoekt zijn weg, maar daarin gaat het ‘diep dooiergeel’ ten onder, hetgeen je eigenlijk wil zeggen. Ook in het tweede titelgedicht brengt het homo-erotische liefdesspel tussen ‘hij en hij/ in de ei/’ na een amechtig begin een roemloos en ontkennend einde. Scheppingsdrang en seksuele drift leiden uiteindelijk tot een ‘post coïtum animal triste’.

Wat onuitsprekelijk is, probeert Mutsaers (70 jaar!) in taal te vangen. In het laatste gedicht van de bundel ‘Zeventig’ wordt ze door ‘zilte struiken’ uit de slaap gehouden. Een droombeeld als van een kind dat zich nog prinsesje mag voelen, trekt langs ‘korenaren wiegend in de zweetnacht/’. Ze eindigt dan met de woorden die ik eigenlijk heel typerend vind voor deze bundel: ’Zo sliep ik in/ mijn bed op open zee/ alles normaal alleen/ mijn leeftijd vreemd//’. In die versregels zegt ze niet alleen dat ze zich niet kan voorstellen door hoe ze zich voelt, al zeventig jaar te zijn, maar ook dat het leven met intense bevreemding gepaard gaat.