Recensie van Balans - Leonard Nolens

Een tussentijdse balans

Leonard Nolens
Balans
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021408552
€ 16,99
56 blz.

Leonard Nolens maakt in zijn nieuwe bundel Balans (2017) op zijn geheel eigen wijze een tussentijdse balans van zijn leven op. Hij maakt vanuit zijn herinnering een selectie uit de kleine en grote levenswendingen. Telkens frappeert het weer hoezeer Nolens in staat is concrete feiten en toevallende gebeurtenissen een magische lading mee te geven en ze daardoor op een universeel niveau te brengen. Zo verleent hij ze in al hun op- en neergang een grote mate van herkenbaarheid voor de lezer: de verhouding tot de familie, de schoolperiode, de studiekeuze, het kiezen voor werk, het dichterschap, het reizen door Amerika, de opspelende liefde en de gang naar het levenseinde.
     De vraag of hij een balans bezit, is niet alleen afkomstig van de dichter, maar het is tevens een opmerking die zijn ouders hem hebben toegevoegd op het moment dat hij niet in de zakelijke voetsporen van zijn vader en grootvader wilde treden: ‘ik die nooit een taal, een getal, een talent bezat / voor geld en goed /. Zij beschouwden blijkbaar het kunstenaarschap maatschappelijk gezien als een hachelijke onderneming. Is het immers niet slechts aan enkele kunstenaars beschoren om daarin zeer succesvol te zijn? Achteraf gezien blijkt de jonge Nolens de keuze van zijn leven te hebben gemaakt. Hij heeft met vasthoudendheid en overtuiging aan zijn dichterschap gewerkt. Vanaf eind jaren zeventig heeft hij als een gevierd dichter zijn heldenrol gespeeld. Ondertussen heeft hij een poëtisch oeuvre bij elkaar geschreven dat grote waardering en oprecht respect verdient. Dat het allemaal niet zonder slag of stoot is gegaan, kunnen we opnieuw lezen in deze bundel. De gedichten tonen ons een dichter die zich heel bewust heeft afgeschermd van de wereld, zonder die wereld uit het oog te willen verliezen. Zijn eenzaamheid heeft altijd veel bekijks gekregen, mede door zijn dagboeken en voordrachten.
     Nolens spiegelt zich in de twee gedichten uit de eerste afdeling ‘Bezat je nu maar een balans’, aan de Chinese dichter Meng Jiao (751-814) als een van zijn vele buitenlandse inspiratiebronnen. In hem bewondert hij zijn talent voor het voelen van de pijn van ‘de jong gestorven abrikozen’. Dit gedicht over deze ‘doden’ doet hem naar meer smaken, omdat Jiao bovenal de vervluchtiging weet tegen te gaan, iets wat Nolens ook voorstaat: ‘Het kind dat hier geurde zal nooit meer leven.’ Hij brengt zijn jeugd in herinnering. Om dat alles heen bevindt zich het ‘snakkende huis op het vrijthof’, het ‘alom’ aanwezige ‘zakenkantoor’, waar de kinderen ‘hinkstapspringen op (…) [het] schaakbord van tegels’. Niet alleen de dingen en situaties komen in het vizier, maar ook de gelijkenis met zijn ouders: ‘Ik ben u, Vader, naar het schijnt / uit het gezicht gesneden.’ Hij stelt vast dat hij als een godsgeschenk voor zijn ouders moet zijn geweest, maar iets in hem staat hem in de weg zijn waardering in terugblik te uiten: ‘En het krijgt zich niet open, het blijft hier maar hopen / u, zijn twee doden, te loven.’ Hij kijkt ‘in het voorbijgaan in de spiegel / naar een paar dat steels je blik ontwijkt.’ Dat gebeurt zodanig dat ‘pijn / in het geheim je roepnaam is, alleen / de spiegel weet hoe jij stilzwijgend heet.’ Naast de pijn en moeite om zijn waardering tot uitdrukking te brengen is er het zoeken naar wie hij zelf eigenlijk is.
     Zijn zuster Hilda, die niet alleen een voortreffelijke kokkin was, maar ook gold als ‘het postuur van heel onze honger’, groet hij in een gedicht aan haar overlijden gewijd. Onderwijl veronderstelt hij dat zijn ‘maag soms (…) [haar] ziel’ is, zozeer voelde hij zich met haar zielsverwant. Het verlangen naar huis, het Vrijthof, knaagt aan hem, maar al op jonge leeftijd heeft de oproep geklonken: ‘Versta je met vreemden, met andere loners / dan jij, met je heimwee, het leert je de toekomst / vertragen.’
     Nu de oude dag nadert, is er het stervensadvies van Seneca: laat je niet verleiden door een thuis voelen in het leven, want ‘Sinds wanneer heet wat langer sterven leven?’ De voortdurend verspringende naald van de unster geeft de onzekere maar vooral onmogelijke balansvoering aan om de ziel te gaan wegen.

Unster

Bezat je nu maar een balans,
bij voorkeur zo’n fijne Romeinse,
om koudweg je ziel te gaan wegen van top
tot teen, totaal, je doden bijeen
in die op- en neergaande dans

van zo’n balans, de twistende sterfdag
van vader, en later, het doofstomme ziekbed
van moeder, de as van broer Paul
die je schoenen bestuift en de last
van je krimpende kennissenkring, de barst

in het hart van je vriendschap met Frans,
bezat je nu maar zo’n balans –
je blijft op je zestigste blind als de helder
ziende, voortdurend verspringende naald
van geen enkel, geen telbaar getal.

     Telkens begeeft Nolens zich in het wankele evenwicht tussen de melancholische aanvaarding van het leven en het verzet tegen de vergankelijkheid ervan. Hoe fraai weet hij dikwijls zijn narratief metaforisch op te tuigen: ‘Het vrijthof omhelsde je kinderjaren. / Dat was pas een lekker naar lindebloesems / geurende kamer’.
     In de tweede afdeling, ‘Ik speel mijn heldenrol’, komt het dichterschap en de condities waaronder hij als ‘loner’ dat wil leven, aan de orde: ‘Verlangen naar stilte klinkt als de zangerige denkende toon / van liefde liefst zonder geliefde.’ Zijn ‘stilzwijgende mannenmystiek omstuwt (…) het aura / van naamloze Laura’s’.
     De ik beschrijft in de derde afdeling, ‘Eenzaamheid had veel bekijks’, zijn latere periode in het ziekenhuis waar ‘(…) [zijn] nergens / te bekennen tegenwoordigheid // van geest’ op de loop is gegaan. Hij laat zich gewillig door middel van het gemompel van de boordcomputer door de stad heen rijden. Het lukt hem gelukkig al weer snel uit het ziekenhuis te kunnen vertrekken.
     Het gedicht ‘Dichter’ uit de vierde afdeling, ‘Voor mij is dansen mijn ouders’, geeft de poëticale attitude van Nolens in essentie aan: ‘Je hebt er die dansen. / En je hebt dansers. / Anani is danser’. Zoals Anani danser is, is Nolens dichter. Leven en werk, werk en leven vallen bij hem volkomen samen. Natuurlijk wist hij zich gedurig door de buitenwereld en zichzelf in zijn ambitie aangevochten, maar toch was er ‘de trots van mijn twijfels’ en heeft hij zich ‘wanhopig omhoog’ gezongen ‘zoals op mijn tafel die dansende wesp in de hals van een bierfles.’ In het gedicht ‘De literaire receptie’ signeert de ik zijn bundels voor een publiek dat niet geheel en al met hem bekend is: ‘Pardon, ik heb uw naam niet goed verstaan.’ Uit dit gedicht spreekt de onverholen trots van de dichter. Hij die zich terugtrekt uit de wereld, verlangt toch heimelijk naar die broodnodige erkenning voor zijn talent. Het suggereert alsof spreken geheimen verzwijgen is en schrijven een manier van omgaan met het publiek is ‘om straks uit uw woorden te raken / aan vlees?’ Ondanks de vervreemding blijft het publiek nochtans gebiologeerd naar het werk van deze ‘buitenstaander / in de binnenstad’ reiken.
     In de laatste afdeling, ‘En zij belt je stilzwijgend’, staat de cyclus ‘Amerika 1980’, gewijd aan een rondreis van een verliefde ik en jij door de VS. Daarin laat de ik zich door de liefde verleiden om op te stijgen en naar het westen te vliegen: ‘destijds uit dat nest van mijn vliegangst.’ Zoals Nolens je in dit gedicht door de syntactische complexiteit en gelaagdheid van deze zinsnede duidelijk weet te maken hoezeer de glimlach van de ander bij vertrek je over je vrees voor vliegen en vertrekken kan heenhelpen en je een hemelse beleving van de dingen kan aanreiken, getuigt naar zijn vorm en inhoud van meesterschap: ‘Ik ging op je glimlach de lucht in / van duizelingwekkend hoog spel, / ons tête-à-tête in de hemel.’ Opgaan, omhooggaan, in dat duizelingwekkende hoog spel van de hemelse liefde weet de ik zich hier meegevoerd.
     De alles (ver)vormende liefde vormt een voortdurende leidraad. In het voorlaatste gedicht ‘Nanacht’ maakt de schemering langzaam plaats voor het morgenlicht, waarin het oudere liefdespaar zich spiegelt in het moderne stadsbeeld van Antwerpen. Het mobieltje maakt dat de ik zich niet alleen hoeft voelen in de stilte van zijn werkvertrek: ‘En zij belt je stilzwijgend // aan de wandel haar golven en meeuwen.’ Met dit eigentijdse beeld verlaat de dichter zijn lezers. Voor de duur van zijn bundel heeft hij met al zijn onevenwichtigheden uit het verleden tot op het heden zijn tussentijdse balans opgemaakt en is hij de vervluchtiging te lijf gegaan. En passant keek hij in de spiegel om voor even de tijd te kunnen bevriezen.

***
Leonard Nolens (1947) publiceerde in 2009 Dagboek van een dichter 1979-2007. In 2012 verscheen Manieren van leven 1975-2011. Liefdesverklaringen werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs, in België met de driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie. Voor zijn gehele werk kreeg hij de Constantijn Huygensprijs, voor Bres de VSB Poëzieprijs. In 2012 ontving hij de Prijs der Nederlandse Letteren.

Recensie van Opzichtige stilte - Leonard Nolens

De omgekeerde wereld

Leonard Nolens
Opzichtige stilte
Uitgever: Querido
2014
ISBN 9789021456751
€ 17,99
76 blz.

 
In zijn nieuwste bundel Opzichtige stilte heeft Leonard Nolens de binnenwereld van de maatschappelijk gemarginaliseerde mens naar buiten willen brengen door zich in te leven diens situatie – sterker nog, door de benarde existentie te tonen waarin deze mens gevangenzit. Wat is normaal, wie is normaal? Wie neemt wie de maat? Wie schiet er nu echt tekort in deze maatschappij?
Door de binnenwereld binnenstebuiten te keren geeft hij inzicht in wat ten diepste de ervaring is die leven heet. Wat Nolens de ‘wij’ en de ‘ik’ uit zijn vierdelige bundel laat ondergaan, is voor mij tevens een metafoor voor de positie van de dichter in de moderne samenleving. Een dichter heeft zijn sensoren op de werkelijkheid gericht, maar blijft daarin van nature een buitenstaander. Wat hem onderscheidt van de oplettende lezer, is zijn distantie tot diezelfde werkelijkheid en zijn scherpe waarneming en verwoording ervan. In die positie manoeuvreert hij zich in de rol van de nar die de ongewenste waarheid op tafel legt.

De bundel bestaat uit vier afdelingen: De Kuur 1, De Kuur II, Ontslag en Weerzien. Met het motto van Henri Michaux duidt Nolens meteen zijn invalshoek aan: ‘Wie zijn zot verstopt, die sterft zonder stem.’ In zijn kruistocht tegen een dwaas systeem waarin de mens zichzelf uit het oog dreigt te verliezen, wenst hij zich te keren. Het systeem in dit gedisciplineerde ‘kuuroord’ is exemplarisch voor veel systemen waarmee we onze samenleving op een technocratische manier hebben opgetuigd.

In de eerste afdeling ‘De Kuur I’ komt de nieuweling binnen: ‘Gefluister, lachen en stiltes kringelen/ boven tafels,/’. ‘Tientallen zwijgende koppen’ volgen hem naar zijn plek. Met elkaar vormen de patiënten ‘een doelgroep van losgeslagen figuren.//’. Ze raken in de kortste keren geanonimiseerd: ‘Geen klank, geen kleur brengt ons in beeld.//’. In zes disticha per gedicht vertelt Nolens ons uiterst compact een op een middeleeuwse moraliteit lijkend verhaal in verzen.
In een vrieskou van bezoekers en hulpverleners groeit in het lyrisch subject de wens: 

Genees ons van hen die ons blijven verwekken, verkoel
de koorts van chronische geboortepijn.

 
Niemand kijkt hen aan. Ze kijken blind naar buiten.
 

Stethoscopen betasten en testen ons ademloos
luisterend. Horen zij, weten zij veel hoe wij heten.

 
In die anonieme sfeer wordt in twee maanden tijd
 

geen letter meer aangeraakt op papier.
Men leert ons hier eten en slapen. En schrijven is slecht.
 
Praten, dat kan. In de groep. Alleen is verdacht.
Met zijn tweeën mag ook. Op de gang. Maar niet in de kamer.

 
En daarnaast is er de groepstherapie met mensen van diverse komaf:
 

Vanochtend begon een groep aan zijn schreeuwtherapie.
En al dat lawaai is niets dan opzichtige stilte.

In dat lawaai openbaart zich een stilte die juist daardoor meer opvalt dan wanneer het stil zou zijn geweest. Het is een hartverscheurende stilte.
We zijn ondertussen voedsel geworden voor de behandelende geneesheren:
 

men maakt uren
in groepsverband en ze vullen ons langzaam met weerzin.

 
Het enige dat rest, zijn de dromen van de nacht die ‘ons luizenbestaan op de been’ houdt. Heeft de dokter met zijn schreeuwtherapie wel het juiste middel in handen of zijn de patiënten hun eigen ‘hartspecialisten en hersendeskundigen’?
 

Men wordt hier een groep in de greep van zijn eigen verwarring.
Uitersten maken solisten als wij solidair.

 
Toch behouden deze ‘solisten’ hun
 

trots als ervaringdeskundigen
van het verdriet, al schaamt het zich voor uw compassie.  

Niet in deze ‘marginalen’ schuilt het tekort, maar in u, de artsen. Deze krijgen dan ook het advies:
 

Ontvang onze groep in het diepste geheim van uw privacy.
Neem ons de maat met de grootte van heel uw tekort.

 
In de tweede afdeling ‘Kuur II’ vervolgt Nolens met vijftien Perzische kwatrijnen, elk van een afzonderlijke titel voorzien. Deze kwatrijnen hebben het specifieke eindrijmschema aaba en vormen gedichten met een aforistische inslag die elk voor zich kunnen bestaan. ‘Geen glazen kooi kan dicht./’ Onze trots kan niet gekooid worden op deze plek waar caritas ons heeft opgesloten en waar wij ‘groepsgewijs alleen van hand tot hand’ gaan.
De groepsdynamiek is zo bedreigend dat de identiteit van de ik gedurig ten onder dreigt te gaan. Gelukkig ‘sliep [ik] nog niet in een groep. Jij wist nog wie ik was./’. Een straf dagritme regeert de levens van deze ‘gevangenen’. Denken aan terugkeer in de samenleving boezemt vrees in: ‘Ook wij zijn als de dood om u een hand te geven./’.

Nolens weet treffend allerlei begrippen die bij de ‘inrichtingscultuur’ horen om te smeden tot wapens van verzet tegen de manier waarop wij met elkaar het leven hebben ingericht: ‘De code is geheim. En die vergeet ons niet.//’. In plaats dat de dokter de patiënten met zijn houding, optreden en diagnoses een oor aannaait, hebben de patiënten zich zijn ego aangemeten. In dat isolement blijft het verlangen naar een vrouw aan de telefoon overeind: ‘Haar antwoord woelt ons bloot.//’. En is er af en toe ’s morgens ‘soms schrijftherapie. Wij moeten ons eerlijk noteren./’. Schrijven en dichten als therapie om in leven te blijven, en zich ertegen te weer te kunnen stellen: ‘Wij moeten genezen door ons aan een pen op papier te bezeren.//’. Hier spreekt de dichter als marginalist tot zichzelf.
           
De derde afdeling ‘Ontslag’ kondigt het vertrek uit de inrichting aan. Ze voelen zich uitgedrevenen:
 

Ik zie pijn daar nog staan op straat
op die stoep waar zij maanden geleden
mijn mond had afgegeven,

 
Ze worden nu verdreven uit hun opsluiting:
 

Ik kom ze morgen weer tegen,
men woont in een wond die niet went.

 
Er manifesteert zich in deze afdeling een nadrukkelijke distantie van de ik tot zichzelf:
 

Praat met je.
Blijf met je praten.
 
Wie lang met zich praat ondergaat een verhoor
in den vreemde.

 
Om de situatie scherp in beeld te brengen depersonaliseert Nolens degene die vertrekt uit zijn opgesloten zijn:
 

Blijf bang.
Blijf bang en blijf bij je.
[…]
Bestempel je toekomst
met omgangsvormen van afscheid.

 
De titels van de gedichten geven deels een gebiedende wijs aan: ‘verhoor’, ‘doorsta je’ , ‘ren’, ‘zwijg’ en ‘verwees’. Zo dien je het leven opnieuw binnen te gaan. Vol goede voornemens. Als begeleiding is er nog even een brandbrief met als kenschets van de ontstane situatie de metafoor van

De vis uit het stromende zwart
van zijn diepte wat licht. En doe dat alleen.
Men kan dat alleen maar alleen.
En komen ze, geef het dan
af.

 
Dan blijkt het verhaal weer van voren af aan te beginnen, zoals het leven eerder ooit begon:
 

Wat voor leven was dat?
Welke zelfde spijker?
Hij had geen flauw idee.
 
Zijn leven nam op het leven
slaand ons leven de maat.
En iedere slag klonk raak.

 
 De vicieuze cirkel van het onontwijkbare lot.

De laatste afdeling ‘Weerzien’ geeft een weerzien met het vroegere leven en de geliefde. Haat, verdriet en zwijgen overheersen het samenzijn:
 

De man en de vrouw verzwijgen elkaar.
 
Verdriet is vandaag ene tersluiks gelezen klassieker,
een ingesleten, geheime gewoonte.

 
Nolens weet zo personifiërend over deze diepgelegen emotionele verwikkelingen te schrijven, dat hij ze ver voorbij het clichébeeld weet te brengen. Zoals hij het verlangen van de teruggekeerde weet te verwoorden is ontwapenend:
 

En mijn eerste natuur is een levendig kind ongeboren.
Het speelt in het donker nog steeds met zijn moeder,
beschut en warm, geen ingeslikte traan.

 
De schroom tussen de geliefden na zo’n lange scheiding krijgt haar subiele aanduiding in woorden als
 

Je hangt je jurk over de stoel en kunt niet naakt
voor mij verschijnen, slimme
sluiers van herinneringen kleden je lichtjes
dansante manieren van gaan.

 
De dichter gaat niet alleen tastend zijn weg door de gevoelvolle en pijnlijke ervaringen van de teruggekeerde patiënt, maar weet ook trefzeker de toetsen van zijn taalinstrument te raken. Het weerzien is tevens een voorbereiding op het naderend afscheid van de wereld: ‘het is voor iedereen mijn beurt om door te gaan.’//’.  De laatste afdeling maakt de bundel voor mij ook tot een bundel van liefdesgedichten op het leven:
 

En komt zij straks terug,
dan trekt zich de contour van deze stad weer strak
om ons en worden wij het centrum van elkaar.

 
Nolens is als winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren (2012) wederom zeer goed in staat gebleken om een thematisch knap doorgecomponeerde bundel te maken. Strak en doordacht opgebouwd als een tocht van Orpheus door de bovenwereld, met uitzicht op een mogelijke verlossing met Eurydice na zijn dood. Op een besliste en genadeloze wijze stelt hij de ontmenselijkende positie van de mens levend in de marge aan de kaak. Ze kunnen enkel op onbegrip en bevoogding rekenen. Deze meest sensibele mensen worden van hun identiteit ontdaan door een systeem dat er zich op voor laat staan ze opnieuw doorgang en genezing te verlenen tijdens hun leven. Ik heb de bundel niet alleen gelezen als een intelligente aanklacht tegen het door en door bureaucratische hulpverleningssysteem dat we met elkaar hebben opgebouwd en in stand wensen te houden, maar ook als een aanklacht tegen de geïndividualiseerde samenleving. We doen daarover dag aan dag het zwijgen toe. Daarbij past een titel als een ‘opzichtige stilte’. De wereld vol paradoxen.
 

***
Leonard Nolens (1947) publiceerde in 2009 Dagboek van een dichter 1979-2007. In 2012 verscheen Manieren van Leven 1975-2011, de zevende editie van zijn verzamelde gedichten.

Recensie van Manieren van leven. Gedichten 1975-2011 - Leonard Nolens

Het is niet mogelijk om niet mezelf te zijn

Leonard Nolens
Manieren van leven. Gedichten 1975-2011
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido
2012
ISBN 9789021442167
€ 39,95
1228 blz.

Leonard Nolens heeft over de bundeling van zijn poëzie nooit te klagen gehad. Niet alleen verschenen er meer dan twintig losse bundels, ook werden zijn gedichten in de loop der jaren diverse keren verzameld uitgegeven; twee keer onder de titel Hart tegen hart en in 2004 als Laat alle deuren op een kier.
Ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag én zijn veertigjarig schrijverschap gunt Querido hem met Manieren van leven een mooie nieuwe uitgave van zijn verzamelde gedichten. Het imposante boek bundelt alle achttien tussen 1975 en 2011 gepubliceerde bundels, van Twee vormen van zwijgen tot en met Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen, inclusief Bres (2007), dat vrijwel geheel bestaat uit in eerdere bundels opgenomen reeksen. Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973) heeft Nolens altijd buiten de verzamelde gedichten gehouden; hij spreekt in zijn korte verantwoording van een ‘begin […] waarin men woorden heeft en nog geen taal’.

Wie Nolens’ 1200 bladzijden poëzie heeft gelezen en dan nog eens terugkeert naar de flaptekst, moet vaststellen dat de daar gegeven typering dat we te maken hebben met veeleisende poëzie met een opvallend persoonlijke, expressieve component, juist getroffen is. Alleen is de vaststelling dat ‘een lichte vorm van retoriek niet wordt geschuwd’ een duidelijk understatement.

Anderen zeiden het los van hun overduidelijke waardering van dit dichterschap duidelijker. Annemarie Musschoot sprak van een dionysische woordroes, van de onbeschroomde pathetiek van de zelfbelijdenis, Yves T’Sjoen vond de particuliere belijdenislyriek met de voortdurende problematisering van de eigen identiteit artificieel, gezocht pathetisch en hoogdravend en Ed Leeflang sprak van verbale overvloed, exhibitionisme en gekunsteldheid.

In een moeite door wordt met het wijzen op ‘zelfbelijdenis’ ook de persoonlijke component dominant verklaard. Frank Hellemans hanteerde eerder de mooie term zelfenscenering en Dirk de Geest stelde vast dat alles monomaan, obsessioneel cirkelt rond het Ik, de Taal en de Ander. Een drietal dat trouwens regelmatig samenvalt. ‘Wie plaats wil nemen in de stem van een ander, hij verandert in zichzelf’ schreef Nolens zelf. Al zei hij ook ‘Ik verschil zoveel van mezelf/ Als ikzelf verschil van een ander.’
Talloos zijn de passages waarin Nolens zijn verhouding met de poëzie verwoordt: ‘De poëzie heeft mij mogelijk gemaakt’, ‘geschapen, uit mijn werk moet ik voortaan ter wereld komen’, ‘Ik schrijf mijn eigen leven en mijn eigen leven schrijft mij.’

De eerste gedichten in Manieren van leven, afkomstig dus uit Twee vormen van zwijgen (1975), geschreven door een dichter die zegt ‘ten dade opgeschreven’ te zijn, laten bijna wellustig taal, leven, dood en ik-beleving samenvallen. Het is poëzie die met grote nadrukkelijkheid als zodanig wordt geëtaleerd. Neem de eerste strofe van het titelloze gedicht op blz. 31:

Ik, Dichter, klokkenist
met de verjaarde vingerzetting
in het karnen van de wijzers opgeschort
tot wichel en windhaan, mene tekel
kraaiend in vervaltermijnen van mijn lijf
dat naar de dood staat opgedanst –

Het is even ernstig als geëxalteerd, in zijn woordspelerigheid (de dichter dreigt ‘door de mond’ te vallen), bijna woorddronken en naast poëticale opvallend veel seksuele connotaties.
De inzet is voortdurend hoog: ‘Ik geloof in het boek dat slaags raakt met zijn lezer.’ ‘De woorden leven en wij niet’, schrijft Nolens in Incantaties (1977), waarin hij bij voortduring zijn onvoorwaardelijke keuze voor de poëzie verwoordt, die hij definieert als ‘Het harde lange klagen dat een mens/ In zijn gebrokenheid verzoent met zichzelf.’ (‘Roes’). Het is iets dat telkens opnieuw bevochten moet worden, want in de proloog van Hommage (1981) schrijft hij: ‘Ik wil mijn persoonlijke verhaal.// Maar ik heb geen geheim. Ik ben een geheim.’ Dat te achterhalen en te verwoorden is de hoge inzet van zijn werk. Gedicht na gedicht draait erom, tot hij moet vaststellen: ‘Woord, ik hou van je, ik hou van je, te veel, en haat mezelf daarom.’ .

Vertigo (1983) kent, gebed in een grote taalrijkdom, een haast duizelig makende mate van zelfreflectie, maar door al dat beschouwende in gesprek zijn met zichzelf dreigt het leven zelf er bij in te schieten: ‘Leven, je bent nog met me bezig en ik krijg je niet te zien.’ (‘Utopie’). Niet dat Nolens wereldvreemd is, verre van dat, maar de buitenwereld krijgt pas in latere bundels een prominentere plaats, en zal nooit dominant worden. Het hoeft ook niet, want Nolens noemt dichters ‘zij die het onzichtbaar deel// Van de geschiedenis in kaart hebben gebracht’.

Nolens’ dichterlijke bestaan – zijn énige bestaan wil hij doen voorkomen – zou je kunnen omschrijven als een duaal bestaan zonder de vaak inherente gespletenheid. Hij noemt zich ‘de tweede vader van mijn eigen leven’, hij heeft het over ‘schaduwboksen met mezelf’ en over ‘schaken met de ander die ik worden wou’, waarbij die ander dan wel de stukken had, maar het is nooit zo absoluut, dat het een zaak van leven of dood is. Eerder valt het allemaal in de categorie ‘dichterlijke vrijheid’ en dat is misschien ook de reden dat te veel Nolens lezen in te korte tijd tot een bepaalde verzadiging leidt. Regelmatig bekruipt je toch het gevoel dat het hele en wel degelijk superieure bouwwerk in feite een cerebrale pose is. En hij lijkt het zelf te weten:

Je zit in een kamer en denkt aan je leven.
Je leven denkt aan je leven.
Je denken denkt aan je denken.

uit: ‘Een kwartet van grote woorden’, De gedroomde figuur (1986).

Geboortebewijs (1988) is een van Nolens’ somberste bundels. Drank en isolement gaan er een combinatie in aan met ‘schuldige liefde’: ‘Hoe ver mag ik gaan, hoe ver in alleenzijn, hoe diep,/ En zonder dat ik straks uit haar gezicht verdwijn?’
Liefdes verklaringen (1990) is een bundel waarin dood en erotiek centraal staan. De lezer wordt begroet met een ‘Lectori Salutem!’ en wordt voorgehouden: ‘lees me helemaal of lees me niet.’ Het is een aansporing die niet overbodig is, want Nolens geeft zijn lezers weinig lucht; uit alles spreekt zo’n dwingende intensiteit dat het soms te veel dreigt te worden. De liefdesgedichten in Tweedracht (1992) zijn dan ook meer dan welkom. Verwacht bij Nolens echter geen zwijmelende romantiek:

Liefdes oevers

Afstand en afscheid nemen is de geile metafysica
Van mannen die hun liefde heet en vochtig houden
Op een verre plek, en zo hun dagen koken.
Weggaan, met de deuren slaan, is pure dweperij
Van vrouwen die hun minnaars hebben ingeslikt
En louter godsdienst maken van hun zwellend lijf.

Ik ken die twee, ze zijn alleen, maar voor elkaar.
Ze hebben tijd, dezelfde, maar op gronden die verschillen
Als de oevers van dezelfde hemelsbrede stroom.
In dat water liggen zij afgrondelijk gespiegeld
Het verstrijken te bekijken, het bekijken te verstrijken.
En geen mens die weet wat in die twee gevaren is.

Honing en as (1994) is een van Nolens’ sterkste bundels. Hij is opnieuw zeer persoonlijk, het gezin staat centraal en afscheid is er een belangrijk thema in. Hoogtepunt is de sonnettencyclus ‘Achttien’: ‘Ik ben altijd achttien. Ik heb geen keus gehad./ Ik zit altijd met pils en wrok en sigaretten/ In de lege kamers van een vreemde stad/ En zie de ouders in de straten messen wetten.’ In sommige gedichten is hier de zeggingskracht bijna gelijk aan die van Achterberg.
En verdwijn met mate (1996), de eerste bundel met een afdeling ‘Bres’, toont de maatschappijkritische kant van Nolens. Ook zijn baldadige, zoals in ‘De muze schrijft haar vriendin’, waarin de vrouw van de dichter zich terecht mag beklagen over ‘dat zwijmelende prul’, dat ‘waardeloze ‘drankorgel’ dat haar man is. Maar een dichter zou geen dichter zijn als hij niet alles weet te verzachten, er liefdesgedichten tegenover stelt, zoals het schitterende ‘Nieuwjaarsbrief’:

Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank je voor het oude.
Mijn jaren duren lang en die van ons zijn kort.
[…]

Die dag in maart dat jij mij langzaam overkwam
Is ook vandaag mijn zon. Hij sneeuwt de kamer onder
Met herinneringen die wij worden, warm en koud
Zijn wij voortaan elkaars geheugen en vergetelheid.
Ook straks gaan wij gearmd en stil dit wit in daar.
Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank je voor het oude.

In toenemende mate dringt in volgende bundels de wereld binnen, maar Nolens, ‘de eendagsvlieg met eeuwigheidspretenties’ blijft ook onverminderd trouw aan zijn centrale thema’s. In Voorbijganger (1999) formuleert hij ze nog maar eens: ‘Het is niet mogelijk om niet mezelf te zijn.’ En daarbij is hij ‘een zoon die met nekpijn omhoogkijkt/ Naar een afgrond waar zijn ouders in hem slapen.’
Manieren van leven (2001) brengt behalve het afscheid van Missenburg, de geïsoleerde schrijfplek die zo vaak in de gedichten genoemd werd, gedichten over jeugd, vaderschap en erotiek (‘L’origine du monde’ mondt treffend uit in wat door Gustave Courbet ooit zo plastisch werd afgebeeld).
Steeds vaker moet de binnenwereld het opnemen tegen de buitenwereld, zoals in ‘De kapitein van de Koersk’. Ook de zelfontluistering speelt weer in rol, het sterkst in ‘De drinker’, dat de lezer achterlaat met plaatsvervangende schaamte.

In Derwisj (2003) staat de poëzie centraal. De bundel opent met een poëticale ‘brief’ aan Dirk van Bastelaere en bevat verder o.a. 33 gedichten over de bezielende kracht van de poëzie. ‘Bres IV’ treffen we hier ook aan, waarin Nolens een onbarmhartig beeld schetst van zijn generatie: ‘Wij waren de zwijgers na mei vijfenveertig./ Wij waren de zwijgers van mei achtenzestig./ Wij waren niet eenvoudig./ Wij waren eenvoudig niet.’ Hij drukt er mede zijn persoonlijke failliet in uit.

Wie mocht denken dat bij het naderen van de zestig de behoefte om over het eigen leven te schrijven zou afnemen, komt bedrogen uit. In Een dichter in Antwerpen en andere gedichten (2005), begint hij doodleuk nog maar weer eens met zijn eigen geboorte op 11 april 1947, om vervolgens in zestien gedichten naar de conclusie toe te schrijven dat de essentie van het leven is dat er geen essentie is en dat dat inzicht beschouwd kan worden als de essentie van ‘de blinde ziener Nolens’, zonder wie die essentie er niet zou zijn. De cyclus eindigt met een regel van Leopold: ‘Het enige onbetwijfelbare, het voelen van het eigen ik.’

Na Bres (2007), waarin zes reeksen uit vijf vorige uitgaven werden hergegroepeerd tot een bundel die algemeen beschouwd wordt als het hoogtepunt van Nolens’ oeuvre, verschenen in het ijzeren ritme van om het jaar iets nieuws nog twee bundels: Woestijnkunde (2009) en Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011).
Het zijn opnieuw mooie bundels, waarin hij de ‘nestgeur van vroeger’ nog altijd niet schuwt, al ziet hij zichzelf meer en meer als de regisseur van het stuk waarin hij zelf een ‘zwijgende bijrol’ speelt. Favoriet blijft het oude adagium ‘Vandaag beproef ik weer het prachtig fatsoen/ Om met mezelf te praten over mij.’ Nergens zegt hij het bondiger dan in ‘Inertie’, waarvan de eerste en laatste strofe luiden: ‘Het moet gezegd’ – ‘Ik moet gezegd.’
Opmerkelijk is dat de erotiek zich ook in deze bundel nog sterk opdringt en Nolens zich in het schrijven daarover kennelijk steeds vrijer voelt. Neem ‘Vingers’, dat beschrijft hoe ‘een juiste vingerzetting vlees […] hoog kan laten zingen’. De eerste strofe beschrijft die vingerzetting zo gedetailleerd dat je toch even de andere kant wilt uitkijken. Wat geen fatsoenskwestie is, maar een gevolg van het feit dat in de loop van al die gedichten de personages zo van vlees en bloed geworden zijn, dat je als lezer tot de intimi behoort. Die wil je niet en flagrant délit betrappen.

In de voorlopig laatste bundel blijft Nolens onveranderd zichzelf. Hij blijft zich rekenschap geven van zijn verhouding tot de vader en de moeder, heeft het overlijden van zijn broer te betreuren, overziet zijn werk (‘wij zijn een dik dagboek geworden’), schrijft een aantal gedichten voor andere dichters.
Als je terugbladert naar het begin van Manieren van leven, valt op hoe consistent Nolens in zijn manier van schrijven gebleven is. Het epaterende van het begin heeft hij losgelaten, maar aan de onmiskenbaar eigen toon is in de loop der jaren weinig veranderd. Aan zijn thematiek evenmin.
Door alle bundels heen is de constante: Nolens schrijft over Nolens. Nolens volens? Kennelijk. Zijn werk is in ieder geval een gigantisch, haast maniakaal volgehouden ecce homo. Hij betrekt daarin nadrukkelijk het gezin waaruit hij komt en dat hij zelf vormde, een familie waarvan de leden zo vaak genoemd worden dat ze de lezer bijna eigen worden. Vader, moeder, broer en zussen, vrouw en zonen, ook zij leven hun leven hier ‘verzameld’ verder onder de paraplu van Nolens’ vaste motieven: isolement en eenzaamheid, erotiek en dood, geloof en ongeloof, drank en slapeloosheid.

Tot slot. Er vallen bij Nolens heel wat schrijversnamen, buitenlandse en Nederlandse. Ik noteerde Achmatova, Bashō, Berryman, Brodsky, Celan, Chamfort, Dante, Hölderlin, Jarkko Laine, Majakovski, Mallarmé, Osip en Nadja Mandelstam, Miłosz, Neruda, Novalis, Pavese, Pessoa, Petrarca, Rilke, Rimbaud, Vallejo en Zagajewski, Achterberg, Claus, De Coninck, Faverey, Gilliams, Hadewijch, Leopold, Van Maele, Ouwens, Slauerhoff en Vasalis. Er zullen er vast nog wel een paar aan mijn aandacht ontsnapt zijn. Het is, ook voor de omvang van het werk, een hoge score en een bewijs te meer hoezeer Nolens’ wereld een taalwereld is.

***
De bundel Liefdes verklaringen werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs 1991, in 1992 in België met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie. Voor zijn gehele werk (dichtbundels en dagboeken) kreeg Nolens in 1997 de Constantijn Huygensprijs, voor Bres de VSB Poëzieprijs 2008.