Recensie van Monniksoog - Cees Nooteboom

‘Beste Phaidros, waar ga je heen en waar kom je vandaan?’

Cees Nooteboom
Monniksoog
Uitgever: Karaat
2016
ISBN 9789079770311
€ 17,95
48 blz.

Zelfs de tekst van het nawoord is van een grote schoonheid. In zijn vertrouwde bedachtzame stijl, waarbij elk woord precies op zijn plaats staat, maakt Nooteboom ons deelgenoot van zijn dilemma: ‘hoeveel moet je vertellen of uitleggen, hoeveel geheimen die voor het maken nodig waren mag je voor jezelf houden als je denkt dat ze wezenlijk waren?’ De lezer is gewaarschuwd, zeker als hij dit nawoord, simpelweg ‘Monniksoog’ geheten, leest voor hij de bundel betreedt. Mag hij wel verstrooiing vinden in deze gedichten, of wordt hij uitgedaagd tot een spelletje Pokémon GO voor intellectuelen?
Er zijn aanwijzingen genoeg. We lezen in nr. 18: ‘hier lopen twee mannen met daartussen vier / eeuwen, ze hebben het over de ziel, (…) Je hoort die twee stemmen, frans, italiaans, / in de wind op de landweg’. Het nawoord verklapt dat het hier over Valéry en Da Vinci gaat, maar dat zijn slechts namen. De mannen in dit gedicht zijn voor de dichter vertrouwd gezelschap. Hij zet hun gedroomde gesprek voort, en er is haast bij: ‘het gedicht van de twijfel / of het bewustzijn bestaat, en wanneer het dan // sterft zonder meer.’

Het gaat in deze gedichten niet om de antwoorden, maar om de vragen die worden opgeroepen. De vorm sluit daar nadrukkelijk bij aan. In Monniksoog hanteert de dichter een vrij vaste vorm. Of misschien wel een vaste vrije vorm. Drie kwatrijnen en een halve regel. De kwatrijnen zijn niet strak metrisch, en veelal zonder rijm. Soms lijken de zinnen wat willekeurig afgebroken om in het visuele beeld van de strofen gegoten te kunnen worden. Voorop staat de uitgesponnen gedachte, die al zoekend onder woorden wordt gebracht. Die paar losse woorden op de verder lege laatste regel lijken te onderstrepen dat het gedicht niet af is, dat de gedachte verder gaat.

27

Waarom laten de doden ons niet met rust?
Ze strooien hun namen over de weg
waarop wij moeten lopen, ze doen hun
dichtregels in onze laatste slaap voor de ochtend

waarna ze weer weg zijn, afwezig alsof
het een beroep is, afgewend, oogloos,
verborgen in hun eigen jargon, het dialect
van doden onder elkaar, zonder

toegang voor ons, een ras zonder paspoort
of stem dat in onze herinnering inbreekt
zonder ooit een afspraak, naast ons loopt
of op de rand van het bed zit waarin ze

ooit lagen.

Na deze laatste zin kunnen we het gedicht hernemen: ‘Waarom laten de doden ons niet met rust?’ Mooi hoe het ‘strooien’ van hun namen associaties oproept met het verstrooien van as. Het is het bekende thema van de ouder wordende mens, die met steeds meer doden te leven heeft: ‘Elke nacht omringd door mensen / die niets meer omringen / dromen van wie niet meer dromen / of niets doen dan dat’ ( Ellen Warmond, ‘Um Mitternacht hab’ ich gewacht’). Verontrustend is, dat de doden zelfs op de rand van het bed (‘waarin ze ooit lagen’) komen zitten. De dichter ligt immers in ditzelfde bed terwijl hij de dromen van de ‘laatste slaap voor de ochtend’ van zich afschudt. En waarschijnlijk realiseert hij zich opeens, dat ook hij een schim zal worden die bij anderen op de rand van het bed zit, dat de doden hem zijn voorland tonen.
Ik struikel over ‘ze doen hun’ in de derde regel. Een kinderlijk gebruik van ‘doen’, doe je best, doe je ogen maar dicht, doe je jas aan. Het doet de strofe geen kwaad wanneer we hier het meer voor de hand liggende ‘stoppen’ schrijven, het gedicht lijkt een dergelijke ingreep te verdragen. Er is geen vast metrum of aantal lettergrepen per regel, geen rijm dat doorbroken wordt. Het gaat om de inhoud, om de beelden.

Monniksoog is te lezen als een bundeling van 33 losse gedichten, maar ook als één enkel gedicht over een dichtersleven, over een oereiland, en over de – bijna oosterse – verstilling die je kunt aantreffen op duin, strand en schelpenpad,’ zo wordt ons beloofd door de uitgever. De gedichten verhalen van een hallucinerende tocht over nachtelijke eilanden, waarin ‘een ik die hij is, een hij die ik ben’ overleden familieleden en vrienden tegenkomt, en gesprekken opvangt van door hem gekoesterde schrijvers die door de duinen dwalen. Gesprekken over de ziel, over oorsprong en bestemming, de vraag wie je bent.
Soms ligt de surrealistische sfeer er wat dik bovenop: ‘Mijn broers waren doorzichtig. / Ik zag het pad door ze heen.’ Over Phaidros en Sokrates maakt hij een anachronistische grap: ‘Ze staan even stil / op het duinpad om een sigaret op te steken,/ maar als ik een foto maak staat er later niets op’. Nooteboom zou Nooteboom niet zijn als hij zich niet hyperbewust zou tonen van deze dubbelheid: ‘Nu moest ik kiezen, tussen / het echt van de struik, de droom van de steen’.
In zijn nachtelijke omzwervingen graaft hij niet alleen in zijn eigen verleden, maar buigt hij zich ook over de oorsprong van de menselijke beschaving: ‘Niemand had ons bedacht, wij zaten in het gruis / van de eerste seconde’. Het ene moment word ik het verhaal in getrokken, het volgende moment blijf ik hangen bij een gedicht dat krachtig genoeg is om op zichzelf te staan.

Op zijn tocht over de eilanden worden veel vragen opgeworpen: ‘Wie hij was vroeg de kraai boven de berken, / maar hij wist geen antwoord’; ‘ze hebben het over de ziel, hoe / moeilijk die het vindt het lichaam alleen te laten / als het sterft’. De dichter lijkt zich in een schemertoestand te bevinden, en ziet de film van zijn leven aan zich voorbijtrekken. ‘Op het strand vind je alles (…) je verleden zonder de namen, een moeder (…) wie je wou worden en wie je niet werd’.

Nu vlieg ik, mijn vleugels hoef ik niet te bewegen, een man
van wind ben ik, en daar zie ik mijn andere lopen, beneden,
een man als een hond met zijn neus naar de
aarde, en ik zweef hier met tussen mijn tanden een lied

dat ik nooit heb geleerd.

Monniksoog is het verhaal van een oudere dichter die terugkijkt op zijn leven, maar dat is het niet alleen. ‘Verdwijnen’ is altijd al een belangrijk thema in het werk van Nooteboom geweest, vaak gekoppeld aan het thema ‘identiteit’. In Rituelen worden we deelgenoot van het verlangen van één van de hoofdpersonen om zijn identiteit, en tenslotte zelfs zijn bestaan, uit te wissen. Het boekenweekgeschenk van 1991, Het volgende verhaal, speelt zich af in een soort overgangswereld tussen leven en dood, waarbij de passagiers van een schip op de Amazone één voor één hun levensverhaal vertellen alvorens in het niets op te gaan. En de hoofdfiguur van Allerzielen (1998) is een cameraman die het tot zijn levensdoel heeft gemaakt om juist de dagelijkse, niet opzienbarende verschijnselen in de wereld voor vergeten (verdwijnen) te behoeden door deze op film vast te leggen.

Aan het eind van de bundel komt de dichter terug wij zijn vertrekpunt op Schiermonnikoog: ‘voorbij de uiterton, in legendes van stuifdijk / en zandbank, gefluister van Willemsduin / in de golven over Wantij en Rif, / een sluimerketting van naam en vergeten // waarin iemand verdwijnt’. Juist dan wanneer hij zijn omgeving nauwkeuriger waarneemt en beschrijft worden de gedichten krachtiger en toegankelijker. ‘Wind, het eerste licht, / de ochtend vol gesprekken van vogels, karekiet, kluut, // fuut, taal die ik niet spreek, die ik hoor.’ De dichter die zich verwondert over de taal, de eenling, de zoeker, de reiziger. Nooteboom heeft met deze bundel een zeer persoonlijk portret, een ultiem zelfonderzoek geschreven.

***
De titel van deze recensie is de opening van de Phaidros van Plato, in de vertaling van de School voor Filosofie, Amsterdam. De Phaidros (in het Nederlands ook vaak aangeduid als ‘Phaedrus’), is een dialoog tussen Sokrates en één van zijn leerlingen waarin Plato allerhande thema’s uit zijn filosofie aansnijdt, met name het wezen van de taal, de eros en de retorica. In veel gedichten uit Monniksoog verwijst Nooteboom naar dit werk of reageert hij op denkbeelden hieruit.

Recensie van Licht overal - Cees Nooteboom

De adem waarvan ik leef

Cees Nooteboom
Licht overal
Uitgever: De Bezige Bij
2012
ISBN 9789023474685
€ 19,90
96 blz.

De selectieve bibliografie op de site www.ceesnooteboom.nl/ maakt melding van een kleine zestig titels, waarvan alleen De Bezige Bij al er nog ruim veertig aanbiedt. Romancier, reiziger, dichter, kunstbeschouwer Cees Nooteboom (1933) is een veelschrijver, maar in zijn geval is het ongepast aan de pejoratieve betekenis van het woord te denken. Vertaald in een kleine dertig talen, eredoctoraten in Brussel, Berlijn en Nijmegen en belangrijke literaire prijzen wereldwijd (de site noemt er 26, waarvan 13 in Nederland) bewijzen dat hij algemeen erkend wordt als een auteur van bijzondere klasse, die ook als dichter met regelmaat en consistentie een imposant oeuvre heeft opgebouwd.
Wie hem als zodanig nog moet leren kennen, kan op zoek gaan naar Vuurtijd, ijstijd. Gedichten 1955-1983, naar het in 2000 verschenen Bitterzoet. Honderd gedichten van vroeger en zeventien nieuwe, of begint meteen met Licht overal, de eerste volwaardige nieuwe bundel na dertien jaar.

In 2004 publiceerden Cees Nooteboom en Remco Campert bij Atlas het bundeltje Over en weer. Gedichten als brieven, een briefwisseling in de vorm van gedichten. Nooteboom nam in zijn nieuwste bundel zijn aandeel op, kennelijk omdat de gedichten, al zijn ze dan al al wat ouder, hun geldigheid voor hem niet verloren hadden. Dit is er een van:

2.

En vannacht, in de stenen stilte
van mijn kamer, het huis op het eiland,
onder het web van sterren, de palmen roerloos,
kwamen die andere stemmen, Auden en Frost
en Elisabeth Bishop, Pound en Cummings
en Sylvia Plath, woorden op mijn schouders,
in mijn haren, tegen de ramen,
dichters, gedichten,
droombeeld, verhaal, getijden
van toen, ooit, nu,
naast me, achter me, op de maat
van de mot tegen het licht, zinnen,
ooit hardop gesproken in een andere ruimte,
nu bij mij binnengelopen
als de omarming van vrienden, de monden
van al deze doden in het middelste
nachtuur,
de adem waarvan ik leef,
en jij.

Het is plaatsbepaling en verantwoording ineen. Enerzijds het bewust gekozen isolement van de eenling, doordrongen van een diep doorleefd gevoel van tijdelijkheid en vergankelijkheid (‘de mot tegen het licht’), anderzijds de gemeenschapsmens met een sterk besef van continuïteit, die stroom van verleden, heden en toekomst waarin het ‘ik’ weliswaar slechts passant is, maar zich deel weet van een talige traditie die hem heeft gevormd en die hij voort moet zetten.
Het motto van Lucebert dat de bundel meekreeg, zegt precies wat hier gebeurt: ‘maar wat je ontkracht en verwart/ niemand te zijn en nergens/ en dan nog iemand te zijn en hier’.

Nooteboom is een auteur die zich zeker in zijn gedichten rekenschap wenst te geven. En dat niet eng beperkt tot het eigen kleine particuliere bestaan, want hij is niet de dichter van de romantische ‘overflow’ die aan zichzelf genoeg heeft. Het gaat bij hem om het bestaan in de breedste zin, om zijn plaats in de beschaving, de cultuur van vroeger en nu, van hier en elders en daarom ligt zijn kracht vooral in het beschrijvende en beschouwende. Hij is in dat opzicht een ziener van de werkelijkheid, maar zonder enige profetische aanmatiging. Nooteboom is vaak een homme de lettres genoemd, een poeta doctus, een dichter die zich graag met vertoon van geleerdheid en via verfijnd taalgebruik richt tot een elitair publiek. Op sommigen komen veel van zijn gedichten epaterend over, maar dat is een onbedoeld effect van zijn onderwerpkeuze. Zo bevat Licht overal een afdeling ‘Ontmoetingen’ met daarin gedichten over Juarroz, Wittgenstein, Hesiodus, Meng Chao, Shelley, Borges, Descartes, Vergilius, Ungaretti en Wallace Stevens. Geen dagelijkse kost, maar Nooteboom is geen poseur. Hij draagt wel iets soevereins uit, en zijn gedichten houden altijd een zekere afstand. ‘Het ene gedicht heeft het andere gegeten.’ (uit ‘Het’.)

Afstand houden de gedichten ook ten opzichte van zichzelf. Zeker bij herlezing valt op hoe vaak de gedichten naar zichzelf als gedicht, als taalbouwsel verwijzen. Taal maakt geen gedicht, ‘Daar heb je een dichter voor nodig’, schrijft Nooteboom in ‘Dichter’, een voor Anton Korteweg geschreven gedicht bij diens afscheid als directeur van het Letterkundig Museum. Het is het voorlaatste gedicht van de bundel en de lezer heeft dan al lang begrepen waar het in deze poëzie om draait. In de ruim vijftig gedichten die de bundel bevat, is er maar in hooguit een stuk of tien géén sprake van een directe verwijzing naar taal, woorden, schrijven, verskunst, gedicht en dichterschap. In vijfentwintig gedichten wordt ‘gedicht’ of ‘gedichten’ zelfs expliciet genoemd. Hier is een dichter in actie die zich hyperbewust is van het schrijfproces.

Een paar voorbeelden:
In ‘Gedicht’: ‘Weet jij hoe een gedicht/ eruit moet zien?/ Onderkant, zijkant, achterkant?/ Cijfers? Letters?/ En wat voor kleur?// Moet het op golven lijken,/ en dan wat voor?/ Zee, meer. rivier?/ Moet iedereen erin kunnen,/ en wat moet het kosten?’ Het gedicht eindigt aldus: ‘Er zijn geen wetten,/ zei de Meester, soms lijken/ ze op aandelen, dan weer/ op marsepein,/ en hij danste op de marmeren trappen/ van het mausoleum// de dag voor hij stierf/ aan een vergiftigd/ sonnet.’
In ‘Trixy’: ‘Wee degenen die de meeste woorden hebben./ Zij staan tot hun knieën in de nacht,/ hun gezichtboek vol namen/ en schimmel.’
In ‘Riso amaro’: ‘Alles van woorden is echt,’.
In ‘Landschap’: ‘Dit is waar ik ben, achter mij/ volgt mijn tijd, een eeuwige voetstap/ vol woorden,’.
In ‘Penobscot’: ‘Oud zijn is dodelijk.’ – ‘De lucht om dat alles/ is het hoogste verzinsel, een leven/ dat bestaat nu het nooit meer// bestaat.’

De gegeven voorbeelden wijzen tevens op dat andere belangrijk thema, dat van de illusieloze vergankelijkheid. In een van de brieven aan Remco Campert vraagt hij zich af: ‘Waar blijft alles/ nu we er zelf nog zijn?’
Hij schrijft, zo zegt hij in ‘Handschoen, jaartal, foto’, ‘tegen de dwang van de tijdmuur,/ de wetten van nooit meer nu.’ Hij wil tijd en ruimte overbruggen, wat altijd ‘tussen daar en hier/ de muiterij van verlangen’; ‘wie mij/ niet toelaat is vijand,’.
In ‘Balling’ (over een Chinese edelman uit de zevende eeuw voor Christus): ‘Ivoor en juwelen,/ dat alles kende ik, mijn schim/ verdwijnt in een plooi van de tijd,/ niets laat ik na, fijngewreven/ tussen het gruis van de dagen/ deel ik het lot van stenen en schelpen,’.

De bundel opent met de gelijkbetitelde afdeling ‘Licht overal’, 26 gedichten die een uitbreiding vormen van een in 2007 verschenen bibliofiele bundel van twaalf gedichten met inkttekeningen van Hugo Claus. Enkele gedichten eruit kregen door de tijd, door Claus’ overlijden een bijzondere extra lading. ‘Leeftocht’ bijvoorbeeld, het openingsgedicht, waarin aanwezigheid verkeert in betekenisvolle afwezigheid: ‘En op die middag lieten zij de wereld achter’. ‘Avond’, dat over Claus’ ziekte ging en dat nu als een in memoriam voor hem is opgenomen. De daarin genoemde euforbia is dan ineens geen neutrale terrasplant meer, maar de wild woekerende wolfsmelk, berucht om het giftige melksap. (En als Nooteboom het zo niet bedoeld heeft, is het bij dezen aangereikt!). Hierop volgt direct ‘Figuur’, dat door de plaatsing achter ‘Avond’ als een rouwgedicht voor Claus functioneert: ‘De bloem van de hibiscus duurt een dag.’

Een van de mooiste gedichten uit de bundel gaat over de door Nooteboom meermaals bezochte boeddhistische kloostertempel Kozan-ji en zijn stichter Myoe (1173-1231) van wie een beeltenis in het klooster hangt. Ik citeer de eerste, vierde en vijfde strofe:

Kozan-ji, Myoe mediterend

Als ik ben verdwenen
zul jij er nog zitten,
kleine monde gesloten,
ogen gesloten vol hemelse leegte,
je sandalen onder de boom.

[…]

Altijd als ik je zie,
is een seconde vervlogen.
Zo gaat het al eeuwen, bij jou
worden jaren van tijd.
Dezelfde twee vogels,
te ver om te kennen,
de bomen die zachtjes bewegen,
steeds stiller ben je geworden,

wind, regen en sneeuw
zijn door de heuvels getrokken
terwijl jij er was en niet was.
Niets kan je beroeren
zo voor mijn ogen verloren
dat ik mij kan horen
vergaan.

De wereld is zijn klooster, zijn zwijgen zijn schrijven.