Recensie van Zweep je beste been voor - Fred Papenhove

De bekende pijn van een ongekend kind

Fred Papenhove
Zweep je beste been voor
Uitgever: Van Gennep ,Van Gennep ,Van Gennep ,Van Gennep
2011
ISBN 9789461640376
€ 17,90
38 blz.

De titelloze gedichten in de bundel Zweep je beste been voor beginnen stuk voor stuk als verslagen:

In de nieuwe klas trek je je schoenveter strak. (blz.11)

‘s Winters heb je zin in ridderverhalen. (blz.13)

De vanzelfsprekendheid van de zaken die in deze eerste regels worden benoemd, wordt in de volgende voortgezet:

Je spreekt weinig; iedere dag verlang je naar buiten, binnen geen tijd sta
je bekend als een wegwiller. (blz.11)

Tijdens het lezen rekken ze je uit, vooral de avonturen van de
onoverwinnelijke ridder. (blz.13)

Het zal duidelijk zijn dat de gedichten over een jongetje gaan en zijn ervaringen met de grote wereld.
De bundel begint met twee motto’s: ‘Poëzie heeft geen normen. Poëzie danst op de maat van het ogenblik.’ van Hugo Claus, en twee bladzijden verder: ‘Sommige mensen zeggen dat ik vroegwijs ben. Dat zeggen ze vooral omdat ze mij te klein vinden voor moeilijke woorden.’ van Juan Pablo Villalobos.

Op blz.15 lezen we:

Een hond krijg je niet, je dwaalt te veel af van de straat,
het is een wijsheid die je ontgaat. De mededeling komt
voor je gevoel als een loeiharde stomp aan, wat zou er
gebeuren als je weggaat? Wie krijgen er dan een slecht gemoed?
Je smokkelt deze opwinding niet naar buiten: zweep je beste
been voor, duw weg de kneuzing.

Zo zet het joch zijn beste beentje voor: hij verbijt de pijn van een kneuzing die hij, zijn been vooruit zwepend, achter zich laat. Tegen beter weten in; ook dat been komt weer voor. Maar niemand zal een zwakte zien.
Het is geen ‘lieve’ poëzie. Er komt veel boosheid en nogal wat geweld in voor. Vanuit een schuilplaats heeft hij met een blaaspijp op een jongen geschoten, een meisje waarover ‘gekmakend lang’ is gedroomd, wordt tegen de schenen geschopt. Dat gedichtje eindigt met: ‘De aanval zal ooit lonen.’ (blz.25)

Dat hij op deze wijze de erkenning vindt waarop hij hoopt, lijkt mij onwaarschijnlijk. Hij is eindelijk ‘gezien’, dat wel.
Enkele zaken worden lezenderwijs duidelijk: de opstand van het joch tegen de wereld van de volwassenen, omdat die hem koste wat kost klein willen houden, en zijn vlucht in de verbeelding.
Dat is waar dichter en kind elkaar raken. Die verwevenheid maakt deze poëzie uitermate boeiend; onbevangen eerlijkheid en ongrijpbaarheid gaan hand in hand, met als extra een onopvallend maar superieur vakmanschap.

Ik wil iets vermelden dat ogenschijnlijk niets met de bundel te maken heeft, maar dat mijn inziens de kern raakt, al is dat niet alleen de kern van deze poëzie.
Ik had de bundel Zweep je beste been voor twee maal gelezen, toen ik een tentoonstelling bezocht van schilderijen van Gustave Doré. In de tijd dat ik besloten had om beeldend kunstenaar te worden, (ik was twaalf), was de door hem geïllustreerde Bijbel mijn favoriete boek. En de boeken van Jules Verne verzamelde ik hoofdzakelijk om zijn illustraties. Ik was nieuwsgierig naar Doré’s schilderijen, maar strandde in een zaal met matige twintigste-eeuwse kunst. Mijn zoon kwam mij halen. Hij was onder de indruk van de grote doeken die perfect uitgelicht in een donkere ruimte hingen. Het clair-obscur van de theatrale schilderijen kwam goed tot zijn recht, maar ik kon alleen maar uitroepen: ‘Dit is verschrikkelijk! Afschuwelijk! Wat een ellende!’ In één klap was er een probleem opgelost dat mij al lang bezig hield: waarom word je van sommige kunst, poëzie, muziek, ondanks het soms opvallende vakmanschap, zo moe? Ik besefte: omdat ze veel vraagt, maar niets geeft. Ze vraagt bewondering, maar geeft niets van de kunstenaar zelf. Ze schittert, maar alleen om jouw aandacht.

Dat doet de poëzie van Fred Papenhove niet. Ze is integer en bescheiden.
Het is niet zo dat deze poëzie niets vraagt; integendeel, maar je wordt er ruimschoots voor beloond. Ze leeft, een ander woord heb ik er niet voor, en is daardoor in staat om te blijven fascineren.

Mijn enige bezwaar tegen de bundel is de omvang. Ik had gewild dat hij twee maal zo dik was. Maar ook hier weer oogst hij mijn bewondering; in een dikke bundel kun je wel een steekje laten vallen, maar je moet maar het lef hebben om met zo’n beperkt aantal gedichten te zeggen: dit is het, compleet.
Ik heb zitten zoeken naar zwakke gedichten, maar hoe kritischer ik zocht, hoe meer bewondering ik kreeg voor deze kleine prozagedichten. Ik heb er dan ook geen favoriet aan overgehouden, al kom ik elke keer aan bij het openingsgedicht dat ik dan ook elke keer van begin tot eind wil lezen:

Je houdt op ‘t strand het water in de gaten, het is een
wolf in klotsen, geen golf ligt verkeerd. Lang kan je ernaar
staren, het hebben van een eigen karakter maakt het
verschil. Waar zijn de wolken? Je ouders gebruiken korte
opmerkingen en zoeken een bruin gezicht. ‘Niet te diep.’
Mensen wrijven zonnebrand op hun karkas. Graaf een kanaal,
hou je zweet bezig, tot de laatste lichtdruppel liggen je ouders
voluit. Je ruikt om je heen, er zit zout in de lucht, je wenst een
bombardement boven zee.
(blz.9)

Geen zin ligt verkeerd.
Allerlei zaken worden benoemd die hebben te maken met zijn verlangen naar verandering, diepgang, intentie. ‘Niet te diep.’ gaat een verband aan met het inwrijven van ‘zonnebrand’ en het graven van een kanaal. Dat karkas voltooit de wat macabere visie van het jongetje, dat een werkelijke dreiging toch maar wat graag op een afstand houdt, als een bombardement boven zee.
Het hebben van een eigen karakter maakt het verschil. Dat kan niet gaan over de golven; die hebben geen individualteit. Het is het kind dat zich onderscheiden weet van alles en iedereen, en de tijd afwacht, dat hij kan leven zoals hij wil.
Je krijgt te doen met het rotjoch, of je wilt of niet:

Eens in de zoveel tijd smijt je een fles
met een briefje in zee: red me, neem me mee.
(blz.19)

Niet eerder las ik poëzie waar de wijsheid van een kind zo staat afgetekend tegen de naïviteit, de desinteresse, en de moedwillige blindheid van volwassenen. Zonder overdreven fijnzinnigheid, subtiel.
De achterflap vermeldt: ‘Fred Papenhove kruipt in de huid van een jongen van een jaar of tien.’ Ik zou zeggen: hij legt de innerlijke wereld van het kind bloot. Ik vermoed dat het feit dat onze hoofdpersoon een jongetje is er weinig toe doet. Waarschijnlijk herkent de lezeres zich even gemakkelijk in hem. En confronteert daarmee het verlangen om onbevangen jezelf te zijn met het leven in een wereld die van conventies aan elkaar hangt.

****
Fred Papenhove (Den Haag, 1956) publiceerde eerder de bundels: De Rode Soldatenvis – Poisson-Soldat Rouge (2005, Windroosreeks), Draaibaar (2007, De Contrabas) en De hemel is vol zwaluwen (2009, De Geus).