Recensie van De wilgen, de velden, het water - Augusta Peaux

Wat in den tijd verdween

Augusta Peaux
De wilgen, de velden, het water
Uitgever: Liverse
2014
ISBN 9789491034428
€ 24,50
128 blz.

De wilgen, de velden, het water bevat de ruime keuze die Mario Molegraaf maakte uit het dichtwerk van Augusta Guerdina Peaux, die leefde van 1859 tot 1944 en haar geboortejaar deelde met Jacques Perk, Willem Kloos en Hélène Swarth. Haar leeftijdgenoten waren dus de Tachtigers, en zij overleefde hen allen. Haar eerste gedicht werd gepubliceerd in 1885 en in een in 1896 uitgekomen bloemlezing was zij vertegenwoordigd met veertien gedichten, bijna net zoveel als Perk en Van Eeden samen!
Bij leven verschenen van haar bij H.D. Tjeenk Willink & Zoon te Haarlem twee bundels: in 1918 Gedichten, (2e druk 1923) en Nieuwe Gedichten, 1926. Aangevuld met een drietal latere gedichten uit De Nieuwe Gids, waaronder ‘Het oerwoud’, waarover Molegraaf spreekt als ‘het overweldigendste gedicht over de liefde dat ik ken’, telt deze bloemlezing 75 gedichten. Een deel daarvan is misschien wat gedateerd, onvoldoende bestand tegen de afstand in tijd waaraan juist het Nederlands zo lijdt, maar het grootste deel is a-typisch voor haar generatie en rechtvaardigt dat Van Vriesland, Warren en Komrij haar ruimhartig in hun bloemlezingen opnamen. Toen zij debuteerde waren de eerste bundels van Nijhoff en Van Ostaijen al verschenen, en het is geen gekke gedachte haar te zien als een dichteres die Tachtig en het Modernisme verbindt.

Een bekende naam werd zij niettemin niet, maar de echte insiders schatten haar op waarde: ‘Mej. Peaux’ werk zal ongetwijfeld blijven leven bij allen, die in de toekomende tijden wezenlijk eenig benul kunnen hebben van dichtkunst en poëzie’(Willem Kloos), ‘De zeer volkomen Augusta Peaux; er brandt in haar kleine verzen een sprank van dat kunstenaars-goud dat in alle tijden zijn waarde houdt.’ (Albert Verwey), ‘Hartstochtelijke, haast stamelende poëzie (…) eigenaardige, wilde grootschheid’ (J.C. Bloem).
Mario Molegraaf overtreft alle lof. In De eenzaamheid als dampkring, zijn lange nawoord bij de bloemlezing, heeft hij het over ‘onze grootste dichteres’, die verantwoordelijk is voor ‘een aantal van de aangrijpendste, meeslependste, verbijsterendste, mooiste Nederlandse gedichten’.

Augusta Peaux was afkomstig uit een predikantengeslacht, maar haar poëzie heeft niets christelijks of zelfs maar zoetsappigs. Zij bleef ongehuwd en er is in haar biografie – die zij zelf afdeed met ‘elle est née un jour, un jour elle mourra’ – ruimte voor speculaties over een intieme vrouwenvriendschap, want er is een levenslange vriendin; Molegraaf gaat het na, maar vindt onvoldoende sporen in haar werk, of het zou dan ‘Het oerwoud’ (De Nieuwe Gids, okt. 1935) moeten zijn. In de titel klinkt voor mij ‘Orewoet’ door, de liefdesextase.

HET OERWOUD

Liefde’s wezen is zoo teer
en ons hart is het ruige bosch
en wij weten haar daar in de wildernis
alléén en van alles los,
van alles, van wereld en schoonen schijn
om enkel te zijn wat zij is:
een vlam, een verlangen, een felle pijn,
een kreet in de duisternis.

Wie ‘t spoor in de bosschen bijster raakt
is daar aan den dood gewijd,
en liefde zwerft argeloos en naakt
door ons donkere hart en den tijd
en wij kunnen niet redden, het leven is wreed
en het lot een verscheurend dier
en angst om zijn liefde is ‘s menschen leed
door al zijn dagen hier.

Peaux leed aan depressies, was melancholiek van aard, cultiveerde de eenzaamheid, raakte aan eeuwigheid en dood. In haar gedichten geeft zij de natuur voorrang boven de mens, tot in de metaforen toe. Zo spreekt zij bijvoorbeeld niet over een lach die fonkelt als zeeschuim, maar schrijft ze ‘en ‘t vonkelend schuim is als een wilde lach’ (‘Februarimorgen aan zee’). Dat gaat net een stap verder dan een gewone personificatie. Haar gedichten hebben een sterke ritmiek en zijn vaak speels en inventief van taal. Ze doet dan aan Emily Dickinson denken, vooral als er, tot in de streepjes toe, ook nog sprake is van een onverwacht perspectief:

EERSTE NACHTVORST

‘k Heb alle bloemen zwartgebrand,
vroeg in den rooden morgen;
ik vluchtte langs den waterkant,
‘k heb mij voor de zon verborgen.

Ik ben niet wreed – maar ‘t speelsche kind,
– wat zal ik worden later? –
ik lach, als de zon mijn muiltjes vindt,
drijvende in ‘t water.

Haar faam ontleent ze vooral aan gedichten als ‘Op de verbrande hoeven melden de hanen den dag’ (over WO I), ‘Eenzaam kerkhof‘ (verreweg het vaakst gebloemleesd en met een ijzersterke slotstrofe), ‘Baarn’ (een ongemeen felle aanval tegen justitieel onrecht), en ‘Verleden’ (‘Met banden ben ik gebonden/ en ga geen weg alléén,/ mij heeft altijd gevonden/ wat in den tijd verdween.’).
Molegraaf ziet enige verwantschap met Ida Gerhardt, ik moest bij ‘In drift’ sterk aan Hendrik de Vries denken:

IN DRIFT

Uw woord was rood en bleek het mijn,
– wat sprak daar tusschen een ander –
den zilveren beker, den rooden wijn,
die namen wij van elkander.

Uw zwaard is blank en rood het mijn,
daar is bede noch vloek die ‘t verander.
Hoe is het, dat bloed en tranen zijn
begraven met elkander?

Ik kan op veel meer gedichten wijzen: ‘Rhythmus’, ‘Pensées’, ‘Najaarswandeling’, ‘Het onbegrepene’ en niet te vergeten de IJslandgedichten, waarin ze als het ware het landschap van haar ziel verbeeldt. Lees ze zelf.