Recensie van Vallende mannen - Coen Peppelenbos

Bang voor verdere schade

Coen Peppelenbos
Vallende mannen
Uitgever: kleine Uil
2011
ISBN 9789077487976
€ 12,50
48 blz.

In Vallende mannen, de tweede bundel van Coen Peppelenbos (1964), loopt het in verschillende gedichten niet goed af. In ‘Voorpijn’ overheerst de angst voor ongeluk. In ‘Zwembad’ breekt een zus haar been. In ‘Duif’ houdt iemand zich bezig met het vergassen van de meest zachtmoedige vogels die er op de wereld bestaan. In ‘2600 b.c.’ ligt de ik-figuur weerloos (‘naakt te kijk’) in een ziekenhuis. In ‘Over lichamen en rozen’ is iemand ‘bang voor verdere schade / dat het valt, breekt en deelt’. In ‘Witte massa’ krijg je een dode oma in doodskist te zien. ‘Hoe stop je verkeer?’ is het tragikomische verslag van een knullige zelfmoordactie. In ‘Geloof’, het meest indrukwekkende gedicht uit de bundel, valt een jonge student uit het raam (of was het een zelfgekozen dood?).

Peppelenbos schotelt zijn lezers geen light verse voor, dat moge duidelijk zijn. Toch is de toon van zijn gedichten licht en kun je ook hier en daar wel humor aanwijzen, zoals bijvoorbeeld in ‘Witte Veder’, een van mijn favorieten uit deze bundel:

Witte Veder

Als ik later klein word
dan wil ik graag indiaan zijn
met een fors torso boven
en een lendenlapje onder.

Mijn moeder kreeg haar eerste
wee bij de dameskapper.
Dat had een teken moeten zijn.

Ik wil een stoere naam: Dappere Bison
of Sterke Spier en van me afslaan
als de grote jongens het voetbalveld
innemen, het enige doel veroveren,
mijn broer op het gras nagelen
en van mij Hijgend Hert maken
dat om zijn moeder roept.

Waarom gaat schaamte langer mee dan geluk?

Als padvinder verdwaalde ik, elk spoor
dat ik zocht liep dood in een overvol hoofd.
Hoe kwam het dat de indianen altijd verloren
bij de strijd om het fort op zolder,
het fort van plastic palen,
ze in verhalen en op tv
altijd aan de horizon verdwenen.
Elke keer moest ik wenen,
heimelijk verliefd op Witte Veder.

Ook een gedicht waarin Coen Peppelenbos melancholie en een lichte vorm van humor weet te combineren is ‘Kangoeroe’ op bladzijde 33. De in het natte Nederland verdwaalde kangoeroe geeft een mooi contrast met de ik-figuur die zelf verdwaald is in een ‘gebouw vol competenties / persoonlijke ontwikkelingsplannen / en 360-graden feedback’. Samen kijken ze verbaasd om zich heen: ‘Hij blijft op afstand, staart roerloos terug / zonder soortgenoten, wacht / tot ik mijn capuchon opzet / tegen de regen.’ Een stemmig vers met een diepere boodschap.

Vallen is een centraal beeld in deze bundel. De metafoor van het vallen is natuurlijk evenzeer van toepassing op vrouwen als mannen, maar ik geef toe: ‘Vallende mannen’ klinkt een stuk beter dan ‘Vallende mensen’. Ontwerpbureau 247design heeft er ook een prachtige foto bij gevonden en voor deze bundel een omslag gemaakt dat op zich de aanschaf van dit boekje al legitimeert.

Wat gaat aan dat metaforische vallen uit de titel vooraf? ‘Vasthouden is de voorbode / van vallen,’ schrijft Coen Peppelenbos in een van de eerste gedichten in deze bundel (‘De valkunstenaar’ op blz. 10, n.a.v. de verdwijning in het niets van Bas Jan Ader). En hij rondt deze korte strofe af met: ‘Vasthouden / is onzekerheid in de vingers.’ In dit gedicht laat Peppelenbos het beeld op een dichterlijke manier kantelen: horizontaal wordt vertikaal, wegvaren een eindeloos vallen naar de horizon toe, die een nieuwe zekerheid lijkt na ‘de onzekerheid [die je achterlaat] bij de mensen die je uitzwaaien’. Daartegenover staat, als andere kant van de medaille: ‘Vallen is het residu / van vliegen’ (uit het gedicht met de enigmatische titel ‘Vliegen’, blz. 12). Vasthouden, vliegen, vallen – dat is het levensmotto dat uit deze ondanks alle getoonde tragiek toch montere bundel naar voren komt.

In ‘Geheime vlucht’ noteert Coen Peppelenbos: ‘alles is mooier vanuit de lucht’, waarna de ik-figuur een paar regels verder terugtuimelt naar de klei. De hemel is in Vallende mannen vaak in zicht, maar even vaak krijgt de ik in het gedicht de tragische rol van een neerstortende Icarus toebedeeld. Of hij is op z’n minst waarnemer van zo’n val. Berusting klinkt overal in deze bundel door: ‘Er verandert niets’ (blz. 14), ‘Er is niets gebeurd’ (blz. 17), ‘mensen lossen op, huizen verdwijnen / niets blijft over’ (blz. 39). Zelfs je eigen doodrijden loopt bij Peppelenbos op niks uit (in het zoetzure ‘Hoe stop je verkeer?’).

Misschien is die ondertoon van mislukking wel de reden waarom Vallende mannen de lezer in een weemoedige stemming achterlaat. Niet onprettig, vind ik zelf, maar vrolijkheid is niet Coen Peppelenbos’ core business, dat moge duidelijk zijn. Vandaar misschien ook dat het slotgedicht ‘Tot ziens’ uit de toon valt. Het veel robuustere ‘Fiemel’ (nu het eennalaatste vers) was een betere afsluiter geweest: ‘Je weet hoe je kunt verdwijnen / maar het waait te hard en de dag is te nat. // Achter prikkeldraad staat een groepje pinken / goedig te kijken. Koeien met de oertijd / in de ogen. Als het water stijgt met planken in de dijk / dan zwemmen ze zo weg richting oneindigheid.’

Uitgeverij kleine Uil, 48 blz., € 12,50. ISBN 9789077487976