Recensie van De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten - Ilja Leonard Pfeijffer

Een opvolger van Komrij: De Dikke Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer
De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten
Uitgever: Prometheus
2016
ISBN 9789044631975
€ 25,00
1434 blz.

De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer is de opvolger van de bloemlezing Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21e eeuw in 2000 en enige gedichten uit 2004. Komrij was eigenzinnig en daarom wilde Pfeijffer, juist uit respect voor hem, even eigenzinnig zijn eigen pad volgen. Dichters die bij Komrij wel voorkomen, heeft Pfeijffer geschrapt, ook dichters van wie je dat niet zou verwachten. Dat laatste geldt ook voor sommige dichters die hij wel opneemt en dat is een van de dingen die de bundel interessant maken. (In zijn Poëzie-encyclopedie heeft Bart FM Droog hiervan met de van hem bekende snelheid een heldere vergelijking gemaakt – om deze reden ga ik daar nu niet op in).
Pfeijffer vermeldt dat zijn titel misleidend is: het gaat om niet om specifiek Nederlandse, maar om Nederlandstalige poëzie, de twintigste eeuw laat hij bij de Tachtigers beginnen en hij heeft veel meer dan duizend gedichten opgenomen. De bundel eindigt halverwege 2016 met het gedicht ‘Jonge rokers’ uit de bundel Kwaad gesternte van Hannah van Binsbergen.

Een bloemlezing geeft een tijdsbeeld. In De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten uit 1979 wilde Komrij onder andere afrekenen met de hegemonie van de Vijftigers of liever gezegd: van hun epigonen. Hij legde het accent onder andere op vakmanschap, op gedichten die het verstand scherpen en amuseren. ‘Meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke ernst, de eenduidigheid en het volle leven.’ In de herziene bloemlezing uit 2004 voelde hij zich als eerste Dichter des Vaderlands echter geroepen een representatief beeld te geven van de Nederlandstalige poëzie.
Dat de bloemlezing van Pfeijffer herkenbaar zal blijven als een bloemlezing van de huidige tijd, zie je niet alleen aan de criteria volgens welke hij de gedichten heeft geselecteerd, maar ook aan een formulering als ‘zich verhouden tot’. In deze tijd verhoudt het merendeel van de dichters, lezers, beschouwers en wetenschappers zich tot bijna alles wat zich aandient; als je slechts een positie bepaalt of inneemt, ben je hopeloos ouderwets.

Welke criteria hanteerde Pfeijffer? Avontuurlijke gedichten wilde hij, ‘waarbij begrip vaker wel dan niet een vorm van vermoeden is, zoals zo vaak in het echte leven.’ Hij wilde gedichten waarin iets op het spel staat, waarin de taal wordt omgewoeld: poëzie die niet raar is, is bijna nooit goed. Verstilde gedichten over ‘gierzwaluwen en universele gevoelens’ hebben niet meer de voorkeur boven gedichten ‘die zich verhouden tot de politiek, de actualiteit en de smerige wereld buiten het gedicht (…)’. Maar bovenal ‘kunnen we niet genoeg benadrukken dat het onderwerp van het gedicht onbelangrijk is. Het gaat erom dat er iets wordt gezegd zoals het nooit eerder is gezegd.’

Een dichter als Maarten van der Graaff, van wie hij achttien pagina’s heeft opgenomen, voldoet aan deze criteria. Het gekke is dat het enige gedicht van hemzelf – een bloemlezer moet bescheiden zijn – verre van ‘raar’ is. De taal wordt niet omgewoeld, maar in alexandrijnen en gepaard rijm opgediend en daarmee plaatst Pfeijffer zich in een aloude traditie. Maar ‘Idylle 7’, uit zijn laatste bundel Idyllen. Nieuwe poëzie (2015), is een goed gedicht. Er staat veel op het spel:

(…)
Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie. We moeten onder ogen zien
dat onze knusse niche steeds knusser dreigt te worden.
Terwijl de broze poort belaagd wordt door de horden,
gaat ons debat erover hoe te masturberen.
(…)
Wie iets te zeggen meent te hebben, moet iets zeggen.
De winter komt en hij zal vele jaren duren.
De dichters zullen zingen bij de bange vuren
of niet meer dichters zijn. We moeten alles weten
wat googelende vingers dagelijks vergeten.
Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik de toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
(…)

Tot slot moeten gedichten muzikaal zijn en daarom heeft hij zonder enig bezwaar liedteksten opgenomen, ‘De commensaal’, Dodenrit’ en ‘Veerpont’ van Drs. P. bijvoorbeeld.
Uiteindelijk was kwaliteit het enige criterium en daarin volgde hij geheel zijn eigen smaak.

Dat Pfeijffer een persoonlijke selectie heeft gemaakt is zijn goed recht. Het lijkt problematisch te worden als hij zegt ook een aantal bekende, maar ‘objectief slechte’ klassieke gedichten te hebben opgenomen, omdat een bloemlezing als deze ook een naslagwerk is. Mijn eerste reactie was dat deze functie onverenigbaar is met een persoonlijke selectie, omdat een aantal dichters die hij nu heeft weggelaten in een representatieve bundel wel zouden zijn opgenomen. Maar het aardige is, dat hij die ‘objectief slechte’ gedichten niet noemt; de lezer mag zelf bepalen welke dat zijn. Hij heeft er één prijsgegeven in De Volkskrant: ‘Jonge sla’ van Kopland. Een aantal van de lezers die dit gedicht ‘objectief goed’ vinden, zullen hierover ongetwijfeld zeer verontwaardigd zijn. Van Elsschot heeft hij helemaal niets opgenomen; de meest bekende klassieker ‘Het huwelijk’ moet daarom wel héél ‘objectief slecht’ zijn. Hij gaat met deze klassiekers dus net zo eigenzinnig om als met de andere gedichten en dan klopt het weer. De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten is met dit soort grappen niet alleen een imposante, eigenzinnige bloemlezing, maar ook een amusante.

Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 

 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90

 

 

 

 

Recensie van Idyllen. Nieuwe poëzie - Ilja Leonard Pfeijffer

Een machtig vuurwerk

Ilja Leonard Pfeijffer
Idyllen. Nieuwe poëzie
Uitgever: De Arbeiderspers
2015
ISBN 9789029589734
€ 21,95
184 blz.

Pfeijffer dicht als niemand ooit tevoren, juicht het achterplat. De aanduiding ‘Nieuwe poëzie’ in de titel claimt dus volstrekte uniciteit, en zou niet simpelweg betekenen dat Pfeijffer na de vier bundels die hij tussen 1998 (debuut met van de vierkante man) en 2005 schreef en die in 2008 in De man van vele manieren verzameld werden, los van het Poëzieweek-geschenk Giro giro tondo eindelijk met een nieuwe bundel komt. Maar voor zover deze poëzie ‘nieuw’ is, is dat hooguit binnen het oeuvre van Pfeijffer, en niet omdat met de Idyllen de dichtkunst onvermoede stappen voorwaarts zet. Gelukkig hoeft dat ook helemaal niet.

Bladzijden lange gedichten, regelmatig van leerstellig karakter en een consequent gebruik van gepaard rijm – het is dat de verzen geschreven zijn in alexandrijnen, want anders zou de eerste aan wie Pfeijffer hier doet denken Jacob van Maerlant zijn, de middeleeuwse didacticus die zijn strofische gedichten zo onvermoeibaar liet uitdijen.
Twee anderen lenen zich nog beter voor een vergelijking, niet toevallig te vinden aan het begin en het eind van de bundel. Hiermee gaat die van start: ‘De nacht is aangezegd. De warre uren waaien/ als klamme lakens waarnaar hete handen graaien.’ Het zal toch niet alleen door Pfeijffers huidige fysieke verschijning zijn dat dit de wereld van Marten Toonders Bommelverhalen oproept, dat hier markies De Canteclaer de toon lijkt te zetten?

Valt hier nog over te twisten, het vijftigste en laatste gedicht verwijst onmiskenbaar naar het laatmiddeleeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen en dan met name naar het referein dat Emmeken daarin dankzij de inblazingen van Moenen (ook genoemd) ten gehore brengt. Het origineel begint met ‘O rethorijcke, auctentijcke conste lieflijcke,’ en Pfeijffer opent met ‘Retorica, mijn authentieke, magnifieke’. Het is alsof hij zich wil vereenzelvigen met Anna Bijns, die wel wordt aangemerkt als de auteur van de Mariken, ook al vanwege de stockregel die het referein beheerst: ‘Doer donconstighe gaet die conste verloren.’

Het is helemaal des Pfeijffers, die als poëziecriticus met enig fanatisme de ‘onconstigen’ de les las en nu, als om voorgoed met hen af te rekenen, ‘het oude’ tot ‘het nieuwste, het beste, het enige’ verklaart. Ging Bordewijks Bint die cirkelgang vanwege de verwildering die hij om zich heen zag, bij Pfeijffer klinkt voortdurend de maatschappelijke onheilsprofetie van de ‘aangezegde nacht’, van een ‘winter’ die dreigt, van een ordeloze, onrustige tijd vol tweedracht en beroering – het is het leitmotiv van de ‘warre winden’ die doorheen de Idyllen waaien.

‘Idyllisch’ zijn de gedichten dan ook allerminst; het zijn geen schilderingen van lieflijke, pastorale tafereeltjes. In een interview in Poëziekrant (januari 2015) zei Pfeijffer hier zelf over: ‘Er zit een licht elegische, apocalyptische ondertoon in, de gedachte dat de wereld zoals we die kennen niet lang hetzelfde zal blijven.’ Dat is mild uitgedrukt als je schrijft over plunderaars met baarden, je een wintertijd voorziet waarin handen aan kalasjnikovs verwarmd worden, omdat voor een jihadist de enige waarheid aanlokkelijk is, ‘want zij is waar’. En ook als je de tragiek beschrijft van de bootvluchtelingen, de Palestijnse kwestie, de strijd in het Midden-Oosten. Als geen andere dichter haalt Pfeijffer de wereld binnen, en hij roept de werkelijkheid waarin wij leven tevens op door het terloops en volkomen vanzelfsprekend te hebben over Easyjet, CNN, You Tube, Albert Heijn, Lingo, I-phones, Twitter, Facebook, selfies en smiley’s, etc. etc.

Het is maar één van zijn invalshoeken, want de bundel is ongelooflijk gevarieerd. Om daaraan recht te doen, is het dan wel nodig alle vijftig gedichten te lezen, en niet Pfeijffers eigen methode toe te passen, zoals hij die beschrijft in gedicht 9:

[…]
Je ziet, ik heb klassieke talen gestudeerd.
Het woord ‘te gronde richten’ heb ik daar geleerd,
alsmede de van pas komende vaardigheid
om met een indrukwekkende deskundigheid
te praten over iets wat ik nooit heb gelezen.
[…]

Idyllen is in de eerste plaats te beschouwen als één groot zelfonderzoek. Er zit daarmee heel veel Pfeijffer in de bundel, maar dat is vanwege een flinke dosis zelfrelativering allerminst een straf, ook al omdat veel regels een aforistische kracht hebben. Ik geef wat losse citaten: ‘Ik weet niet hoe ik mij moet zijn.’, ‘We zijn al lang ons eigen wezen niet meer machtig.’, ‘Ik wil leren zijn wie ik geworden ben.’, ‘Een ieder die bestaat, wil van bestaan genezen.’, ‘Ik ben mij evengoed als ik mezelf niet ben.’ ‘Er is iets wat niet klopt met mij. Er is een muur.’

Idyllen gaat verder met veel durf en in grote vrijheid over het schrijverschap en de dichtkunst (met veel verwijzingen naar andere dichters: Achterberg, Van Ostaijen, Nijhoff vooral. Pfeijffer moet zich als levensreiziger verbonden voelen met Awater.

In gedicht 7 neemt hij zichzelf en anderen de maat:

Maar vrienden, lieve dichtertjes van Nederland
en België, ik moet met jullie praten. Want
het weer is omgeslagen. Winter komt. De nachten
[…]
Wie nu nog durft te schrijven, heeft de dure plicht
iets méér te leveren dan een zesmingedicht
dat met verwondering naar de ontroering kijkt
en zeer ontroerd verwonderd echt op alles lijkt
wat eerder al ten onrechte werd aangezien
voor poëzie. (…)
[…]
Wie iets te zeggen meent te hebben, moet iets zeggen.
[…]
Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz.
We zullen moeten leren zeggen hoe het is.
Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan,
ontwortelaartje dat ik mij daar was. De waan
dat ik toch al losse schroeven nog meer moest
ontregelen en hoopjes zekerheden woest
moest ondergraven, heeft de zaak geen goed gedaan.
[…]
Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland
en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant.
Ik vraag niets, wil niets, heb niets uit te leggen.
Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?

En Idyllen gaat over alles: over leven en dood (‘De dood is iets waaraan je levenslang moet wennen.’), de liefde (‘Wat liefde heet, is altijd een karaktermoord.’) en dan ook nog en in ruime mate – wellicht dankzij Genua – over de zee.
Het is lastig om alle Idyllen onder één noemer te brengen. Ze zijn lang niet allemaal moraliserend of satirisch; vele hebben het karakter van grotesken, nochtans zonder daarin vrijblijvend te zijn.
De virtuoos toegepaste vaste vorm overtuigt, de taal houdt de tekst overeind, soms met een bombardement van rijmvormen dat, omdat rijmdwang inventief doet zijn, regelmatig zorgt voor grote woordenrijkdom.

In gedicht 34 deed Pfeijffer zichzelf deze belofte:

Ooit maak ik nog een echt gedicht dat als een uurwerk
zijn kleinste wieltjes knarst en als een machtig vuurwerk
uiteenspat in patronen die patronen braken,
zoals wiskundige formules waarheid maken
die elke waarheid schitterend vermenigvuldigt.

Wat mij betreft heeft hij haar met Idyllen al ingelost.

***
Ilja Leonard Pfeijffer (1968) schrijft romans, verhalen, gedichten, columns, essays, kritieken, theaterstukken en songteksten en is ook nog bloemlezer. Het overzicht van zijn bij De Arbeiderspers verschenen werk telt inmiddels 22 titels.