Recensie van De gevoelige plaat - Hilde Pinnoo

Iconen van verstilling

Hilde Pinnoo
De gevoelige plaat
Uitgever: Uitgeverij P
2013
ISBN 9789491455261
€ 15,-
56 blz.

U bent gewaarschuwd: deze recensie gaat u tijd kosten. Meer dan 1.700 woorden, 10.000 tekens laat ik op u los. De handleiding is heel simpel: ofwel wandelt u met mij mee doorheen de wereld van Hilde Pinnoo, ofwel trekt u er zelf op uit en laat u zich verrassen door het oeuvre van deze (veel te) onbekende dichteres die met De gevoelige plaat haar derde bundel publiceert bij Uitgeverij P.

Men neme een mespuntje letters
De Antwerpse boekenbeurs is achter de rug en zoals steeds levert dit boekencircus een lawine aan meningen op waarin zowel de wederopstanding als de teloorgang van het boek aangekondigd worden. Ook dit jaar zijn er geen verrassingen in de verkoopcijfers: kookboeken blijven het goed doen en ook gevestigde waarden zoals Pieter Aspe, J.K. Rowling en toch wel verrassend Khaled Hosseini lossen de (verkoop)verwachtingen meer dan in. Maar toch. Plots komt even de bankier in mij bovendrijven. Deze editie van de boekenbeurs trok niet minder dan 155.000 bezoekers aan. Als ik de Top-3 van fictie en non-fictie samentel, kom ik op ongeveer 7.000 verkochte exemplaren, of ongeveer 4.5%. Met cijfers kan je natuurlijk alles staven, maar toch: hoe zou een supermarkt reageren waar meer kijkers dan kopers zijn? Ik hoor u al denken: feestdagen, ideeën opdoen, B(ekende) V(laming) of B(ekende) A(nderen) staren, of gewoon even een dagje uit. Redenen zijn er genoeg om de boekenbeurs te bezoeken, want lezen is een feest. Terwijl sommige zalen bijna volledig ingepalmd worden door uitgeverijmastodonten, zweeft er tussen de struinende massa bij momenten een bekende geur. Neen, ik spreek niet over de vele eetgelegenheden waar gemikt wordt op meer dan alleen maar de literaire onderbuik of over de verschillende kookdemonstratie waarbij een bekende kop/kok het nieuwste kookboek aan de man/vrouw tracht te brengen. Het is de geur van met liefde gezette letters, van woorden die perfect gegaard werden op eigen ambachtelijke wijze en van uitgevers die niet alleen de getallen achter het boek zien, maar ook de inhoud hoog in het vaandel dragen.

Wat Google niet weet
Zoals te verwachten is er zelden een overrompeling bij de Leuvense Uitgeverij P. Wanneer ik voorbijkom, zie ik tot mijn aangename verbazing dat er veel jongeren snuffelen in de aanwezige werken. Dromen ze ervan om ooit zelf onsterfelijke woorden te schrijven, of zijn ze stiekem op zoek naar een romantisch gedicht om hun lief te verrassen? Tientallen bundels liggen te wachten op hun moment van glorie, om even weg uit de alledaagsheid in het voetlicht treden van die enkele seconden Warholiaanse beroemdheid. De minuten zijn ondertussen inderdaad gereduceerd tot seconden, de inflatie van internet en andere moderne communicatiemiddelen reduceert aandacht tot de wachttijd tussen twee clicks.
De gevoelige plaat van Hilde Pinnoo is een van de vele bundels die op zoek gaan naar deze beroemdheid: je bent zo beroemd als je Googlehits. Een snelle zoektocht levert niets op. Hoe moet je je als dichter voelen? Je schrijft je diepste gevoelens neer, schrapt tot diep in de nacht. Wordt in die schaarse momenten van slaap wakker met het eurekagevoel van het juiste woord of leesteken en dan volgt het grote … niets.
Neen, ik ben niet pessimistisch. Integendeel. Het versterkt juist mijn geloof dat Google niet oppermachtig is, dat ik nog de mogelijkheid heb om zelf schoonheid te ontdekken die niet geïndexeerd werd in de megaservers in Quilicura, Dublin of elders in de wereld.

Onbedekt

Het is twee uur en sterren vonken
met de witte gloed van carbuur,
alsof de hemel is vergeten waar
en wie we zijn – dolende pluizen

in een veel te vlakke polder, ver
van zuiderkruis en nachtblauw
ongeduld. Wie kan zeggen of wij
in dit baldadig licht nog een kant

uit kunnen. En of ook jij ziet hoe
deze nacht voor ons is gespreid –
met zachte kussens en wij daar ergens

tussen, onstuitbaar naar elkaar gerold.
Of je oog nog zoekt naar onbedekte
huid en of je hand dan volgt. Of niet.

Ik geef eerlijk toe dat ik dit gedicht de eerste keer veel te snel binnengeschrokt heb, geslikt heb zonder te proeven. De heerlijke entree die Pinnoo voorschotelt, vier keer slikken en weg. Net zoals op de servers van Google dreigde het te verdwijnen in het oneindige geheel. Maar toen ik op een kille avond naar huis reed en het gesluierde maanlicht poogde om zich niet te laten verbergen, vond ik dit gedicht terug op mijn nachtkastje. De existentiële vragen drongen op dat moment als acupunctuurnaalden mijn lichaam binnen: zo latent aanwezig dat je even twijfelt of ze er wel zijn. Zo waren op dat moment ook de woorden van Pinnoo. Genadeloos opgesloten in een keurslijf van versregels tracht elk woord zijn betekenis te laten ontsnappen. Woorden botsen tegenstrijdig op elkaar. Vonken en veel te vlakke polder, nachtblauw ongeduld, onstuitbaar naar elkaar gerold. Zo subtiel vormen ze elkaars oppositie dat de achteloze lezer ze over het hoofd ziet; maar de savoureerder zal in het exquise gerecht net dit vleugje kardemom proeven dat zo heerlijk contrasteert met de kruidige pepersmaak.

‘A photograph is usually looked at- seldom looked into.’ 
Onze tijd heeft behoefte aan iconen, aan beelden die niets aan de verbeelding overlaten. Of is het toch van alle tijden? De opwapperende jurk van Marilyn Monroe, de wegvluchtende Kim Phuc, of recenter de student die op zijn eentje een tank stopt op het plein van de Hemelse Vrede, of het meisje met de rode jurk tijdens de Turkse revolutie. Is het daarom dat Pinnoo in haar bundel teruggrijpt naar de fotografie? Omdat ze weet dat elk beeld krachtiger is dan het woord dat het vertegenwoordigt? De bekende Amerikaanse landschapsfotograaf Ansel Adams omschreef een foto als een beeld waarnaar gezien wordt zonder dat er echt gekeken wordt. Dit is ook met de poëzie van Pinnoo. Ze schrijft het immers zelf in ‘Meisje’:

Meisje

Oog is ze – één en al oog. Niets meer
is ze dan naakt, nog naakter
dan haar tengere lichaam, naakter

dan haar doorkijkhuid laat zien.
Ogen zie ik, ogen die niet meer
kijken – te veel gezien, te weinig

door de vingers. Op mijn lippen de enig
mogelijke, de meest overbodige vraag,
op de hare een nauwelijks verholen

slot. Ik wil dichter zijn, iets doen
met mijn armen misschien, desnoods
alleen met warmte, even zou ik moeder

moeten zijn, maar ze zwijgt me
op afstand. Niet omdat ze terugtrekt
maar omdat ze blijft waar ze is,

in haar eigen wassen zelf. Een beeld
van was, een meisje van alleen maar
was, zoveel was om niet te moeten zijn.

Is dit gedicht geschreven bij deze iconische foto uit de Vietnamoorlog? Laat ons het houden bij synchroniciteit. Ondanks het schrijnende gevoel dat dit gedicht evoceert, verzandt het nergens in een platte pathetiek. Komt het door het subtiele woordspel waarvan de dichteres zich bedient? Overdreven taalspel kan al snel uitmonden in een gratuite oefening, maar hier lees ik een perfecte balans tussen woord en spel: het meisje van was om niet te moeten zijn. Het beeld van dat kleine Vietnamese meisje, bijna weggesmolten door de genadeloze napalm, zet elk woord van de dichteres kracht bij. Maar misschien denkt u bij het gedicht helemaal niet aan dat naakte meisje, maar brandt een ander beeld op uw netvlies. Opdracht geslaagd: dat is de kracht van goede poëzie, de herkenbaarheid en de meerwaarde voor ieder die het leest.

 

‘Meisje’ is het openingsgedicht van de bundel en van het hoofdstuk ‘Portretten’. De drie andere delen kregen de titels ‘Groothoek’, ‘Clair-obscur’ en ‘Polaroid’ mee. Aan het taaltalent van Pinnoo twijfel ik niet, de meeste gedichten zijn pareltjes waarvan ik menige nacht polijstwerk vermoed. Maar soms is er nog net dat korreltje zand dat niet wil uitgroeien tot een parel. In ‘Evolutie’ lees ik 13 prachtige versregels:

Evolutie

Er was eens een vis, uit noodzaak begrensd tot kustlijn
en visbak – de boot van Darwin op een schub na gemist –
maar gewapend met stellige waarheden over ieder hoe
en wat en waarom, overal , en vooral op het vaste land,

daar waar de wereld begon, de echte, zonder vinnen
en kieuwen en blauwende stilte. De vis wist er alles van.
Van achter glazen muren keek hij naar wie naar hem keek
en hij begreep. Hij las gedachten die hij zelf niet kon

denken en voegde er wieren en zeezout aan toe. Dit moest
taal zijn, besloot hij, dit onophoudelijk spuien van ballast
– klanken die dik en kleverig op het water dreven. Toen

heette dat nog vooruitgang en met de vooruitgang kwamen
de dromen. Over de eenvoud van de oceaan, de leegte in een vissenkop.
Survival of the fishest, maar verder kwam hij niet.

Pinnoo schrijft poëzie die niet alleen op papier moet kleven, maar ook over hoofden moet zweven tijdens voordrachten. Voor deze laatste moet je op zoek gaan naar de aandacht van de toehoorder, de herkenning, het goedkeurend gemompel van een gesmaakte versregel. Wellicht is in deze context de survival of the fishest in de laatste versregel geslopen. Ik had het genoegen om dit gedicht te horen voordragen tijdens de presentatie van de bundel. De Brusselse Grote Markt baadde in een witte gloed van neon die carbuur genadeloos naar de geschiedenisboeken verwezen had. In de salons van KBC bank klonken deze verzen ver boven de hoofden van toeristen die foto’s maakten van de Grote Markt en het stadhuis. De laatste versregel toverde toen een woordspeligere glimlach op mijn lippen in de vluchtigheid van het moment. Op papier stoorde hij me. Ik wist eerst niet goed waarom? Later drong het tot me door. Deze versregel wilde zichzelf overstijgen, meer betekenen dan hij pretendeerde. Goede poëzie moet voor mij nederig zijn, schreeuwers vinden we al genoeg in het leven rondom ons. Doet deze versregel nu afbreuk aan mijn oordeel voor Pinnoo? Integendeel. Door dergelijke versregels besef ik maar al te goed dat er nog ruimte is voor groei.

Met De gevoelige plaat levert Pinnoo een derde bundel af die spijtig genoeg niet de aandacht krijgt die hij verdient. Waarom? Poëzie is niet hip? Laat ons eerlijk zijn, poëzie is overal aanwezig. Het lijkt wel alsof iedereen plots zijn poëtische ontboezemingen met de wereld wil delen. Over de kwaliteit spreek ik me (nog) niet uit. Neen, ik denk dat Pinnoo vooral nood heeft aan een trage lezer vrij van alle beeps en alarmbellen uit de moderne massacommunicatie. Een nachtlamp, een warme dons, een snuifje klassiek dat zich net niet prominent is het oor nestelt. U mag me tegenspreken, maar ik sluit me aan bij de woorden van Doris Lessing, de grande dame die van ons is weggegaan: ‘Think wrongly, if you please, but in all cases think for yourself.’

***

Hilde Pinnoo (Brussel, 1962) studeerde theologie en toegepaste economie en werkt in de financiële sector. Haar gedichten verschenen o.a. in Kunsttijdschrift VlaanderenGierik/NVTDeus ex MachinaKrakatau en Dighter. Zij debuteerde bij Uitgeverij P met Dichter dan mist (2005),waarmee ze de Publieksprijs voor de beste poëziebundel 2005 won. In 2008 verscheen Zonder testament.