Recensie van Virtualia. Teletonen. Even- en nevenbeelden - Sybren Polet

Voor een nevenzelf

Sybren Polet
Virtualia. Teletonen. Even- en nevenbeelden
Uitgever: Wereldbibliotheek ,Wereldbibliotheek ,Wereldbibliotheek
2012
ISBN 9789028424531
€ 15,90
94 blz.

Wilde Sybren Polet wel poëzie schrijven? Die vraag kwam in me op bij het lezen van Virtualia. Teletonen. In veel opzichten is dit een totaal niet-poëtische dichtbundel.
Het belangrijkste: de tekst staat bol van antipoëtische formuleringen en ‘grote woorden’ – een taboe in de poëzie omdat die woorden hol zijn geworden, geen effect meer sorteren. Misschien heeft het te maken met de nieuwe wereld die Polet op de ruïnes van de huidige wereld wil bouwen: de dichtbundel lijkt een poging om de Bijbelboeken Openbaringen en Genesis te koppelen, toegepast op de aanvang van dit millennium. Terwijl de meeste dichters die woorden proberen te vermijden, ofwel er bestraffend op worden toegesproken als ze die woorden wel gebruiken, is de dichtbundel van Sybren Polet een heel andere categorie.
Net zo opvallend als die grote woorden is het compleet andere gebruik van metaforiek. Virtualia. Teletonen is in feite een grote uiteenzetting van een wereld ‘na het einde’. Het begint in het nu, met het vierluik ‘Eindbegin’:

Rating van het mensdom gedaald
                                                     van AAA naar AA, A en A-.
Alles & allen op naar het min-nul, ons aller eindbegin
en optimale zelfverevening in zeroïsche onschuld.

‘Zeroïsch’ is een mooi neologisme in een gedichtenreeks die de bestaande wereld wil afbreken en er een nieuwe voor in de plaats wil opbouwen. Erg concreet wordt die nieuwe wereld nergens. Virtualia. Teletonen gaat vooral over het proces van vernieuwing, dat Polet vreemd genoeg voor het eerst in het Duits benoemt: ‘Wir müssen die Erde ändren.’ Polet doet daarbij een beroep op niet-bestaande organen, zoals een ‘voorhoofdsoog’. Het vernieuwingsproces krijgt vorm in voortdurende formules en beschrijvingen. Bijvoorbeeld: ‘Zien als het óntzien / van / nietsontziend mens-imiterend denksel.’ Of: ‘ Overlevingsstrategieën als rudimentaire taalgelijkenissen. // Hoe te overleven in humane gelijkenissen.’ Het uitgangspunt de nieuwe mens:

Ons lot:
              ononderbroken leven in onvoltooide verleden tijd,
huizend in Escheriaanse tijdruimtestructuren

Polet verstopt zijn uiteenzetting van transformatie naar die nieuwe wereld achter bezwerende, ongrammaticale, ontoegankelijke teksten. Het is bijna niet te volgen, behalve hier en daar zinnen als ‘De harde schijf van het wereldgeheugen is bijna vol. / Dus snel jezelf even wissen / voor een nevenzelf.’ De vernieuwing vraagt een nieuwe manier van ‘zijn’, zo blijkt, het is een hernieuwde definitie van existentie die Polet probeert te vinden. Die vindt op de kleinste niveaus plaats (het stikt van de neuronen, atomen en cellen) maar ook op abstracte of grote schaal. In het gedicht ‘Nieuw homoceen?’ formuleert hij het zo:

Onze enige redding is: de oorzaak negeren van jezelf,
           herevoluerend in een proefondervindelijk homoceen
als vroedman van oorzaaklozer ikken en andere proefmensen.

De huidige maatschappij moet wijken om de nieuwe te kunnen laten ontstaan. Dit blijkt uit zinnen die voornamelijk de donkere kanten van de huidige consumptiemaatschappij belichten, want Polet roept niet expliciet op tot anarchie. Dit aspect van de bundel is beter te duiden. We lijden aan ‘beeldpijn’, er duiken woorden op als ‘Negatief overleven. / Beeldmoe. / Pixelmoe.’ We moeten verdwijnen (‘De kunst van het verdwijnen en ál verdwijnend aanwezig zijn.’) maar afwezig zijn is een illusie.
De economie krijgt er ook van langs – dat kan ik nog relateren aan de crisis van de laatste jaren.

De pandemie van de economie.
       Schuld zonder boete.
Economie als anti-poëzie.

Uw waanzin is nog te redelijk.
                                                      Uw poëzie ook.

Helder: economie is een wereldwijde epidemie, een ziekte waaraan landen, banken, bedrijven en consumenten gelden, die zorgde voor de huidige crisis (die vooral over schulden gaat: schulden van naties en consumenten bij de banken). Een crisis waar we kennelijk nog ‘te redelijk’ mee blijken om te gaan.
Elders moet de politiek het ontgelden – eveneens een dankbaar onderwerp, aan beide zijden van de Nederlands-Belgische grens:

Politiek als gebed zonder end.
                                     En maar doorbidden, doorbidden
tot een al grotere ongod ontstaat
          voor het gilde der doodbidders.

Het is hard werken, deze bundel – en dan vraag ik me nog af hoeveel van wat ik gelezen heb, blijft hangen. En: hoeveel van deze bundel bestaat werkelijk uit poëzie, en hoeveel ervan uit filosofische ideeën, visionaire oneliners of gedachte-experimenten? Ik kan maar moeilijk mee in deze veelal sterk abstracte visies en bezwerende toverzinnen die mij op sciencefictionachtige manier in een alternatieve wereld willen verplaatsen. Toen ik nog Nederlands studeerde, leerde ik keurig dat Sybren Polet bij de postmodernisten hoort, maar ik meen toch dat zij niet als quasi-ruimtereizigers van nieuwe werelden droomden. Of is Sybren Polet ergens van de weg van het postmodernisme afgedwaald en een eigen poëtische dimensie begonnen?

***
Van Sybren Polet (1924) verschenen in 2002 zijn verzamelde gedichten: Gedichten 1998-1948. Daarna verschenen nog Luchtwegen. Nergenswind (2003), Avatar. Avader (2006), Binnenstebuitenwereld (2008) en Donorwoorden (2010). Voor zijn gehele oeuvre werd hem in 2003 de Constantijn Huygensprijs toegekend.