Recensie van Trappen - Sebastiene Postma

De dichter en de vossenklem

Sebastiene Postma
Trappen
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789025445188
€ 21,99
64 blz.


Trappen
is een opmerkelijk debuut. De bundel bestaat uit 39 romeins genummerde gedichten, die tezamen een Engelse poëziegeschiedenis vormen en tevens persoonlijk gekleurde overdenkingen zijn over romantisch dichterschap, zowel in literair-historische zin – het accent ligt op de negentiende eeuw – als in het algemeen. 

Op twee uitzonderingen na bestaat ieder gedicht uit drie strofen: twee lange en een korte van twee regels. Eén gedicht heeft vier strofen en het laatste maar een. Gezien de titel en de overeenkomstige inhoud is die ‘trapvorm’ functioneel: de gedichten bestaan uit ongelijkvormige traptreden – ook functioneel. In het laatste gedicht zijn we aangekomen op de overloop. Of is dit het voorlaatste gedicht? De lijst met dichters, (toneel)schrijvers en een enkele beeldhouwer of filosoof heeft zij het cijfer XL gegeven. Dan zou dat gedicht een ladder kunnen zijn. Om met de dichter te spreken: 

Het op en neer gaan op een ladder
is verslavend voor sommige mensen.
De monotone cadans. Kaboem-kaboem-kaboem.
Het piepend schuren over de wissels
wanneer een bladzijde wordt omgeslagen. 
(Uit: XXXVI)

Het klinkt erg geconstrueerd allemaal en dat maakt soms een gekunstelde indruk. Het is een valkuil die Postma moet zien te vermijden. Om haar eigen terminologie te gebruiken: ze moet oppassen voor de vossenklem, de trap.
Ze ontwerpt een persoonlijke symboliek door herhalingen van woorden of begrippen in een verschuivende context. Ik geef daarvan enkele voorbeelden. 

De trap kan voor de dichter de moeizame weg naar boven verbeelden of een hiërarchie aangeven. Zoals gezegd zijn de treden ongelijkvormig: de ene dichter staat soms veel hoger dan de ander en de stappen die je als dichter zet verschillen onderling. Maar zo gemakkelijk maakt zij zich er over het algemeen niet vanaf. We komen wenteltrappen tegen, schalmgaten, ladders, in rotsen uitgehouwen treden, dubbele helixen en soms lijkt het of we ons in de ‘spiraalarmen van sterrenstelsels’ bevinden: 

We graviteren volgens bepaalde wetten
om het schalmgat heen
alsof we op de spiraalarmen
van sterrenstelsels lopen.
(Uit: XVIII) 

We kunnen ook afdalen: 

De trapbomen van het DNA-molecule
vormen een dubbele helix.
De strengen van nucleotiden
winden zich om elkaar heen
als de armen en benen van twee geliefden,
in bed met elkaar vervlechtend
tot de draden van een koord. 
(Uit: XIII)

‘De trap naar boven en naar beneden / zijn één en hetzelfde’, zegt ze in gedicht XXXIII. 

Een enkele keer wordt een beeld zo geforceerd, dat het zijn werking verliest. Bij een spiraal van licht kan ik me niets voorstellen: ‘Kijk. Door het laaghangende wolkendek / boort zich een kurkentrekker van zon schuin naar een pas gemaaid veld.’ (Uit: II)
Een dichter met zulke compromisloze romantische idealen leeft op het scherpst van de snede. De laatste strofe van dit tweede gedicht luidt: ‘Wil men naar het hoogste /dan is de ladder de baar.’
Het is dan ook niet verwonderlijk, dat het romantisch lijden van de dichter een prominente rol speelt in de bundel: Keats ‘spuugde liters bloed maar trok / zich met wilskracht op naar een volgende trede. / Hij liet een rood spoor achter bij elke centimeter.’ Of: ‘Moeten we de bloedafdruk koesteren?’ En Shelley ‘zag zichzelf hangen aan het uiterste punt in de luchtkoker. / Beneden zijn gespietste voeten was een bodemloze diepte’. De kunstenaar als de lijdende Christus – in Nederland zag je dat bij Tachtigers als Kloos. In een ander gedicht: ‘Je moet door de hel / om bij de hemel te komen, zeggen ze allemaal.’

De vossenklem maakt dat je als dichter niet verder kunt. Alleen gewond kom je eruit. Een van de vele voorbeelden: 

Je zette onbedachtzaam je voet neer
omdat je iets van lekkere realiteit rook,
en bam … als de kaken van een roofdier om zijn prooi
klapten de traparmen boven en onder dicht.
( … )
De trap had honger. Godzijdank is er dan een vos
die zijn poot afknaagt en loop je daarna
met een geamputeerd been verder. Eén been
is beter dan twee. 
(Uit: XXXIV)

Niet alleen dichters uit de Romantiek worden geconfronteerd met hun onmacht. Ted Hughes, overleden in 1998,

droomde ( … ) dat hij nog steeds aan zijn bureau zat
en dat een gewonde vos zijn bebloede poot
als een mensenhand op het papier voor hem legde
en zei: ‘Stop this – you are destroying us.’
De pootprent glansde nat op het vel. 
(Uit: V)

De persoonlijke symboliek is nadrukkelijk aanwezig, ook in de vorm. Net als de symbolisten aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw lijkt Postma daarin een manier te zoeken om het onzegbare zegbaar te maken. Maar symbolisme verwordt tot een geheimtaal, het Engelse slang. Mooi gevonden, want die taal is ook nog eens giftig. Tenminste: zo interpreteer ik de cursief gedrukte regels aan het eind van gedicht XXX. ‘Trappen’ heeft hier bovendien de betekenis van ‘schoppen’, terwijl tegelijkertijd de trap met treden op de achtergrond aanwezig blijft (in de betekenis: ‘Rot op met die trap’):

Stop maar. Stop.
Dit wordt niets.
Altijd weer dezelfde slang. Maat. Rang!
 
Wat een fout. Trap my ass. Hoe heb ik zo stom
kunnen zijn. Godverdomme, godverdomme.

Het wordt teveel allemaal, dat is ook mijn bezwaar tegen de bundel, maar in tegenstelling tot dat van de dichter is mijn oordeel niet genadeloos. Het is knap wat Postma heeft gedaan: ‘Trappen’ is een zeer hechte bundel geworden. En op de achterkant lezen we: ‘In precieze prachtig opgeschreven haast proza-achtige overwegingen ontvouwt zich de Engelse poëzie, de geschiedenis van de Romantiek.’ Ik kan daarmee instemmen, zij het dat ik de gedichten niet allemáál prachtig geschreven vind. Er schemert echter vaag een skelet van maakwerk door de bundel heen. Hoezeer je dat ook nodig hebt, ik zou het liever niet zien.

Tot slot gedicht VII in zijn geheel, als voorbeeld van de bouw van de gedichten. De symboliek is hier deels algemeen gebruikt:

De nachtegaal, de leeuwerik, de albatros,
raven, kraaien. Dichters denken dat ze verwant zijn.
Ze neigen naar zingen en vliegen.
Keats noemt een poëet die niet kan dichten
een zieke adelaar die naar de lucht kijkt.
Na veel fladderpogingen en uit-het-nest-vallen
besloot Coleridge dat hij geen dichter was
maar een struisvogel. Hij had een sterk verlangen
aangezien voor originele kracht, hij kon niet
vliegen, maar had wel vleugels die hem het gevoel
van de vlucht gaven, zei hij.
 
Coleridge zat gevangen in de trap en gaf zichzelf
de schuld van zijn gevangenschap.
Hij walgde van zijn vleugellamheid.
Wordsworth was de echte stijger.
Maar de struisvogel verkende het uitspansel
beter dan Wordsworth, die meer of minder bezwaar
tegen vallen had. Hij zag de baarheid
en de steiger als enige soliditeit.
De bliksem openbrekend in het donker.
De treden die gebouwloos oprezen.
De zigzagsnede in de aarde.
Coleridge probeerde het:
vliegen én een voetprent maken.
Opium, onsamenhangendheid, ledigheid.
Hij deed het bouwsel etherischer lijken.
Maar hoe je ook tracht te klimmen zonder je neer te zetten,
het is altijd de vlucht in het luchtledige.
Een vlucht van stappen.

De gierzwaluwen in de binnentuin scheren
als jagers in formatie over de daken.

***
Sebastiene Postma (1957) studeerde wijsbegeerte en werkt bij de Universiteit van Amsterdam. Haar gedichten verschenen o.a. in Tirade, Het Liegend Konijn en De Gids.