Recensie van Het wilde kind - René Puthaar

Alleen te zeggen wat nog zichtbaar is

René Puthaar
Het wilde kind
Uitgever: Atlas Contact
2012
ISBN 9789045705729
€ 22,95
78 blz.

Deze derde bundel van Puthaar is opgedragen aan zijn kinderen, aan wie de gedichten geen recht doen. Dat zegt de dichter zelf in zijn aantekeningen. De taal van zijn kinderen is in zijn poëzie doorgedrongen, maar die poëzie is zeker geen kinderspel. Geen sprake van: dit zijn volwassen, doordachte gedichten. Geen hap-slik-weg-verzen, die je na een keer lezen in de kast zet. Mijn oog, mijn denken blijft keer op keer haken aan een zinsnede die aanzet tot herlezen en óverdenken. Voor ik het weet, zie ik een subtiele betekenis over het hoofd. Neem nu:

is het toen langzaam gaan vallen, het doek
of leerde het schrift dat het altijd al viel

niet tussen ons en het dierbare land
van wilgen, rivieren, rennende hazen

maar in de leegten van de letters zelf
het stuifsel dat het universum is

dat ons dichtte, bij het scheiden dwong
alleen te zeggen wat nog zichtbaar is:

de straathoek die ons om zal slaan, afval
allerwege, de mensen doen het huis op slot

(deel 2 van het tweeluik ‘Doek’)

Hier lees ik dat er een scheiding bestaat tussen ons en de wereld. Die scheiding wordt veroorzaakt door de taal, ‘de leegten van de letters zelf’, de taal als ‘donkere materie’ tussen wat zichtbaar en onzichtbaar is. We kunnen alleen nog het zichtbare benoemen, dankzij de taal. Dit is een schraal en somber beeld, terwijl het eerste deel van het tweeluik toch zo hoopvol eindigde:

een woord legde zijn hand in de onze
en werd onze moeder, even ons kind

Hier biedt de taal troost, zij het maar voor even. Opvallend is, dat het woord hier moeder en kind tegelijk werd. Dit soort wederkerigheden kom ik vaker tegen in Het wilde kind. En ja, ook veel kinderen en verwildering. Van het titelgedicht citeer ik hier alleen de laatste strofe:

aandoenlijk eenvoudig
knikt het vernietiging
stamelt om liefde

Verwildering en verval zetten aan het denken over de werking van de tijd, vooruit en achteruit. De cyclus ‘Tempel’ beschrijft een waarneming, een visioen misschien, die ‘half herinnerd half de opmaat is.’ Op een verlaten terrein spelen kinderen met pijl en boog. De pijl belandt in afgezette gifgrond, op een terrein waar vroeger een tempel stond. Of was het ‘gewoon een dorpsstation,’ opgesierd met een ‘cliché van de architectuur’? De kinderen klimmen over de afrastering om de pijl op te halen. De tand des tijds bijt gemeen hard. Het einde van de cyclus luidt:

Onder de zaaier ademt de grond
Onder de zaaier verandert de grond
Onder de zaaier gaat de grond ten onder

Puthaar is virtuoos in vorm én inhoud. Het gedicht ‘cipres’ heeft de lange, golvende vorm van de beschreven boom. ‘Mascotte’ bestaat – de titel uitgezonderd – uit enkel eenlettergrepige woorden. En toch loopt het helemaal, al is het raadselachtig van betekenis. Een strofe:

Men telt tot twee: dan is het dal al rijk aan steen.
Men leert de kunst een god te slaan, een maan
die in het huis blijft staan als een groot man.

Ik sluit graag af met een gedicht waarin de dichter het stijlmiddel opsomming, enumeratio, hanteert. Ook dit gedicht komt uit een cyclus, met de titel ‘Svolta’. Svolta is Italiaans voor afslag, scherpe bocht. In de aantekeningen staat: ‘Svolta’ is sterk schatplichtig aan een uitgave van de ANWB, Het beste boek van de weg.

    3

De Zwitserse bergbaanbouwers
hebben wonderen
verricht

Balpen, barometer, boor, draadstripper,
flesopener, kurkentrekker, hoogtemeter,
gatentang, klok, wekker, stopwatch,
lamp, lepel, lineaal, mes, haak (multifunctioneel),
naald, nagelvijl, pin, pincet,
schubbenverwijderaar, schaar, sleutelring,
tandenstoker, tang, thermometer,
schroevendraaier, vergrootglas, vork,
zaag voor hou, zaag voor staal –

het Zwitserse zakmes, zoekt u een reisgenoot.

De hier besproken gedichten en fragmenten doen geen recht aan de hele bundel. Vat dit vooral op als aanmoediging om Het wilde kind van voor naar achteren te lezen en herlezen. Ik heb zelf nog lang niet alles doorgrond en dat is fijn. Ik houd me graag bezig met het oplichten van het doek tussen het zichtbare en het onzichtbare. Is dat niet wat poëzie zou moeten doen: de grens vervagen tussen het zegbare en het onzegbare? Wie houdt van diep denkwerk, moet deze gedichten lezen. In deze calculerende tijd kan ik opmerken: u krijgt beslist waar voor uw geld.

***
René Puthaar (1964) debuteerde in 2000 met de bundel Dansmuziek (Van der Hoogtprijs 2001). In 2003 verscheen Hier en daar (clubkeuze Poëzieclub).