Recensie van Tussengebied - Annie Reniers

De wereld van het numineuze

Annie Reniers
Tussengebied
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339027
€ 20
191 blz.

De poëzie van Annie Reniers laat zich moeilijk karakteriseren. De nieuwe verzamelbundel Tussengebied (2016), samengesteld en ingeleid door Ann Sevenant, vertegenwoordigt niet een bepaalde stroming of beweging en vormt binnen het bestaande literaire veld een nauwelijks betreden tussengebied. Daarenboven is de titel voor deze verzamelbundel heel treffend gekozen, omdat Reniers’ poëzie het midden houdt tussen wat zich binnen de tijd en daarbuiten afspeelt, wat zich laat situeren in de ruimte en niet plaatsgebonden is, en wat zich binnen de zintuigelijke waarneming laat vangen en zich daaraan onttrekt. Ze reikt naar een wereld buiten het zintuiglijke door middel van diezelfde zintuigen. Op de achterflap van de bundel laat de poëzie van Reniers zich typeren als een vertegenwoordiger van het numineuze vers.
Wat op diverse plaatsen in haar poëzie valt te ervaren zijn de irrationele, contrasterende krachten die zich in één ervaring, huiveringwekkend en fascinerend tegelijk, en vooral autonoom aan het lyrisch ik-bewustzijn manifesteren. Rudolf Otto heeft in zijn beroemde boek Das Heilige (1917) het begrip voor het eerst gemunt en de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung heeft deze goudmijn later buiten het religieuze blikveld gebracht. Hij kwam in zijn jonge jaren op het spoor van neurotische complexen. Die complexen kunnen omschreven worden als een verzameling ideeën en beelden, die geclusterd worden door onbewuste aandrijvingen, ook wel archetypen genoemd. Deze complexen zijn lang niet altijd negatief, maar dikwijls wel als onlogisch, dubbelzinnig en soms onhanteerbaar te duiden. Het zijn die gedeelten van de psyche die zich blijkbaar in de donkere sfeer van het onbewuste bevinden, omdat ze onafhankelijk van het bewustzijn opereren. Ze vormen tevens een bron voor elk kunstenaarschap. Tjeu van den Berk heeft daarover in zijn studie Het numineuze (2005) een interessante uiteenzetting gegeven, waarin hij het numineuze vanuit zijn religieuze oorsprong weet vrij te spelen voor de presentie van het fenomeen in de kunsten.
Reniers lijkt in haar poëzie voortdurend in en door middel van de taal te zoeken naar openingen die het lyrisch subject de weg wijzen naar de niet te omvatten werkelijkheid die stilte, leegte, ruimte en harmonie van een onaardse dimensie in zich draagt. Ze is, zoals Ann Sevenant dat in haar inleiding aanduidt met begrippen als atopisch, atypisch en utopisch, uit op het duurzame ogenblik, het eeuwigheidsmoment dat zich ongevraagd aandient en weer vervluchtigt op het moment zodra het door het lyrisch subject rationeel wordt vastgesteld. In dergelijke momenten dienen haar gedichten zich aan. Reniers zwerft in en met haar taal door een poëtisch universum dat past bij de meditatieve kracht van haar concentratie, en die de kans vergroot op haar ontvankelijkheid voor het woord: ‘over gewillige toetsen / daagt het gewaagde akkoord // aan het roer van de beweging / de voortdurende beginnende / uitademende golving //’.
Ann Sevenant heeft een selectie uit de dertig bundels van Reniers gemaakt die sinds 1966 zijn verschenen: van Het ogenblik (1966) tot De onbegane paden (2014). Ik kan mij na lezing van deze opmerkelijke bundeling het sterkst vinden in de woorden van de samensteller, als zij stelt dat Reniers zich in haar poëzie met haar hele wezen afhankelijk maakt van wat zich tot haar richt. Ze wenst zich af te stemmen op de dingen die haar omringen, ze wil zich zodoende leegmaken en een vreemde alchemie aangaan met de omgeving. Haar poëzie heeft een sterk meditatieve uitwerking op de lezer. Ze is in al haar eenvoud en stapeling van woorden ingewikkeld en gelaagd te noemen. Veel gedichten roepen bij mij herinneringen op aan de schilderijen van Mark Rothko, Barnett Newman en/of Yves Klein. Op hun ogenschijnlijk nietszeggende doeken in gelaagde kleurvlakken krijgt de toeschouwer na enige tijd het bewegend spel van vage beelden te zien. Het schilderij zet zich als het ware in beweging door de werking van onze verbeelding. Bovendien wordt ons brein zodanig geprikkeld dat het in zijn zucht naar betekenistoekenning in zichzelf keert. Zo zetten de gedichten van Reniers in extreme zin de lezer ertoe aan bij zichzelf te rade te gaan en over zichzelf na te denken in zijn verhouding tot de omgeving van dingen en mensen. Haar gedichten lijken aanvankelijk ontmoedigend te werken vanwege hun geslotenheid en ogenschijnlijke abstractie, maar blijken uiteindelijk bevrijdend en openend uit te werken op de psychische gesteldheid van de lezer.
Het voert te ver om een uitvoerige inzage te bieden in deze verzamelbundel met geserreerde poëzie. Ik maak daarom een kleine keuze uit de bundels ter illustratie van mijn leeservaring. Al in haar eerste bundel Het ogenblik (1966) zet ze haar veel gebruikt vertrekpunt van de natuur in. Daarmee hangt haar intensieve inzet van haar zintuigen samen. De duurzaamheid van het ogenblik fascineert haar: ‘waarom een mens helder ziende / horende zinnen heeft //’. Dat haar verzen zich in haarzelf manifesteren in de jacht op de werkelijkheid van het andere weten komt mede tot uitdrukking door het ontbreken van hoofdletters, leestekens en titels. Veelal gebruikt ze drie-, vier tot vijfregelige strofen. Meestal zijn de versregels overwegend kort, later worden ze wat langer. Daardoor stromen haar vrije verzen vanuit een onzichtbare bron haar verbeelding binnen om daarna telkens weer terug te vloeien in de vergetelheid van het onbewuste:

en wij horen alleen
dat de woorden waarin wij denken
te wonen niet meer leefbaar zijn

maar wij danken
dat soms toevallige ogen
vragend zijn

Hoewel de taal niet altijd toereikend is om ons denken weer te geven, blijft telkens de vraag in ons opkomen daartoe een nieuwe poging te wagen. In dezelfde bundel wijdt ze een gedicht aan dat (on)gelukzalige scheppingsmoment:

het ogenblik is
even de slag van een regen
en de trots van een bron
in de enkelvoud vuur
of zintuig of bloed
en het even glas
helder onmeetbaar
voorhoofdspunt
door wijdopen
wimpers gedragen

het woont in uw tijd
het verzamelt de dorst
en de oogst en het ja
en het nee op uw weg
het groet de tekens
van de open de gesloten hand
een herkennende groet
maar dit weet gij alleen
en ineens als het ogenblik is:
het alles is één

Aan de beschrijving van dit ogenblik laat de fysieke aanwezigheid van de ander zich in al zijn zintuiglijkheid aflezen. Delen van het gelaat tonen een levensgeschiedenis vol paradox en ambiguïteit, met al haar positieve en negatieve uitwerking. Om haar werkelijkheid van het andere weten te duiden bedient Reniers zich veelvuldig van tegenstellingen, paradoxen en metaforen, aan de natuur ontleend, om de innerlijke gesteldheid van het lyrisch subject te naderen. Opvallend is tevens dat zij het woord ‘ik’ zelden gebruikt, zo nu en dan wel de woorden ‘je’ of ‘we’. Zodoende stelt ze zich veelal als een alwetend subject op die al observerend en beschouwend boven haar poëticale wereld zweeft.
In de bundel Nauwe geboorte (1975) spreekt Reniers ons in een taal toe waaraan je voortdurend afleest dat ze zoekt naar sporen van die andere wereld: ‘dit lichtvocabularium / gepuurd / uit de schaduwbundel / van een rozelaarsprofiel / op een niet eens witte muur //’. Aan dit lichtspel op een muur ontleent ze ‘de druppel hoop / aan de muur van morgen //’. Haar poëtische wereld heeft de kenmerken van een dagdroom, een inkeer, een reflectie die tot intense momenten van verwondering kan leiden: ‘echte herinnering / is verwondering / het waarom hier en dit gezicht / in een ander land / de bevreemdend rakende huid / van ene gevreesde arm / en de niet versteende / hagedis //’. Voor Reniers is Lethe-land het land waar tekens uit een tafel spruiten ‘en […] de stemmen [wijd] gedoken / […] [liggen] //’. Ze besluit dit vers met de veelzeggende woorden: ‘denken is ook / onderduiken / en de tijd / uit de boomgaard kijken//’. Blijkbaar beschouwt Reniers hier herinneren als een vorm van denken. Ze droomt weg in haar herinneringen en verliest zodoende besef van tijd, want ‘zijn’ is voor haar gevangen zijn tussen ‘het licht- en schaduwbeeld’ en ‘op zijn tong / de amandelsmaak van de voleinding//’. Daarmee is het denken, het herinneren een weg naar de verwondering die een ontvankelijkheid met zich meebrengt die nodig is om de woorden te kunnen ontvangen.
In de bundel Het woord gaat eigen wegen (1981) staan gedichten die de kracht van de taal in mensen tot onderwerp hebben waarvan de werkzaamheid zowel positief als negatief kan zijn:

het woord het woord gaat eigen wegen
onder de aarde stroomt het
uit het licht kijkt het

in de gele vuren
roodomrand

alleen in mensen
stokt het
en wordt zwart

In diezelfde mensen wordt het woord omgevormd tot een

gloeiende kern
van kracht
heilige boosheid
in de mensen

in de mensen daagt het
het dat de hand
van het kind
achter de oorlel
verzacht

De intensieve kracht van haar beeldtaal imponeert, zoals in een gedicht gewijd aan de Neusiedlersee in de bundel Bestendig vuur (1986):

het vuur in het riet
wordt knetterend springen van vogels
en de adem vat vuur van hem
die heenpendelt naar het riet

en van het riet weg geheimzinnig
fluisteren van kleuren terwijl de vleugels
knipperend over het rietveld schijnbaar weg-
wiegend

weer in het midden
naar het stengelgeheim het lijnenwoud
hun intrek nemen bewegend heen en weer
verspringend terwijl het oog van het water

in het midden rust

Het lijnenspel dat Reniers hier fijnzinnig etst, is in haar beweging zo vol geheimenis en numineus van aard dat het helemaal beantwoordt aan de aard van haar dichterschap. De vier elementen, de zintuiglijkheid en haar scherpe observatie van dit natuurtafereel culmineren in de laatste versregel tot een volmaakt beeld van stilte en beweging, geheel in zichzelf besloten. Ze schetst een wereld in het hier en nu waarachter en waardoorheen zich een wereld van het andere weten aan ons voordoet.
Veel gedichten van Reniers hebben een poëticale inslag. Ze weet dit omzichtig te verbinden met haar natuurobservaties en relationele verwikkelingen. In de bundel Doorzichtig wachten (1992) laat ze op diverse plaatsen zien hoe omzichtig en volstrekt ondoorzichtig het proces van dichten verloopt. In zijn ongrijpbaarheid weet ze iets van dit geheim op papier te zetten:

poëzie is
tonen en teruggeven

en terugnemen om te verbergen
in verwondering

en in dit laten een lach
aan de rand

van gekrulde waanzin
die erin bestaat

vrij te geven om te tonen
hoe iets zich terugplooit
in zichzelf

Reniers is voor mij een spannende ontdekking in een literair landschap waarin nogal eens de belevenissen van het ego, de actuele verwarring in het persoonlijk leven en de wereld zich opdringen aan de poëzie van dit nieuwe millennium. Zij weet zich zozeer te ontledigen van dat alles dat ze ruimte creëert voor die numineuze wereld zonder daardoor het contact met het dingen om haar heen te verliezen: ‘om verder te reiken / dan bestaan // en een horizon zien naderen / voor nabestaan //’.

***

Annie Reniers (1941) studeerde Germaanse Filologie en Wijsbegeerte. Ze was deeltijds hoogleraar aan de V.U.B. In 1977 won ze met de bundel Nauwe geboorte (1975) de H.C. Pernathprijs. Reniers schreef een dertigtal bundels en behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van het numineuze vers. Uitgaande van een eigenzinnige poëtica probeert ze keer op keer het zijnsmysterie te doorgronden.