Recensie van rekonstruktie/konstruktie - sadà\exposadà

Poëzie voor de onderbuik

sadà\exposadà
rekonstruktie/konstruktie
Uitgever: crU
2018
ISBN 9789079993185
€ 30
150 blz.

Blijkbaar is het scheppen van kunst heel wat anders dan het analyseren ervan. Een conclusie als een open deur die, na het lezen van de bundel rekonstruktie/konstruktie van sadà\exposadà, helaas niet is dichtgegaan voor mij. En hierbij zou ik het willen laten.
Maar dat kan niet, vrees ik. Meander heeft me niet aangenomen om na twee maanden samenwonen (ik neem graag de tijd om te wennen) in een recensie alleen met déze uitspraak aan te komen. Dus zwicht ik voor wat geen verleiding kon zijn en ga iets zeggen over rekonstruktie/konstruktie van sadà\exposadà.

Nieuwsgierig? Okay. De lezer stelle zich direct bloot aan wat de schrijver met zijn diepzinnige inleiding mij mogelijk wilde besparen:

gouddildo

         bedien de fontein. drink zon uit water, de hoer is
goud in de fontein. bedien het fonteinkalf. drink de
hoer uit water, het kalf is goud in de fontein.
neem ontvangbad in de hoer. bedien de fonteindildo.
drink het kalf uit water, de vrouwmaker is goud in de
fontein. neem genadebad in de hoer. terug, de fontein
neemt zon. terug, de fontein neemt zaad. wat bezinkt is
koncentreergeur wat bezinkt is koncentreergeur.
           het waterkalf slaat het water.

           opgemaakte zon, zware hoer, berijdt als mensen
de hoerendoder, opgemaakte zon, zuivere hoer, vindt
in het bloed genade, vindt in het bloed
wijn en zuur.
       de waterhoer slaat het water.

Het advies uit de inleiding is om de tekst hardop te lezen en zo de ingewanden mee te laten resoneren. Dit is zintuigelijke poëzie. En voor de duidelijkheid: betekenis doet er niet (echt?) toe. Alleen de rite van de grammatica, de syntaxis: dát. Poëzie is dictie en de dichter is de niet-erkende wetgever van de wereld. Dus geen gezeur over… ja, waarover? Ik kan me niet onttrekken aan de gedachte dat het zelfs voor deze schrijver, of schrijfster (het blijft onduidelijk) wél uitmaakt wat er staat. Wat zijn dat anders voor wetten die een dichter uitschrijft? En een zinsnede als ‘drink zon uit water’ klinkt toch tamelijk begrijpelijk als een aanmoediging om de gespiegelde zon op te nemen. Ook ‘opgemaakte zon, zware hoer’, is niet vrij van betekenisvolle associaties (de zon schminkt zich in zekere zin met de stof waarop ze schijnt). Nog een voorbeeldje?

Uit de gele boeken/zout: XI louteraars: XLIII

     drankhuil koortsig over godsbleke kontheuvels, de
stroom over de witkoepel loutergeil.

     trek en drankhuil koortsig over bleke kontheuvels,
met koncentrerende tongen koncentrerende neus.

     fallusval van de
     witkoepelkont.
     trek in de
     louteraars. louteraars. louteraars. louteraars.

Goed. De schrijver hecht vooral belang aan de klank en het affect (gevoel) dat een tekst oproept. Hij (wiens naam niet genoemd mag worden) haalt uitvoerig Edmund Burke aan, die beweert dat van de drie effecten die woorden in onze hersenen opleveren (klank, beeld en gevoel) het beeld nog de minste impact heeft. Vooral het gevoel (affect) dat een tekst overbrengt steekt zijn kop diep in het onbewuste, dat ‘louter uit voorstellingen bestaat’ en geen uitsluiting kent, geen dit óf dat, zoals het dichotomische denken. Zelfs geen tijd: alles bestaat er broederlijk naast elkaar.
In het onbewuste worden temporele relaties naar ruimtelijke omgezet. Maar het omgekeerde gebeurt ook: wanneer we ons van iets bewust worden, wordt een voorstelling in het onbewuste voor de tweede keer bewerkt tot een proces in de tijd: tot spreken, schrijven, een taalvoorstelling. En deze secundaire bewerking is volgens de schrijver nog doortrokken van het primaire (onbewuste) affect. Woorden, die rare dingen die uiterlijk helemaal niet lijken op wat ze vertegenwoordigen, wekken uiteindelijk bijna hetzelfde affect op als de dingen waarvoor ze (be)staan! Daardoor wordt een nieuw soort ‘tijd’ geschapen: een tijd die de lezer niet zozeer ‘leeft’, als wel ‘leest’; een tijd die hij kan manipuleren door oogbewegingen en oogsprongetjes. Twee pingpongballen die gebroederlijk in hun eigen cadans over een tekst stuiteren scheppen een ‘ruimtelijke tijd’. De lezer wórdt de tijd, de ‘tijdeloze tijd’ zélf.
Teksten moeten de lezer ‘nieuwe ingewanden geven door een zin-zintuiglijke metamorfose’. Een soort gut feeling? Misschien. Maar metamorfose is volgens mij hier het sleutelwoord. Taal zou ons moeten openbreken en veranderen. Niet voor niets haalt de schrijver de mythe van Actaeon erbij. Een jager die met zijn vijftig honden een hert achterna zit. In het woud ziet hij tijdens de jacht als hij wat wil drinken bij een bron de godin Diana – die aan het baden is – per (on)geluk naakt. Diana straft hem daarvoor door hem in een hert te veranderen. De arme jager wordt daarna door zijn eigen honden verscheurd…
We moeten het niet vergeten: een lezer kan worden vergeleken met Actaeon. In het woud van de tekst zitten we als lezers een magisch hert achterna. Diana naakt zien (bij de bron!) is eigenlijk niets anders dan het (onbewust?) gezochte dat deel uitmaakt van onszelf in de bron, de tekst – die een spiegel is – te zien (te aanschouwen). Waarop deze eye opener ons als lezer verandert, en ons als een ‘haunting truth’ verscheurt (iets over jezelf leren is meestal niet leuk). Wat iedere schrijver uiteindelijk wil is zijn lezers veranderen! Lezen als herstructureren van hersenen: rekonstruktie/konstruktie. Poëzie als aanklacht en de lezer als aangeklaagde. Lezen als effect en de tekst als getuige.

Tot zover mijn interpretatie van de inleiding van de schrijver. Om de lezer een idee te geven van de context waarin deze poëzie gepresenteerd wordt. En over context gesproken (ik heb er al op gezinspeeld): sadà\exposadà is géén persoon. De schrijver vertelt dat het de naam is van een ‘corpus van teksten’. Een corpus waarvan de naam blijkbaar is geïnspireerd door (‘geroofd van’, vgl. de inleiding) de film L’ Empire des Sens (het rijk der zinnen) van de Japanse filmregisseur Nagisa Oshima uit 1976. Een hoofdrolspeler heet daar Sadà en heeft een onverzadigbare seksuele obsessie. Ze wil één worden met haar partner, die ze zelfs bereid is daarvoor te vermoorden (afgaande op hoe iemand anders dit beschrijft, want ik heb de film zelf niet gezien). 
Binnen dit kader past het dat de teksten obsessief en seksueel getint zijn en ‘zintuiglikke’ effecten proberen na te streven:

         ‘buig  jij  buig  voor  de   pik  buig  de  pik  in   je
volgmond.  buig. buig  de vis de  vogel, verstoort  de
mond het bloed. buig jij  buig  voor  de  pik  buig het
bloed in je volgmondring. buig. buig het speeksel de
wijn, vreet de mond het bloed. voed jij voed voor de
pik voed de pik in je volgmondring.’

Zijn er nog meer redenen te bedenken waarom de schrijver voor seksueel getinte teksten koos? Is het zijn Freudiaanse inslag die hem-het-haar heeft ingegeven? In de inleiding wordt Freud uitgebreid aangehaald. Het is mogelijk. Ik zeg dit omdat de inleiding feitelijk ook voor iedere andere soort poëzie kan worden gebruikt. Er is in wezen niets in het proces waarmee wij taal ondergaan dat voorschrijft hoe poëzie eruit moet zien (of wel?). En bovendien: de schrijver zelf geeft aan dat het belang van betekenis ondergeschikt is: ‘het onder een begrip brengen is irrelevant’!
Misschien is de schrijver zich ervan bewust dat in iedere lezer (en schrijver) een narcist verscholen zit, en geilt hij zichzelf op met zulke teksten (lijkt me niet onwaarschijnlijk hier). Seks is en blijft één van de grootste driften van de mens. Naast de doodsdrift natuurlijk, die in de film L’ Empire des Sens ook aan de orde komt. Is het een combinatie van deze beide driften die ons drijft…  bij lezen, én schrijven? Dat zou dan het sm-sfeertje in sommige teksten kunnen verklaren. De keurige en strakke uitvoering van de bundel en de intelligente inleiding passen daar uitstekend bij. Maar ik ben geen echte kenner dus ik weet het niet… Wat weet ik niet? Nou, voor wie ik deze recensie (deze aanklacht) schrijf. Een beklaagde die ontkent dat hij of zij van vlees en bloed is (want enkel taal) kan eigenlijk geen beklaagde meer zijn; een corpus van teksten maakt van iedere opmerking een boemerang die terugvliegt naar wie hem maakt. En de echte schrijver woont ver weg: onkwetsbaar in het bos, een super-narcist die zich compleet in zijn tekst heeft weggeschreven. Een goede metafoor verduistert, nietwaar? Ach, dát zit mij natuurlijk dwars! Dát (wat ik niet ken). Frustrerend, want

geen vrouw geen vent die ik als recensent
niet gaarne in het hart tref met mijn pen.

***
rekonstruktie/konstruktie bevat de drie boeken die voorafgaan aan de grote middag en de zaal van baards!, te weten: zienerlied-entartet, ON- en de gele boeken/zout. Voor de lezers van het eerdere werk van sadà\exposadà vormt dit boek een onmisbare completering. Voor de eerdere maar zeker voor nieuwe lezers heeft sadà een inleiding geschreven die een goede ingang geeft tot het geheel van dit corpus. (informatie van de website van de uitgever)

Recensie van De zaal van baards! - sadà\exposadà

Een woekeraar met taal

sadà\exposadà
De zaal van baards!
Uitgever: crU
2016
ISBN 9789079993123
€ 24,95
106 blz.

Ik vermoed dat iedereen de ongemakkelijke relatie wel kent tussen twee mensen die elkaars taal niet spreken. Nog ongemakkelijker is die, wanneer ogenschijnlijk dezelfde taal gesproken wordt, maar men geen overeenkomst kan vinden tussen de gebruikte, de bedoelde, en de verstane woorden. Het is voor de tweede keer dat ik een bundel van sadà\exposadà te recenseren krijg, en maar niet begrijpen kan wat hij bedoelt, waar hij op zint. Wanneer je een dichtbundel leest, ga je in zekere zin een gesprek aan met de dichter. Hij moet je op de een of andere manier raken, je mee kunnen nemen in zijn betoog. Wanneer maar één van de deelnemers zich kan plooien (de lezer) zonder dat er van de kant van de dichter ook maar enige moeite lijkt gedaan om de ander te benaderen, dan kun je je afvragen met welk doel deze poëzie geschreven is: moet de lezer tot nieuwe begrippen komen? Zijn de begrippen die de dichter hanteert waardevoller dan de algemeen geaccepteerde, omdat de taal versleten is? – benaderen zij de werkelijkheid dichter? – Want dat is toch waar het uiteindelijk om gaat?

De werkelijkheid van de dichter kom je niet tegen, er is nergens sprake van een ‘ik’. Het is vooral de werkelijkheid van de literatuur. Het zijn voornamelijk Griekse en Romeinse mythen, en het werk van een groot voorbeeld: Ezra Pound. Met name in diens Pisaanse canto’s heeft de zaal van baards! een illustere voorganger, waarmee ontrafelaars zich al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw bezig houden.

Laten we bij het begin van de bundel beginnen, de afdeling ‘zaal’ die zich over vijf ongenummerde pagina’s uitstrekt. Let wel, het zijn afzonderlijke gedichten:

Het begint met ‘de maatval van de klok’, en het eindigt met de klok die gloort. Zo gebeurt er ook het een en ander met de zonbekranste ossen; en engelen, met kut, troosten zich: teut. ‘Teut met kut’.

Na het verschillende malen gelezen en de gevarieerde onderwerpen gecombineerd te hebben, voelde ik mij zelf een ‘ontbergrader’. Met de nadruk op rader. Je komt hem in deze bundel een aantal malen tegen.

Het ‘usura-ez’ slaat op Ezra Pound (1885 – 1972). Usura betekent ‘woeker’ (latijn), waarmee de Joodse naam Ezra een klankovereenkomst heeft. En de achternaam Pound herinnert aan de Engelse pond. Erza’s vader was muntmeester bij het ministerie van financiën in Philadelphia, en Ezra schreef na de eerste wereldoorlog het ‘ABC of economics’. Poëzie en economie, dus politiek, waren verbonden in zijn wereldbeschouwing, die hem ook tot het fascisme bracht. Al in de zesde regel van de eerste Pisaanse canto, die hij in Amerikaanse gevangenschap schreef, opgesloten in een tijgerkooi, schrijft hij: ‘Opdat maden de dode os zouden eten’, daarmee doelend op Mussolini. Ik vermoed dat sadà\ exposadà met zijn ‘usura’ vooral doelt op het woekeren met woorden, door ze elke keer in andere context te plaatsen en zo hun betekenis te verrijken: de bundel bevat eindeloos veel verbanden van bepaalde woorden, een intellectueel spel dat helaas op geen enkel moment in staat was mijn hart te raken. Poëzie die cerebraler is dan deze kan ik mij moeilijk voorstellen. Maar nu bewegen we ons op het gebied van smaak.

Hoe ver de intertekstualiteit gaat laat sadà\exposadà goed zien aan de hand van dit fragment en de toelichting daarop in het notenapparaat:

 

De persoonsnamen buiten het gedicht moeten het van sadà\exposadà ook zonder hoofdletters stellen.

Ik blijf maar zitten met de vraag naar de bedoeling, de betekenis van deze poëzie. Een nieuwe inhoud heeft niet direct een nieuwe vorm tot gevolg, zie Baudelaire. Andersom is het evenmin het geval. Wanneer je ze met elkaar vergelijkt is de zaal van baards! van sadà\exposadà extremer en minder eenvoudig leesbaar dan De Pisaanse Canto’s van Ezra Pound die zelfs Chinese en Griekse lettertekens door zijn tekst mixte en dus erudiete vertalers nodig had. Er is nog een opvallend verschil: de tekst is ook veel schraler. Het aantal kernwoorden, kernbegrippen is beperkt.
Wat het er niet gemakkelijker op maakt, is dat je er niet even een fragment uit de zaal van baards! kan plukken om op je gemak te ontcijferen; de bundel vraagt om een lezing als geheel, wat de vraag naar de bedoeling evenwel niet beantwoordt. De band met ‘onze’ werkelijkheid is ver te zoeken. sadà\exposadà geeft je wel heel weinig houvast. De ‘baards’ van wie de zaal (welke zaal?) mag zijn, blijft een onbekende. Wanneer zijn leven niet voornamelijk verliteratuurd is, valt er voor de lezer niet zo heel veel te genieten, ben ik bang. Dat ik niet erg van puzzelen houd, beperkt mijn mogelijkheid om van deze tekst te genieten ook wel een beetje…

De bundel is prachtig uitgegeven, met een mooie omslag, twee kleurendruk, (als extra een paar maal grijs) met getekende symbolen, en een klein, noodzakelijk (wie leest er Hebreeuws?) glossarium.

***

sadà\exposadà debuteerde in 2015 met de grote middag, dat samen met de zaal van baards! een tweeluik vormt.

Recensie van de grote middag - sadà\ exposadà

De triomf van de roofkunst

sadà\ exposadà
de grote middag
Uitgever: crU
2015
ISBN 9789079993093
€ 13,95
46 blz.

Het gebeurt niet vaak dat ik mij geroepen voel om een bundel van kaft tot kaft te bespreken. In dit geval ontkom ik er niet aan. Dat komt, om te beginnen, door de titel.
De grote middag is als titel niet zo opzienbarend, maar wel de ondertitel: sadà\ exposadà (wat bij nader inzien de naam van de auteur blijkt te zijn).
Is dit de bundel van een dichter die graag laat zien dat hij zijn talen kent en hoopt op een ontwikkelde, zeg maar intellectuele lezersschaar? Of is het een immigrant die ons wil laten delen in zijn nieuw verworven taalschat? (Hafid Bouazza graasde zelfs verdorde stukken van de Nederlandse taaltuin af. Als dat geen liefde voor taal is!)
Of is het iemand die werkzaam is in de toeristenindustrie die zijn talenkennis uittest?
De rugtekst bracht mij iets dichter bij de oplossing van het raadsel:

de grote middag, het propagandistisch-klassiek
natuurgedicht, preambule van de zaal van baards!,
de triomf van de roofkunst

 

Kapers, in vroeger tijden, voeren wel vaker onder vreemde vlag… Dat de kaper het niet bij de grote middag zal laten, blijkt uit het feit dat hij deze bundel een preambule noemt.
De zaal van baards lijkt mij geen correct Nederlands, dus – toch iemand van vreemde afkomst?
De dichter blijkt iets tegen hoofdletters te hebben. Misschien is ‘baards’ gewoon een achternaam?

Wie is deze kaper? Bescheidenheid zal het niet zijn die hem ertoe bracht zijn naam te verzwijgen.
Hij noemt zijn boekje zelfs de triomf van de roofkunst. Of heeft hij het over de toekomstige zaal van – is dat pas die vooronderstelde triomf?
Is het zijn criminele inslag die hem ertoe bracht zijn ware identiteit te verbergen?
Samira, aan wie de bundel is opgedragen, zal hem wel kennen, de ijdeltuit.

Die opdracht aan haar staat onder drie stukken tekst, in hun oorspronkelijke taal, één van William Blake, en twee van Friedrich Nietzsche. Nu is het helemaal duidelijk dat de bundel bedoeld is voor een select publiek. Maar wel een geborneerd publiek; altijd weer zijn het diezelfde vlaggen waarmee schrijvers hun lading willen dekken:  grote dichters, grote filosofen, invloedrijke grondleggers van het één of ander. Het valt mij bijna tegen dat Bataille ontbreekt.
Misschien duidt het ontbreken van kapitalen  in de namen wel op gebrek aan respect. Hij heeft zijn grootheden tenslotte beroofd, zo weerloos als zij waren, want dood. Op de laatste bladzijde legt hij verantwoording af: hij jatte van Friedrich Hölderlin, van Sigmund Freud, van William Blake, van Dante Alighieri, en uit het Grieks stal hij het epitheton van Dionysos. Allen gezegend met bescheiden kleine lettertjes. Of hij eerlijk genoeg was om elke diefstal te vermelden blijft de vraag.

Zo kom ik eindelijk bij de tekst, waarnaar menigeen ongetwijfeld nieuwsgierig is geraakt.
De pagina’s zijn ongenummerd. Alles bij elkaar telt de bundel 44 bladzijden.
Ik zal de afdeling ‘schaal’ in zijn geheel citeren, alles bij elkaar 29 regels, dat kan voor niemand teveel zijn:

gewelfde wolfshand
grijpt zonder schaduwschild gewelfde spieren ––gewogen uitstel tussen
zon en schaal.

 

Volgende pagina:

wolfstralend gebergte, balg, de broeiplooien, wolfstralend, grijp met de wijzende vingers,
zonder duim, wolfstralende, de uitmiddelpuntige klok van de natuur.

 

Volgende pagina:

zaai wolfstralend zon, schuim
van het schild, wolf
van de schaal.

 

Volgende pagina:

roep een getuige
tweespan op, meer natuurverschijnsel
dan mens; zon,
wending.

weeg wolfstralend zon ––phaëton de schaal
van de zon ––

baubo plooit de bliksems.

 

Volgende:

afdriftige, werktuig de heersenden,
zuilen van wolven, oersap van
het ding.

 

Volgende:

plooit philomela het kleed, de textuur
grijpt de tong, als of mes, gekanibaliseerd sap, dreig een bliksem, met die driftige plooi,
weeg de donder, achteraf, in passen meet je, op de schaal van de zon.

 

Volgende pagina:

het tweespan schijn, kringloop van het gewelf, sap van de wolf, als of
van de tong, stuur het ding, werktuiglijk, in de balg van de mond.

 

Volgende:

wiel weegloos, voeg. de pijl. on-
tuig, afdriftige, het uitstel, stel je in gebergte
op, de wolf verwijlt in roof.

 

Volgende:

zeil met de sluier van bliksem de tent van speeksel

(zaai de schaal plooi de wolf en bliksem en wijzer ruist schaduwschildloos schuim)

stuur over de werking ––de pijl vol in de zon.

De rest van de bundel laat zich raden.

 

Eén ding is mij duidelijk: de dichter heeft iets met plooien. Ik zou de bliksem eerder gekreukt noemen, maar zijn vrijheid is de dichter natuurlijk gegund; zijn driftige plooi – sterkere brallepraat heb ik lang niet gelezen. Het  propagandistisch-klassiek natuurgedicht. Dat het gedicht geen enkel pakkend beeld bevat is opvallend, dat het niet muzikaal is, dat dynamiek ver te zoeken is, dat het door gebrek aan precisie onduidelijk is (dat ding van die wolf, ‘gekanabaliseerd sap’) –
Ik haat spelletjes, maar speel liever een spelletje scrabble dan dat ik uit moet puzzelen wat de dichter met zijn moedwillig lezersonvriendelijke tekstjes bedoelt.
Ik schrijf wel ‘dichter’, maar bedoel natuurlijk kaper. En een schrijfsel dat zo zielloos is als de grote middag mag de naam poëzie niet dragen.
Dat schaamteloze gepronk met obligate eruditie! Had hij er maar iets leesbaars van gemaakt. Het is het zoveelste onnozele puzzelwerkje onder het mom van poëzie! Het mist zelfs de meest minimale urgentie. Het heeft geen stem, zelfs de gestolen stemmen ontbreken, en dat is een flagrante verspilling van materiaal (en energie van lezers).

Het blijft mij een raadsel, waarom de dichter niet zijn eigen stem laat horen, waarom hij zich verschuilt achter grote dichters als Hölderlin, die we, lijkt mij, toch beter zelf aan het woord kunnen laten. Freud probeerde de psyche in kaart te brengen; mij lijkt het beter je eigen psyche te laten spreken, en veel interessanter. Liever het oprechte gestamel van iemand die door het leven geraakt is, dan de wijsheid van iemand die laat zien dat hij veel gelezen heeft. Daar is moed voor nodig en verbeeldingskracht. De schrijver heeft laten blijken dat hij ambitie heeft; laat hij zich revancheren met een volgende bundel waarin hij zichzelf durft te laten zien. Poëzie is een zaak van het hart.