Recensie van Garderobe, kleine zaal - K. Schippers

Haast hebben in een begrafenisrij

K. Schippers
Garderobe, kleine zaal
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021407388
€ 17,99
84 blz.

Observatie 1. In het septemberweekend dat in Utrecht de Nacht van de Poëzie jubileert heeft criticus Arjan Peters zeven pagina’s ruimte gekregen in de Volkskrantbijlage ‘Sir Edmund’. Onderwerp: het wantrouwen tegen de poëzie. Arjan wil een aantal aspecten in de poëzie aan de orde stellen en doet dan in de vorm van een briefwisseling met drie dichters: Ellen Deckwitz, Menno Wigman en Laura van der Haar. Aan Ellen vraagt hij provocerend of de poëzie van K. Schippers zichzelf niet heeft overleefd. Hij citeert uit de nieuwe bundel Garderobe, kleine zaal de gedichten waar Schippers vooral met de taal speelt, zoals hij dat vroeger ook zoveel heeft gedaan. Arjan Peters: ‘In de jaren zestig van de vorige eeuw moesten de mensen om deze teksten grinniken. Wat leuk, dat dit ook poëzie mocht zijn. Maar we zijn een halve eeuw verder. De grapjes zijn uitgewerkt.’ Lezers blijven respect tonen voor P.C. Hooftprijswinnaar K. Schippers en Arjan Peters vraagt aan Ellen Deckwitz of zij ook vindt dat de lezers worden belazerd. Het antwoord van Deckwitz is diplomatiek: poëzie belazert de lezer per definitie en er zijn echt veel, vaak beginnende, lezers die wél plezier hebben van de taalvondsten: ‘Poëzie is, hoe je het ook wendt of keert, soms ook entertainment. Ja, ze kan helpen je denken te verscherpen en je inzichten en troost bieden, maar het is soms ook een lekker gestoei met taal.’

Observatie 2: Burgemeester Van der Laan is overleden en Amsterdams stadsdichter K. Schippers mag in het hijgerige cultuurprogramma voor het grote publiek ‘De Wereld Draait Door’ zijn stadsgedicht daarover voordragen. Mooi, denk ik, maar best moeilijk voor ongeoefende lezers / luisteraars. Een fragment: ‘Kan een gat zo groot / worden dat de sok er nauwelijks is, steeds / meer gaten, haast zonder wol? De leegte / rukt op, de burgemeester zit er middenin.’ En verderop: ‘Oh, // E v d L, ben je op elk uithangbord het wit / tussen de woorden, vult je afwezigheid alle / plekken waar Amsterdam steeds opnieuw wordt / beschaduwd, beademd, gespeld, gespeeld.’ Schippers laat de geest van de verscheiden geliefde burgemeester alle leegten in de stad vullen: Eberhard Spatie.

Observatie 3: Dochter komt thuis en ziet bundel liggen van K. Schippers; dochter leest veel maar nauwelijks poëzie: ‘Deze ken ik…’ Schippers’ werk komt veel terug in de poëzieproducten van uitgeverij Plint: bekers, ansichtkaarten en posters. Ze bladert door Garderobe, kleine zaal en concludeert: ‘Maar dit is te moeilijk voor op mijn kussensloop…’

De bundel Garderobe, kleine zaal is niet een partij taalvondsten met een kaftje erom. En ja, ze komen er wel in voor. Je zou ook schrikken als het niet zo was. Ze maken onderdeel uit van het oeuvre van K. Schippers en zijn meer dan een grappig bedoelde vondst. Ze werken mee aan de ontologie van het gedicht, maar ook van de dichter.

Het onderzoek naar grenzen van poëzie is voor Schippers nog niet afgerond. Zoals in zijn roman Eerste indrukken uit 1979 waar vanuit het perspectief van de beginnende nog taalloze mens, een driejarige, de wereld wordt beschouwd, zó kijkt de dichter nog steeds rond in de wereld. Alles moet telkens opnieuw worden geleerd. Waarom is een partij woorden met witregels wél een gedicht en een reeks bonnen van de garderobe dat niet? De website van bol.com weet hoe het zit met het titelgedicht van de bundel: ‘Als jassen uit verschillende werelden bij elkaar in een garderobe, zo gevarieerd zijn de gedichten van K. Schippers.’ Maar wie het gedicht nog eens goed bekijkt, ziet dat er nog maar een paar jassen zijn afgegeven bij de garderobe. Er zit weer eens geen hond in de kleine zaal, er zal wel weer een voordragende dichter op het programma staan. En de paar stumpers die daarop afkomen, houden vaak ook nog hun jassen aan!

Maar Garderobe, kleine zaal gaat verder dan het onderzoek naar de grenzen van het vers. De grenzen van het bestaan worden verkend. Zoals een gedicht kan worden gedefinieerd door de witregels, zo wordt de dichter bepaald door wat er om hem heen gebeurt, door de echo van zijn voetstappen en zijn spiegelbeeld, zoals in het eerste gedicht.

Waar je bent

Je zit in de bus tegenover 
iemand en je denkt ‘t is 
m’n spiegelbeeld

Zo lijkt ook de echo van je 
voetstap op straat van een 
ander te zijn.

Je luister naar wat niet 
meer bij je hoort, het zegt 
waar je bent.

Leen je terloopse gebaren om 
nog te kunnen bestaan een oog 
opslag een hand aan je

kin. Een andere hand met een tas 
voor brood, schommelt 
een zwarte paraplu aan een

arm zo anders nu je ‘m zelf niet 
draagt, verzot op gestoofde 
aal terwijl je het

niet meer proeft, je verspreidt je 
over anderen tot ze de last 
om er te zijn

voor je kunnen dragen zoals jij 
me een keer zag en zei dacht dat 
ik het was.

Ligt m’n bril in de polder, een 
schoen, m’n rechter, op een 
eiland en

een boek in een hotel moet maar 
kijken hoe ik er kom, ik ben 
er niet meer,

anderen maken mijn geluiden, 
door hen word ik zichtbaar. 
Zo is ook dit

gedicht van een ander, iemand 
zegt het zacht op als hij me 
voorbijloopt op straat.

De ‘ik’ is totaal verdwenen en alleen alles om de ‘ik’ heen wijst nog op het oude bestaan. Het is de gat in de sok die de sok definieert. Het is de opsomming van alles wat gewoon doorgaat te gebeuren terwijl er één ding is dat maar niet gebeurt: Chaim Levano kan niet naar Den Haag komen. Het gelijknamige gedicht gaat maar door met het opsommen van feiten, terwijl elke strofe eindigt met het benadrukken van Levano’s afwezigheid. Het is de speurtocht in het gedicht ‘Zoek’ naar de vormen van het zichtbaar niets:

Kun je gaten verzamelen? 
Kun je gaten bewaren? 
Als je ze verplaatst, vullen ze 
zich met andere lucht.

(…)

Het is de droge opsomming van tijdstippen en locaties van de stervende kat in ‘Laatste plekken’ die iets duidelijk maakt over iets anders: afscheid nemen van een geliefd dier, de hulpeloosheid van het liefhebbende kattenbaasje. Het is het uitvergroten van het wit tussen de regels in het gedicht ‘Na’ en ‘Zo’ op een manier dat de woorden nauwelijks meer passen op de pagina. Het gaat niet om de woorden die in het gedicht staan, die woorden zijn als de randen om de ‘O’. De omgeving bepaalt mede de betekenis zoals het bijzonder is om in een begrafenisrij de onrust van haast te voelen terwijl je op weg bent iemand te ondersteunen die zojuist een geliefde is kwijt geraakt aan de eeuwigheid, het tijdloze (‘Maskers’). Schippers legt het uit in het gedicht ‘Definitie’. Waarom iets definiëren dat je al op een andere manier duidelijk hebt gemaakt?

Definitie

Iemand gebruikt het woord 
‘flirt’ op de radio en 
denkt dat het zo moeilijk 
is te zeggen wat het inhoudt.

Dat heeft hij met het woord 
‘flirt’ zelf, je hoort de 
aanhalingstekens, toch juist 
heel beknopt net gedaan?

Garderobe, kleine zaal is noch ‘lekker gestoei met taal’ noch een verzameling als gedichten gepresenteerde grapjes. Het is een sterk samenhangende bundel deelonderzoeken naar de essentie van wat ‘is’. K. Schippers heeft zijn gedichten niet nodig om te kunnen zien. De gedichten hebben hem nodig om gezien te kunnen worden.

***
K. Schippers (Amsterdam, 1936) is schrijver, dichter, essayist en kunstcriticus met een omvangrijk oeuvre: romans, poëzie, essays, verhalen en een enkel kinderboek. Al vroeg werd hij bekend door het literaire tijdschrift Barbarber, dat hij in 1958 samen met J. Bernlef en G. Brands oprichtte. K. Schippers ontving veel literaire prijzen voor zijn werk; voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. 

Recensie van Fijn dat u luistert - K. Schippers

Het onverbondene van de dingen

K. Schippers
Fijn dat u luistert
Uitgever: Querido
2014
ISBN 9789021456072
€ 18,99
88 blz.

 
Bij Schippers heeft de werkelijkheid niets vanzelfsprekends – al vanaf 1958 niet, het jaar waarin Barbarber verscheen.  Zijn werk vormt een nooit eindigend onderzoek van het schijnbaar gewone en dat blijft boeien. Er is geen samenhang in de dingen, zegt hij. Die brengen we zelf aan:
 

Het onverbondene van de dingen
                blad valt naast bank
                               naast tuinslang
                  alleen door ons kijken
                           samenhang
 
(‘Tussen hen in’)

 
Voor iemand die zich hiervan bewust is, is niets gewoon. Net als kinderen hebben zij een onbevangen observatievermogen. Het gedicht ‘Stekeltjes’ begint met de regels ‘Flip noemde een / zwerm stekeltjes / een schoolreisje’ – voor Schippers is deze uitspraak bijzonder genoeg om te verwerken in een gedicht.
Het aardige is, dat hij in dit fragment iets onverwachts toevoegt: aandacht voor het woord zwerm in dit geval. Een zwerm bijen, een zwerm spreeuwen, maar een zwerm vissen? Dat zeggen we niet. Vreemd eigenlijk. Schippers constateert het terloops, om een verklaring gaat het niet.
 
De fragmenten staan in zijn nieuwe bundel Fijn dat u luistert.  Al voor je start met lezen, roept die vragen op. De titel is eigenaardig: ‘Fijn dat u leest’ ligt meer voor de hand. En de afbeelding op de voor- en achterkant lijkt op gebruikt pakpapier: gekreukeld en met een scherpe vouw in het midden. Pakpapier kom je tegen in het gedicht ‘Jeuk’. De dichter merkt daarin op, dat er stof, korrels en andere dingen op lineoleum vallen,  zonder dat het je fantasie prikkelt: ‘Eenmaal gevallen en je ziet het / al niet meer.’ Dat in tegenstelling tot verfrommeld pakpapier dat ‘nog wel eens / op iets begint te lijken ( … )  – moet ’t nou in de / prullenbak of niet?’ In dit geval zou het papier kunnen lijken op ‘De lijnen op een wit tafelkleed’ uit het eerste gedicht ‘Het overhevelen van gewicht’. Hij lijkt het fictieve papier in ieder geval niet te hebben weggegooid: zie de omslag. Of schep ik nu een samenhang die er niet is?

‘Fijn dat u luistert’ blijkt ook de titel te zijn van een gedicht. Ik citeer het in zijn geheel, omdat het exemplarisch is voor zijn werkwijze. Hij schrijft op een humoristische, speelse, maar scherpzinnige wijze over de verhouding tussen poëzie en werkelijkheid, een onderwerp dat bij anderen nogal eens heeft geleid tot loodzware en onleesbare beschouwingen.
 

Fijn dat u luistert
 
Op de hotelkamer zegt ze ‘… nog even
bezig, ga jij maar vast.’ Zit je
alleen aan het ontbijt. Hé,
 
pssst, kom anders ook in dit gedicht
ontbijten. Niemand kijkt erin, zo
vroeg in de morgen, alleen
 
jij, als je dit leest tenminste. Haal
ik scrambled eggs en sinaasappelsap.
Wie hier verder nog zit?
 
Aan een tafeltje rechts gebaart een
Deense zonder dat je weet wat ze
zegt. Je wilt niet opvallen?
 
Denk aan Edgar Fernhout, hij schildert
een landschap zonder dat hij er zelf in
voorkomt. Zo is het hier
 
ook. Ik ontbreek, net als jij. Niemand
ziet waar we zijn. ’t Wordt nooit
opgehelderd, we weten ’t zelf
 
niet. ‘Fijn dat u luistert!’ zegt de
omroepster. Je hoort het niet, ik ook
niet. De radio staat niet aan.

 
De uitnodiging om in het gedicht te komen kijken heeft iets grappig samenzweerderigs. De ik lijkt de vroege lezer over te halen tot overspel door de grenzen van het gedicht te overschrijden. Gevaar voor ontdekking is er niet: ‘Niemand kijkt erin, zo / vroeg in de morgen, alleen //  jij, als je dit leest tenminste.’ Dat laatste lijkt absurd: je kunt daar alleen kennis van nemen als je het leest. Datzelfde geldt voor de uitspraak van de omroepster in de laatste strofe: ‘Fijn dat u luistert!’, maar de ik en jij horen het niet, want het toestel staat uit. In een gedicht kan dit: we zien het al lezend gebeuren. Er ligt ook een vraag onder: de omroepster kan dat zinnetje in haar studio wel uitspreken, maar als alle toestellen uit staan, kun je dan spreken van een programma? En, naar analogie daarvan, bestaat het gedicht als niemand het leest?
‘Ik ontbreek, net als jij’. De radio staat niet aan: de verbinding van het gedicht met de werkelijkheid ontbreekt. Er is alleen de werkelijkheid van het gedicht. De reële dichter en lezer zijn afwezig.
Mooi is de ironische vergelijking met de landschappen van Edgar Fernhout. Hij ontbreekt daarin weliswaar, maar hij heeft zo’n herkenbare stijl, dat anonimiteit onmogelijk is. Datzelfde geldt voor dit gedicht: het is van Schippers, daarover is geen twijfel mogelijk. Maar wie is nu die jij? Of die u van de omroepster? Een luisteraar die zij zich voorstelt, een fictief hulpmiddel in de werkelijkheid van het programma? Een roep in de leegte?
 
Verwant met het voorgaande is de verhouding tussen taal en werkelijkheid. Ook van dit onderwerp blaast Schippers alle stof. Zo merkt hij op dat een taal die je vreemd is, tussen jou en de werkelijkheid komt te staan. Hij verwoordt dat als volgt:
 

Wie geen Catalaans spreekt, denkt ook
dat de andere dingen hier niet kloppen.
Planken vol kaas. Een geparkeerde autobus.
 
(‘Verborgen in het Catalaans’)

 
Als je een taal wel kent, verandert de omgeving op een andere manier. In het eerder aangehaalde gedicht ‘Stekeltjes’ beschrijft de dichter hoe hij de uitspraak over de visjes vertaalt in het Engels. ‘Doe je hand ‘ns in / het water, voel je het, // dat wordt ook al Engels’. Het woord verandert van klank en het water voegt zich naar de taalomgeving. Een Nederlandse en een gelijkvormige Engelse omgeving verschillen door de taal.
Een andere eigenaardigheid: taal is soms niet het geëigende middel om iets uit te drukken, maar je kunt niet zonder. Als de ‘ik’ op zichzelf toe lijkt te zweven in de spiegel schrijft hij:
 

Het woord is hier niet
het hoofduitdrukkingsmiddel.
 
Een van de vele, denk aan
 
kleur,
beweging,
licht.
 
Je hebt ’t wel weer nodig
om dit te kunnen zeggen.
 
(‘Het gezegde’)

 
En: hoe vaak moet je afzonderlijke, maar gelijksoortige dingen hebben gezien voor het een soortnaam wordt? Een fragment uit ‘Beginselen’.
 

hoeveel moest ik zien voor
de ene kast de andere
in zich opnam?
 
Na hoe vaak wordt veel weinig?

 
Tot slot: Schippers sluit niets of niemand uit als onderwerp. Ook critici die de plank misslaan, hebben zijn warme belangstelling. Er valt nog veel van hem te leren.
 

Verse or worse?
 
Als uw poëziecriticus John Bayley
schrijft over jonge personen die opkomen
en schitteren als meteoren
 
in de academische wereld, is hij zelf
aan het imploderen en wordt een
gapend zwart gat. Ingezonden
 
brief van mrs. Val Hennessey, Lyme Regis.
Wat bedoelt Bayley als hij dichters
prijst die weigeren poëzie
 
te laten klinken als zichzelf? Hoe moet
poëzie dan klinken? Luid geknal? Heavy
metal rock? Druppelende kranen?

 
 
***
K. Schippers (Gerard Stigter, Amsterdam, 1936) heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, poëzie, essays, verhalen & beschouwingen, en een enkel kinderboek. Met J. Bernlef en G. Brands richtte hij in 1958 het literaire tijdschrift Barbarber op. In 1975 was hij een van de oprichters van het cultureel tijdschrift Hollands Diep.
Voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Een jaar later kreeg hij de Pierre Bayle-Prijs voor zijn kunstkritieken. Zijn roman Poeder en wind (1996) werd genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs; de roman Waar was je nou (2005) werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs.

Recensie van tellen en wegen - K. Schippers

Tellen en wegen in de vakantiekoffer

K. Schippers
tellen en wegen
Uitgever: Querido
2011
ISBN 9789021439570
€ 18,95
84 blz.

K. Schippers is zo’n dichter die poëzie maakt van het doodgewone. Zijn twee draadjes rode wol doen mij denken aan het elastiekje van Buddingh’. Zag deze eerst een schaartje en later een bril in een simpel elastiekje, Schippers speelt met de wol en het cijfer twee. 

wol

het rood van
twee draadjes
op tafel

of het cijfer
twee gehecht aan
rode draadjes

of wol die de 
twee en het rood
samenvat

In tellen en wegen probeert hij het gewicht van een schaduw te bepalen en de impact van het lezen op woorden. Slijten woorden als ze gelezen worden?  […] De aanraking / van duizenden lezers kan een woord vernietigen. // (‘Pizzicato’, pag. 54.)

Wat opvalt in de bundel is de diversiteit aan observaties, gedachtegangen en vormen. De dichter beheerst de taal en speelt ermee. Hij toont zelfs de poëtische kant van optelsommen. Zonder in numerologie te vervallen, zet hij interessante patronen neer bij het optellen van de getallen 1 t/m 100.  

En dan staat daar ineens de verzameling zinnen die Schippers uitkoos van overlevenden van de Bijlmerramp, compleet met de oorspronkelijke spelfouten. Een paar fragmenten:

In die tegel zit een vriend van mij

in mijn tegel zit een blauwe tranenrij
was naar de avondsuper om brood te kopen en rende naar buiten

[…]

het vliegtuig kwam recht op mij af maar het was mijn tijd nog niet
mijn nicht zou eigenlijk verkering met hem hebben gehad
daar was een zwarte wolk met sterren erin

[…]

veel stukjes spiegel zie je je eigen gezicht helemaal misvormd en
gebroken

[…]

ik heb een tegel gemaakt omdat me vrientje is doodgegaan

[…]

deze bloem gaat niet dood alle andere wel
heb ik een groot oog van verdriet gemaakt
toen het nacht was kwam de maan

Deze brokstukken hebben weinig te maken met tellen en wegen. Hier spreken mensen die de dood van dichtbij hebben gezien. En de dichter bracht hun woorden bij elkaar. 

Voor iedereen die nog een plekje over heeft in de koffer of rugzak: neem vooral tellen en wegen mee op vakantie. De bundel is plezierig en gevarieerd leesvoer. Het enige risico is dat je het in een ruk uitleest. Maar ach, wat weegt zo’n boekje nou?