Recensie van Hoor de zieltrein - John Schoorl

Een naald die blijft hangen

John Schoorl
Hoor de zieltrein
Uitgever: Van Gennep
2014
ISBN 9789461643117
€ 17,90
40 blz.

Hoor de zieltrein is gemaakt door twee fans van Search for the new land (1964), een album van Lee Morgan op het label Blue Note. Volkskrantjournalist John Schoorl en schilder Willem Snitker brachten een eerbetoon in verzen en zwart-witafbeeldingen. Opmerkelijk aan de titelloze gedichten (28 tekstblokjes van zes regels) is dat ze op de lezer overkomen als een jazzsolo. 

De gedichten hangen aan elkaar van losse associaties, improvisaties bijna, gelardeerd met jazztermen en slang uit de beatperiode. Daardoor springt de liefde voor de jazz van het papier en krijgen de gedichten een aangename vaart en losheid. Maar er zit geen swing in. Het werkt doet verlangen naar Howl, van Ginsberg, een werk met meer oomph!

Hoor de zieltrein flirt met de levensstijl van jazzmusici: drugs, vrouwen en de afkeer van burgerdom. Als een Tyler Durden après la lettre, roept de dichter op tot het opblazen van de callcenters, om daarna een whiskey te drinken, met twee ijsklontjes. Dat de jazzwereld al eerder is beschreven door De Vijftigers, doet vrezen voor clichés. Dit zou men kunnen ondervangen door het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken te belichten, maar helaas bespeelt Schoorl slechts één register. Oordeel zelf over deze twee elkaar opeenvolgende gedichten.

Land je op nieuw land, stap in de limousine, loop onder de erehaag
der groten, zeg: wha, zeg: village, hier speelde je, een trap naar
beneden, vette vingers op het behang, jazz is art, zak door je knieën
voor een solo, op zoek naar nieuw land, gooit je grietje d’r kont erin,
boem, een rookpluim, een laatste blauwe noot, tering daar valt je
trompetnarcis uiteen, ouwe piraat, je wordt een reissue.

Kwaak je mee met roodbroeken, rijg dan zelf die parelketting, nooit
zeggen: het is maar dit en dat, nee doe je straatzang, voegen is
voor vogels, neem toch de brommernozem, kam een zachte pony, ahoe
ahoe, met lof toe, hoe sta je als je vooruitdenkt, rechtop toch, en niet
vleugellam, zie je die man die daar rechts op het podium staat, die is
erin getrapt, liet zijn stekker los, piewww-piewww.

Gedichten kunnen als muziek zijn. Dichtvormen als de ballade stammen van de muziekleer. De klank van de woorden en enjambement dragen bij aan een melodie. Een gedicht kan eindigen met een zin of beeld, dat vergelijkbaar is met een gesloten akkoord of wegstervende klanken. Miles Davis’ Kind of Blue is in die zin poëzie, dat het speelt met witregels en vooral iets zegt waar stilte valt. Bij sommige stukken van Mingus hoor ik in de frases een magistrale stralende zon. Werk van Ahmad Jahmal doet denken aan Van Ostaijen.

Snitkers linoleumsnedes zijn levendig. Aanvankelijk geldt dat ook voor Schoorls gedichten, maar ze slaan langzaam dood als een biertje dat te lang ongedronken blijft. Hij blijft praten, doorspekt met anglicismen, en dramt door zonder een punt te maken. Alsof de naald blijft hangen door een kras op de plaat.

***
John Schoorl (1961) is verslaggever en onderzoeksjournalist bij de Volkskrant. Hij publiceerde verschillende bundels met muziekverhalen, waaronder De naald erin (2003) en De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging (2011). Van hem verschenen eerder de dichtbundels Capella(2007), Uitloopgroef (2009), Bukshag (2012) en Lust for Life (2013).
Kunstenaar Willem Snitker (1938) was tien jaar lang gastpresentator van het North Sea Jazz Festival en is eigenaar van Sleeker Galerie-Atelier in Heemstede. Hij werkte eerder samen met onder meer Lucebert, Bert Schierbeek, A.L. Snijders en P.F. Thomese. Werk van hem behoort tot de collectie van het Rijksmuseum.

Recensie van Lust for Life - John Schoorl

Lust voor muziek

John Schoorl
Lust for Life
Uitgever: Van Gennep
2013
ISBN 9789461642004
€ 7,50
46 blz.

 

     Met kutsmoesies moest
     Je echt niet aankomen.

 
Het zijn de slotregels van de bundel Lust for Life van John Schoorl.
Dan de eerste twee regels:
 

     Grote neger met schuiflippen
     Neukt een gat in de dag.

 
En over neuken gesproken: er is in de poëzie veel lettergeneuk op de vierkante centimeter bladspiegel. Vaak meer dan verdienstelijk.
Maar soms is het een openbaring recht-voor-zijn-raap gedichten te lezen waarvan duidelijk is dat de dichter zijn pen op het puntje van zijn tong heeft. Zo zit dat bij John Schoorl. Ook in zijn vierde bundel is hij direct, ongekunsteld en onbekookt. Hierin staat hij in de traditie van mensen als o.a. Jules Deelder, Johnny van Doorn en Riekus Waskowsky.
‘Stoere poëzie’ vermeldt de uitgever met recht op het achterplat.
 
Dat onopgesmukte leent zich buitengewoon goed voor het gekozen onderwerp:
muziek. Bijzonderlijk de rock- ’n- roll, jazz en de blues. Want wat komt er directer bij
ons binnen dan muziek? Het is klip en klaar, John Schoorl heeft waarlijk een
passie voor muziek. Niet voor niets sleepte hij in 2006 de Pop Persprijs in de wacht.
 
In de meeste gedichten is een song de bron voor John Schoorl. Een bron wel te
verstaan voor zijn associaties. Want nergens citeert hij letterlijk. Alleen de titels.
Bijvoorbeeld die van Bob Dylans Like a Rolling Stone:
 

     Halve peuk,
     Half opgerookt.
 
     John Player Special,
     Met Ronson aangestoken.
 
     Je blaast uit,
     Wat binnen komt.
 
     Anders
     Niet.

 
Het knappe van deze poëzie is, dat de gedichten onnadrukkelijk een blik op de wereld verbeelden. Een blik niet vertroebeld door sentimenten of ideeën. Schoorl snapt dat gedichten van woorden worden gemaakt. Van niets meer.
 

     Je staat recht overeind,
     En dat kan je
     Ervan zeggen.

 
Aldus John Schoorl droog in het titelgedicht.
 
***
John Schoorl (1961) is verslaggever en onderzoeksjournalist bij de Volkskrant. Hij publiceerde verschillende bundels met muziekverhalen, waaronder De naald erin (2003) en De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging (2011). Na A Capella (2007), Uitloopgroef (2009) en Bukshag (2012) is Lust for Life zijn vierde dichtbundel, met een selectie van het beste wat hij tot nu toe schreef én een aantal nieuwe gedichten.

Recensie van Bukshag - John Schoorl

Het onverwacht mooie achter het alledaagse

John Schoorl
Bukshag
Uitgever: Van Gennep ,Van Gennep
2012
ISBN 9789461640970
€ 17,90
112 blz.

‘Bukshag’ is shag in de resten van opgerookte sigaretten, die je op de grond vindt. Van die resten draai je vervolgens een nieuw shagje. Breder: ‘bukshag’ is het zien van iets waardevols in iets alledaags, iets waardevols dat andere mensen doorgaans niet zien.

In een van de gedichten noemt Schoorl het: ‘Wat te zien is, is niet alles wat er is te vinden’. (Dit doet me denken aan Nijhoffs ‘lees maar, er staat niet wat er staat’ – maar daar houdt de vergelijking tussen Nijhoff en Schoorl direct op.)
En zoals het titelgedicht het uitlegt:

Bukshag

Het leven/de dood*
Ligt voor
Het oprapen.

*Doorhalen wat niet van toepassing is.

Bukshag is de titel van de derde dichtbundel van John Schoorl. Een goed gekozen titel bij deze gedichten: veel lichte poëzie waar inderdaad kleine vondsten achter alledaagse observaties schuilgaan.
Het moet me van het hart: het duurde een tijd voor ik de gedichten op waarde kon schatten. Bij aanvang vreesde ik met Bukshag een bundel in handen te hebben vol gezochte, flauwe grappen. En hoewel de bundel tot op geringe hoogte een sfeer ademt van Bart Chabot-achtige poëziegrappen (denk aan diens ‘grafschrift: ben zo terug’) die me maar weinig kan interesseren, drong bij mij later toch de werkelijke kracht van de bundel door: de glimlachende kleine vondst, het onverwacht mooie achter het alledaagse. Neem het volgende gedicht:

Steen op hoofd

In het licht
Van de geschiedenis
Valt een steen

Op een man
Die toevallig

Door een donkere
Straat loopt.

Het contrast licht-donker is aanwezig maar precies niet storend. Zo is er ook het contrast tussen een concrete plaatsaanduiding (straat) versus een niet-concrete tijdsaanduiding (geschiedenis) en de vage, anti-beeldende frase ‘het licht van de geschiedenis’ die contrasteert met het concrete, beeldende ‘een man die door een donkere straat loopt’.
Een mooie vondst, deze zin, en door de compositie krijgt een op het eerste gezicht lullige zin een bijzondere diepte.

Minder alledaags maar nog steeds erg licht is de reeks gedichten over collega-schrijvers en -dichters. Wrang genoeg, maar dat is niet Schoorls schuld, valt nu vooral het gedicht op over wijlen Gerrit Komrij.

Gerrit Komrij

Met schoenen vol bierkots
En een hoofd vol huiver

Wil ik persoonlijk mededelen
Dat zijn literaire reikwijdte,

Niet bepaald is door postmoderne intertekstualiteit
Of een schuivend psychisch perspectief,

Maar dat hij de eerste dichter nog moet tegenkomen
Die hem onder tafel zuipt.

Vreemd gedicht. Schoorl benoemt iets wat volgens hem niet op Komrij van toepassing is (postmoderne intertekstualiteit of een schuivend psychisch perspectief) – maar wat ook nooit onderwerp van essays, recensies of literaire polemieken is geweest rond, over of met Gerrit Komrij. Of heb ik zitten slapen? De laatste strofe klopt ongetwijfeld niet. Los daarvan is het gedicht te rommelig: de beelden werken niet samen, het gedicht bouwt niet op, het eind is te guitig.

De serie ‘Vlaamse velden 2.0’ bezoekt het Vlaamse land dat in de Eerste Wereldoorlog door loopgraven doorsneden was. Nog altijd is dit het buitengebied, waar niets gebeurt: boeren trekken bieten uit de grond, de tegenstander van de volgende wedstrijd van voetbalclub KS Zillebeke is nog onbekend. Schoorl combineert oorlogsvocabulaire (loopgraaf, soldatenkistjes, mosterdgas) met alledaagse beelden, beladen woorden als ‘Adolf H.’ en ‘Ieper’ met banaliteiten als een countryavond. Terwijl de locatie en de grond nog altijd de schuld van de vreselijke Eerste Wereldoorlog uitademen, kruipen de dagen in de lokale dorpen voort.
Mooi, maar ook een beetje geforceerd, zoals in de volgende strofe:

Er zijn weer nieuwe aardappels
Dit jaar, bij de begraafplaats
Waar je Deutschland, Deutschland
Über alles hoort zingen.

Een direct verband tussen de Eerste Wereldoorlog en de huidige plattelandse rust van West-Vlaanderen is in de poëzie al eerder getrokken. Schoorl maakt het onlosmakelijke verband duidelijk in alledaagse woorden die de diepte van het verband des te pijnlijker maken. Toch is het jammer dat de directe confrontatie van vocabulaire uit die twee verschillende werelden nu te direct op elkaar botsen.
En natuurlijk: Adolf H., waarvan deze cyclus een borstbeeld beschrijft, hoort in dit rijtje niet thuis. Hem op deze manier symbool maken van de Eerste Wereldoorlog vind ik een wrange fout.

Nee, een meesterwerk is Bukshag niet. Het is een fijne bundel observaties en mooie vondsten achter alledaagse dingen, met enkele sterke taalvondsten. Meer niet – en daarmee voldoet Bukshag precies aan de vooraf gestelde pretenties. Missie geslaagd.

***
John Schoorl (1961) is verslaggever en onderzoeksjournalist bij de Volkskrant. Hij publiceerde verschillende bundels met muziekverhalen, waaronder De naald erin (2003) en De dag dat ik naar de Arctic Monkeys ging (2011). Met Een soulman in de Achterhoek won hij de Pop Persprijs 2006. Bukshag is zijn derde dichtbundel, na A Capella (Sandwichreeks, 2007) en Uitloopgroef (2009).