Recensie van Getijden - Hanneke van Schooten

Het woord dat redt en behoudt

Hanneke van Schooten
Getijden
Uitgever: AFdH uitgevers
2015
ISBN 978907260342
€ 19,50
96 blz.

In 2012 vertrok dichter Hanneke van Schooten voor een jaar naar Schiermonnikoog. Daar ontstond de bundel Getijden, 42 gedichten die elk bestaan uit twee kwatrijnen, ingedeeld in een ruim een jaar overspannende cyclus van winter-voorjaar-zomer-herfst-winter. Vooraf gaat deze cursief gezette opdracht:

Dit is voor jou
de zin die je leest
mijn hand die het schreef
het wit tussen de regels blauw.

Dit is het woord
dat redt en behoudt
het rood van de kou
en het blauw van de dood.

Los van de wat ongelukkige, ongewenste associaties gevende kleurencombinatie, is dit een intrigerend gedichtje. Het kan als voorbeeld dienen voor de geconcentreerde leeswijze die Getijden vereist.
Slaat het eerste ‘Dit’ op de bundel die voor ligt, of alleen naar de tweede regel? En verwijst ‘het’ naar ‘Dit’, naar regel 2, of naar ‘het wit tussen de regels’? In het laatste geval heeft de hand zich aan al dat ‘wit’, alles wat ongezegd moest blijven, dus blauw geschreven.
In het tweede deel lijkt ‘Dit’ naar zichzelf te verwijzen; wat redt en behoudt is ‘Dit’: niet alleen het gedicht, de bundel, maar waarschijnlijk alles wat zich in het hier en nu aandient. Onduidelijk is wie er moet worden gered en behouden moet blijven. De ik of de jij of allebei – de mogelijkheden liggen open, maar de dood speelt er in ieder geval een rol in. Daarom ligt het ook niet voor de hand in de ‘jij’ de lezer te zien, al is die natuurlijk wel degene die het aangebodene onder ogen krijgt.

Wie de ‘jij’ wel is, blijkt gaandeweg de bundel, die één lange queeste is naar een geliefde ander, steeds hernomen zoektocht en ontmoeting ineen. ‘Hij’ kan worden afgehaald van de boot (‘Hij neemt de boot, ik haal hem af./ Ons scheidt geen vraag meer en geen graf,’), wandelt met haar in een gelijk ritme, praat met haar over de natuur en over de dood die hem niet deert, zingt een onwerelds lied, luistert met haar naar Bach – er is veel leven om te delen. Maar hij is tevens verbonden met kou en met gras dat hem toedekt en op een onverwacht moment in de bundel wordt ineens meegedeeld ‘We hebben hem begraven, vroeg in het jaar.’
Dat Van Schooten de gedichten schreef naar aanleiding van het feit dat zij enkele jaren daarvoor weduwe geworden was, is evident, maar die biografische achtergrond blijft grotendeels verhuld, zij is heel terughoudend in het prijsgeven van bijzonderheden over hem die nu ‘bevrijd van last’ is. Dit gedicht bevat wellicht een aanwijzing:

Nu wij stilstaan zie ik het rode
opbloeien achter de lijnen
van zijn gezicht dat nooit zozeer het zijne
was als hier, de ogen groot en opgetogen.

Hoog opgericht staat hij, dood deert
hem niet, tijd verspringt in zijn gedachten
zonder angst, niet langer bang
te meten wat niet was, niet is geweest.

In het schrijven over een gestorven geliefde gingen velen haar voor. Vrij recent Pieter Boskma met Doodsbloei en het is haast onvermijdelijk dat de naam Achterberg valt. Opvallend is dat de bundel opent met ‘Weerbericht’, een van de twee gedichten met een titel in de verder titelloze bundel. (Het andere gedicht is het in het hart van de bundel geplaatste naar Kopland verwijzende ‘Onder de appelboom’.) In Achterbergs ‘Weerbericht’ (uit de bundel Sneeuwwitje, de titel ‘weer-bericht’ moet letterlijk genomen worden) kan de gestorvene zich in de dood met alles vermenigvuldigen; Van Schooten schrijft: ‘Plaats en tijd genoeg/ waar ik je zoek. Plaats en tijd voor beiden.’
Ook in het laatste gedicht van de bundel is er een Achterbergverwijzing. In Van Schootens ‘Uit het schrijven is het opgestaan/ en loopt je in het donker tegemoet.’ hoor je de echo van ‘Bekering’ uit En Jezus schreef in ‘t zand: ‘Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,/ schrijd ik U uit het donker tegemoet.’ Het is jammer dat ze de religieuze connotatie hierbij niet liet. Enkele gedichten daarvoor schreef ze ‘ik weet, een engel heeft je aangekeken,/ nu ben je boven alle kwellingen verheven/ in gods aanwezigheid.’ en dat is meteen een van de zwakste teksten uit een verder voortreffelijke bundel.

Gescheidenheid en onbereikbaarheid worden indringend verwoord, de aanwezigheid van de ‘jij’ op de grens van illusie en werkelijkheid, van inbeelding en verbeelding, weet zij overtuigend aannemelijk te maken, de gevoelens beheersbaar te houden.

We liepen in de winternacht als in een visioen.
Niets dat ons aan de aarde bond
dat onze voeten op besneeuwde grond,
stom geslagen door een roekeloze woede.

Wanhoop, tederheden en verdriet
lagen bevroren en zonder stem
te wachten tot je aarzelend een lied aanhief:
Waar ben je? Waar ben je?

Hoewel er niet een duidelijke lineaire voortgang is – de titel Getijden is wat dat betreft veelzeggend -, is er wel sprake van een zekere ontwikkeling. De ikfiguur groeit gaandeweg naar een vorm van acceptatie: ‘Een overkant is tussen ons begonnen.’, ‘Dit is het eiland waar gemis zijn intrek/ heeft genomen, waar jij woont/ in wat ik schrijf,’ en ‘Te zijn wie men is, daartoe besloten./ En jij daarin aanwezig bij verstek,’. Maar de ‘weifelmoed’ blijft sterk, en de gedachten en emoties volgen de patronen van de Brownse beweging, zoals zij zelf zegt. Juist die wisseling maakt je voortdurend nieuwsgierig naar het volgende gedicht, maar ik denk zomaar dat Van Schooten bij de indeling van haar bundel vaak getwijfeld heeft over de volgorde van de gedichten.

De bundel is evenzeer een fotoboek als een dichtbundel. Van frequent Schiermonnikoogbezoeker Martien Frijns (tevens Van Schootens uitgever) werden dertig foto’s opgenomen, waarvan er tien werden afgedrukt op een dubbele pagina. Ze hebben niets toeristisch, doen het vrijwel zonder mensen, de fotograaf had vooral oog voor wisselende ritmische patronen en structuren. Tekst en beeld gaan nooit op elkaar in, maar passen desondanks uitstekend bij elkaar.
In alle opzichten een prachtig boek.

***
Hanneke van Schooten (Enschede, 1946) debuteerde in 1990 als dichteres bij De Beuk met de bundel Dit landschap zien. Daarna verschenen o.a. Gedichten (1991), Anomalie (1993), Reisgenoot (1995), Buiten bereik (1998), Plaatsbepalingen (2003), De slapende stad (2008) en Buiten de tijd, 2011. In 2006 was zij winnares van de Poëzieprijs van de Stad Oostende.
Van Schooten studeerde rechten in Utrecht, promoveerde aan de Universiteit Twente en werkte vervolgens aan de Faculteit der Rechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg. Zij publiceerde over rechtstheoretische vraagstukken en schreef o.a. de boeken International Governance and Law en Jurisprudence and Communication.