Recensie van Woorden op zinnen gezet. Verzamelde Gedichten - Margreet Schouwenaar

Er wordt gewoond in taal

Margreet Schouwenaar
Woorden op zinnen gezet. Verzamelde Gedichten
Uitgever: Liverse
2016
ISBN 9789491034787
€ 29,95
426 blz.

In het voorjaar van 2016 zijn de Verzamelde Gedichten van Margreet Schouwenaar uitgekomen, bezorgd door Henk Verweerd. De bezorger van deze editie heeft alle gedichten lineair opgenomen in deze bundeling. Daartoe behoren afzonderlijke (gelegenheids)gedichten, gedichten gepubliceerd in tijdschriften en volledige bundels vanaf 1991 tot heden.

Na herhaalde lezing valt het op dat naar de vorm genomen de gedichten in regellengte en strofeomvang toenemen. Het hermetisme heeft Schouwenaar gaandeweg wat losgelaten. De vormvastheid neemt af, hoewel in de laatste bundel Warm van vacht (2016) de vorm weer wat aandacht krijgt. De gedichten raken steeds meer op een lyrisch subject betrokken. Het proeven van kleur, klank, ritme en betekenis van de woorden neemt de overhand, zoals bijvoorbeeld haar kritiek op een woord als ‘men’. De geschiedenis van en met mensen raakt wat meer ingevlochten in haar gedichten. Haar thematiek van de drempelervaring waaiert breed uit: van liefde naar waarheid en van religie naar vrijheid. Ik volsta met enkele algemene typeringen die om een diepgaander onderzoek vragen als je recht wilt doen aan deze bundeling.

Het boek is gevat in een stevige kaft (als van een schoolboek dat jaren mee moet gaan), degelijk, ouderwets maar niet verfijnd, en heeft een krachtige, kleurrijke print van Gerrit Westerveld als omslag. Deze print typeert treffend de inhoud van deze bundeling. De voorkant laat iets zien dat doet denken aan een palet met vingergat. Voor mij is Schouwenaar een dichter die schildert met woorden, waarbij de klankkleuren en het ritme haar fascineren. Ze is in die taal op zoek naar het mysterie van het leven. Haar dichterlijke adagium is: laat het gaan om de gewone dingen, het woord. Maar zo gewoon is het niet om in taal te wonen. Dat roept tot in het oneindige vragen op. Waarom jaagt de wind wolken? Waarom is mijn lief mijn lief niet meer? Ze is bevangen door de zucht ‘woorden op zinnen’ te zetten en kent een ‘zucht / naar een ander ik’. De omgang met de taal en haar klankkleuren heeft zijn consequenties voor de dichter en zijn beleving van zichzelf en de wereld om hem heen. Je krijgt bij haar poëzie van meet af aan de indruk dat ze daarin tastend en zoekend haar weg tracht te vinden:

Woorden zijn huizen

Woorden op zinnen gezet, zucht
naar een ander ik, vinden aarde;
vallen buiten zicht, in droogte of
gretige grond. In hun regels lig ik.
Ik keer mij om en om, wil verhaal,
zoek stem. Mijn adem, maakt daken.

Er wordt gewoond in taal. Jij en ik
praten ramen, hangen vragen, slaan
vloeren om te staan, klinkers om te
sluiten, deuren om door te gaan. Jij en ik
weten hoe ruim een mond moet zijn,
hoe licht van draad, hoe volmaakt

van vergeten. Zo leggen wij frases
in bed, dekken opzet toe, praten
met onszelf in eigen naam tot een
ogenblik, een verstaan. Een evenbeeld,
een nieuwer ik, tot een deur open
kan gaan. We komen eruit of niet.

In dit gedicht verwoordt Schouwenaar de metamorfose die de dichter ondergaat als hij zich in de taal laat opnemen. In de notendop geeft dit gedicht haar poëtica. Ik vind het een sterk gedicht uit haar voorlaatste bundel Waaraan het vlees ontsnapt (2014). Je ontkomt niet aan de indruk dat ze gaandeweg op haar zoektocht verliefd raakt op woorden. Ze lijkt mede daardoor onuitputtelijk te zijn in haar associaties en in het creatieve proces geen behoefte te voelen zich te matigen en in te beperken.
Het lijkt erop dat ze zonder veel gedachten vooraf aan een gedicht begint. In het creatieve proces raakt ze de woorden in hun klankkleur en ritme aan die iets bij haar in gang zetten. Ze mengt zich op bijna roekeloze wijze vanaf dat moment in een dialoog tussen en met de woorden en weet zich daarin bovenal een speelse bemiddelaar tussen de woorden. Haar verliefdheid stuurt haar nogal eens zijpaden en dwaalwegen op. Ze gebruikt daarbij meestal korte zinnen. In die zin streeft ze wel een bondigheid na. Toch verliest ze zich zo nu en dan in het veelvuldig gebruik van opsommende typeringen als ‘De taal / gedept tot vlek, als uitzicht / ingedikt. Lucht. Licht. Een bomenrij. / Een weg.’ of in het gebruik van elliptische zinnen als ‘Blootsvoets / weliswaar, en op een zijpad of een weg wat / achteraf, maar af en toe, niet te vaak: de Hoofdstraat / waar alleman met korting inslaat en een vriendelijke / heilsoldaat welwillend zwaait.’ Deze karakteristieken onderstrepen haar proefnemingen met de woorden, maar vooral de verliefdheid op de eigen taalvondsten. Ze geeft zich met een zekere overmoed in dit proces. Deze werkwijze brengt geregeld het gebruik van archaïsmen (bv. ‘sidderaar’) en neologismen (bv. ‘logblauwe’) met zich mee. Zoals de godin van de aarde Gaia is Schouwenaar

getrouwd met mijn hoofd, maar verliefd
op mijn voeten, daartussen ruist
de stilte, het geheim van een buste,
wufte leegte die ik lopen moet,
tot mijn schouders nagelen moet.

Hoofd en hart strijden bij de totstandkoming van haar poëzie om de voorrang.

In veel gedichten kiest ze haar vertrekpunt in de dagelijkse werkelijkheid. De natuur van het Noord-Hollandse landschap, het leven van alledag, de eigen jeugd, de herinneringen en de liefdesperikelen klinken door in haar poëzie. De nagalm van een bevindelijke religie met haar nadruk op de innerlijke ervaring suist nog na in haar gedichten: ‘Ik hield van de profeten, kanselredenaars / die welbespraakt preekten over de daden / voor ik in dank brood mocht eten,’. Nu eens is haar beeld- en woordkeuze verrassend, zoals ‘een fletse / verte waar niets op wil staan’, dan weer gezocht, zoals ‘het schurken van een feit’ of ‘de kanonische ruimte, waar gras / als sopranen vooruit graast, regen / donker en laag het pad bevraagt.’
Over het geheel genomen schrijft Schouwenaar omvangrijke gedichten. Ze heeft veel woorden nodig om bij haar kernpunt te geraken. Dat gaat voor mij dikwijls ten koste van de transparantie van haar denkbeelden en gezichtspunten. Ze mist soms voldoende focus, omdat het dwalend en omschrijvend uitbeelden overheerst. Zozeer wordt ze bevangen door het verlangen het geheim achter de woorden te achterhalen dat ze door haar woordenvloed haar doel voorbijschiet:

De dag van de daad

Er is een reden, er is een zin in het quotum van de tijd,
de boterberg van bedrijvigheid, in de bierbuik borrelpraat
(als je maar loslaat), in de piepzak, de lippendienst,
het devoot gebogen hoofd, er is een zin die verdraait
wat een ieder verstaat. Er is een dag van de daad,
waar botteriken, boetelingen, stakkerds en plakkers,
toeristen, geliefden, harpijen en zij die op verdriet
gedijen een prachtdecor krijgen voor een lichte
wimpertrilling, een kleine stuiptrekking in hun slaap.

Soms verliest ze zich in ronkende onnavolgbare versregels: ‘Bleekjes bezigt / hij allemans kleur in zijn roomwitte / villa waar hij met ronken spraak maakt, / tranen in kristal laat, de dood in dingen / vertaalt.’ (Donijnendom (149)). Nogal wat abstracties worden gepersonifieerd: ‘Niet gehinderd door gebrek / en besef kletsten zin en schijn / een halve waarheid tot wet.’
Een treffend beeld van haar worsteling om de juiste woorden en beelden in allerlei kleuren en toonsoorten te bereiken laat zich aflezen aan het gedicht ‘Fragment’ (281) uit de bundel Wegen om te komen (2008) – Er is altijd een reden.

Fragment

Als de wind huilt blijven tranen
uit, het is de lucht die jammert
de muren die mekkeren. De wind
raast voort, roeit over de aarde,
slaat monden aan en laat geen traan
om de vlucht van blad en de lamme
takkenvleugels.

Om het hart een harde hand, om
de wereld overmoed, overvloed,
een gulzig dijen. Het hart breit een
tapijt tegen eelt en heerszuchtig vel

De aarde laat de wormen werken.
Het gras, moegeblazen, laat zich
grazen, alle grond is hof, en soms
een schubben borst die moeizaam rijst
en roestig daalt. Terwijl de wind
drijft, jaagt, begaat,

maakt het hart een wollen weideveld
en wijst zich herder over dauw
en addertongen in pure tweezaamheid.

Het beeld snijdt, het wil los, bevrijdt.
Ik moet het anders schrijven:
             het dolle hart, de wilde wind en wat
daartussen blijft.

De natuur als spiegel van het gemoed. Hoofd en hart worstelen om het beeld in taal te vatten: ‘Ik moet het anders schrijven’. Ze blijft vertrouwen op de eenlingen tussen duizenden ‘die de zee niet zien, / de vuurtoren niet herkennen, / zoekend naar die ene zwemmer / die over water wist wat het mooiste’ is. Ze blijft ‘woord voor woord, slag na slag’ zoeken om een houvast voor het leven dat voortdurend aan verandering onderhevig is, in de taal te vinden. Voor Schouwenaar geldt in haar zoeken naar het geheim achter de dingen: er wordt gewoond in taal.

***

Margreet Schouwenaar (1955) debuteert in 1991 met enkele gedichten in Revisor. In 1992 verschijnt haar eerste bundel De drempel die vertrek is bij Querido. In de jaren negentig publiceert ze nog enkele bundels bij Querido, zoals Bezijden tijd, Talen naar de Val en Valtijd. Haar poëzie verschijnt in diverse tijdschriften. Naast dichter is ze ook schrijver van kinderboeken. In 2009 volgt ze Joost Zwagerman op als stadsdichter van Alkmaar. Net als F. Starik heeft ze in Alkmaar een dichtersgilde, De Eenzame Uitvaart, opgericht. Haar laatste bundel maakte ze in samenwerking met beeldend kunstenaar Anja Jager: Warm van vacht (2016).

Poëzie Kort 2016 / 6

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.), Ik proef iets wat bedorven is.

Door Hans Puper

De samenstellers van de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is willen laten zien dat het een misverstand is hekeldichten uitsluitend als light verse te beschouwen, want ze kunnen ook ‘groots, ernstig en complex’ zijn. En dat is natuurlijk niet hetzelfde als nobel: ze kunnen tegelijkertijd vals, leugenachtig, incorrect of ronduit smerig zijn. Het dieptepunt wordt gevormd door een weerzinwekkend anti-semitisch gedicht van de nazi Georg Kettmann uit 1941. De samenstellers motiveren die keuze door te stellen dat, als je volledig wilt zijn, een ethisch oordeel geen bruikbaar criterium is voor de selectie van hekeldichten. Ik ben dat met hen eens. De ethiek komt door de achterdeur echter weer binnen, doordat zij één zo’n voorbeeld genoeg vonden en dat waardeer ik. Alle andere opgenomen gedichten, hoe vals of leugenachtig ze soms ook zijn en hoeveel ergernis ze ook kunnen opwekken, blijven binnen de grenzen van het voorstelbare.

De samenstellers blijken de definitie van hekeldichten erg ruim te nemen en daardoor houden zij de misvatting van light verse ten dele in stand . Een voorbeeld is het gedicht ‘Raad’ van Annie M. G. Schmidt over het advies van een moeder geen dichter als man te nemen: ‘zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op …’ . ( … ) ‘Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou’. Ik kan dat met de beste wil ter wereld geen hekeldicht noemen, hoe geweldig ik het ook vind. ‘De’ kruidenier in plaats van ‘een’. Prachtig.

Een echt hekeldicht komt voort uit heftige verontwaardiging, woede, haat of minachting, soms zelfs alle vier tegelijk. Jan Greshoff schreef in al in 1932 het ‘Wiegeliedje’ over de nazidreiging. De eerste strofe:

Kleine S.A.-man, slaap zacht,
Hitler houdt immers de wacht;
Voor hém heb je pas in het holst van den nacht
Een zoodje marxistische joden geslacht:
Kleine S.A. – man, ’t gaat goed,
Geen betere meststof dan bloed.

Het zou me niet verbazen als dit gedicht, waarin iedere strofe begint met dezelfde regel, ten grondslag ligt aan de tekst van ‘Welterusten Meneer de president’ van Boudewijn de Groot.

Het is niet verwonderlijk dat het aantal hekeldichten toeneemt naarmate we dichter bij onze tijd komen: we hoeven maar aan de scheldpartijen op Facebook te denken – over kwaliteitsverschillen heb ik het hier natuurlijk niet.

De gedichten zijn ondergebracht in afdelingen. De meest venijnige vind je in ‘Tegen poëzie en de literaire wereld’ en ‘Tegen dichter X’. Je krijgt een beeld van collega’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en als verschijnsel is dat boeiend om te lezen. Afgunst neem soms zulke kleinzielige vormen aan, dat een hekeldichter zichzelf effectief de grond in boort. Neem Jan Kal, die jaloers was op H.C. ten Berge, omdat deze kennelijk meer subsidie kreeg dan hijzelf – het gedicht stamt uit 1997. ‘Hij zat op 38 000 gulden, / Ik op een twaalfde: 3200.’ Dat kwam natuurlijk doordat de geldgevers snobisten waren, anders hadden ze hem wel ruimer bedeeld. De laatste strofe van onze caberateske sonnettenbakker: ‘Ik ben geen epigoon van Ezra Pound / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.’ Jan Calimero.

Een aantal dichters reageert op hekeldichten van anderen. Je kunt ook zelf gedichten met elkaar in verband brengen. Zo zegt Marc Tritsmans in een hekeldicht tegen de dood dat die ‘hebberig naar alle / lijven graait en vergeet waar / het echt om draait’. Het lijf is slechts overbodige ballast. In de laatste strofe zegt de dichter: ‘Povere / mislukkeling: precies hetgeen je / hebben wilt ontsnapt je elke keer.’ Dat gedicht zou je kunnen laten volgen door eentje van Leopold uit een andere afdeling. Hij onderscheidt twee soorten mensen: ‘intelligente mensen zonder vroomheid / en vrome mensen zonder intellect.’

***

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.) (2016). Ik proef iets wat bedorven is. Uitgeverij Passage, De doos van passage, 109 blz. € 19,90


Jan Fabre,
Restanten

Door Lennert Ras

Jan Fabre exposeerde onder andere in het Louvre in Parijs en is bekend om zijn performances en theaterwerk.

Restanten is een ode aan de droom, meer in het bijzonder de nachtmerrie. De droomwereld is misschien te verkiezen boven de dagelijkse wakende staat, ‘omdat ik de droomreizen in mijn droomwereld / veel spannender en plezieriger vind / dan de harde realiteit / (van een theatervoorstelling).’ Fabre is een slechte slaper.

In de bundel maakt hij gebruik van de herhaling en ook speelt hij met spreekwoorden en gezegdes. Hij schuwt de seksualiteit niet en het Oedipuscomplex komt voorbij. ‘Zoals elke zoon zijn moeder penetreert / in zijn kwellende maar vanzelfsprekende droom.’ In zijn droom grijpt de verteller zijn prooi.

Op de achterkant van de bundel staat een gedicht uit de bundel afgedrukt: ‘onthoofd me / zodat ik kan slapen / eeuwig / want ik heb veel minder angst / voor de dood / dan voor het altijd wakker zijn.’

De bundel heeft een spirituele inslag. De droom is geschreven in een vergeten taal en brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid. Het is een dromerige bundel, maar ook hard. De droom spaart je niet. Ze beschrijft Fabres worsteling met de slaap.

De bundel werd geschreven met het oog op Mount Olympus, een ambitieus project waarin dertig jaar theater maken samenkomt. Mount Olympus brengt een brok geschiedenis aan de hand van verhalen en figuren uit de Griekse tragedies. Toch lijkt de Griekse oudheid geen overheersende rol te spelen in de bundel. Alhoewel de verteller het wel heeft over zijn favoriete Griekse componist. Voor mij refereert de inhoud van de bundel eerder aan de indianen met hun dromenvangers.

De bundel heeft soms een filosofische ondertoon. Want wanneer leef je nu echt? Tijdens het waken of tijdens de droom? De bundel schudt wakker, zet aan het denken en doet verlangen naar de belevingen in de remslaap.

***

Jan Fabre (2016). Restanten. De Bezige Bij, 96 blz. € 18,90

Anja Jager en Margreet Schouwenaar, Warm van vacht

Door Hans Puper

Warm van vacht bestaat uit een serie van dertien miniaturen van Anja Jager en de gedichten die Margreet Schouwenaar daarbij heeft gemaakt.
In het colofon staat dat Jager een middeleeuwse schildertechniek heeft gebruikt, ei tempera. Ze doen dan ook denken aan de verbazingwekkend rijke kunstwerkjes in 13-eeuwse handschriften, bijvoorbeeld de Arthurromans. Die zijn echter zeer ingetogen, in tegenstelling tot deze miniaturen: die zinderen van erotiek door de niets verhullende kleding en de vorm van bladeren. Het contrast met onschuldige poppen of beertjes onderstreept die erotiek nog. Een overeenkomsten met de middeleeuwse hoofse miniaturen is de sprookjesachtige sfeer.
De bundel is een ode aan de liefde: ‘als spel, als jagen, als dromen en verboden vrucht’. En liefde is natuurlijk geen liefde zonder verdriet. In ‘Mijn lief is mijn lief niet meer’ leidt dat niet tot passiviteit: ‘Ik zal hem nooit meer vinden / dan waar hij zich naliet, maar meer zal ik / worden dan zijn ontbreken.’ Mooie regels.

In ‘Liefste zei hij’ speelt Schouwenaar een elegant spel met taal en werkelijkheid. Er is de beschreven werkelijkheid en er is de talige van het gedicht. De ‘ik’ stelt zich een beeld voor: het eerste woord op een onbeschreven blad van de liefde te zijn. Haar liefde wordt werkelijkheid: ‘Liefste’ zei hij, ‘liefste!’ En ik was het.’ In de talige is werkelijkheid is ‘Liefste’ ook in concreto het eerste woord.
Mooi is ook de paradox in de derde strofe: ‘pluk [de liefde] met geen / woord. Laat haar vallen als fruit.’ Maar het woord – dit gedicht – brengt de liefde wel degelijk tot leven.

‘Liefste’, zei hij. ‘Liefste.’
En ik wilde de liefste zijn
als een eerste woord
op een wit blad, als
milde regen na een droge
dag. ‘Liefste’, zei hij,
‘liefste!’ En ik was het.

Ik was de kom van handen
waaruit water liep, de muziek
van wilde wind en mals blad.

Maar van woorden was ik niet.
Ik aarzelde zelfs om te spreken.
Spelen wilde ik en van het wikken
zocht ik de wegen.
Wek de liefde niet voor zij wil
ontwaken, pluk haar met geen
woord. Laat haar vallen als fruit,
vochtig door de lippen van de dauw.
Hoe ze zingt: voor jou, voor jou.
Alleen voor jou.

Ik doe beiden tekort door alleen een gedicht te citeren, want de gedichten en miniaturen geven elkaar glans. Koop de bundel, zou ik zeggen. Het zou mooi zijn als er een expositie werd georganiseerd waarin miniaturen en gedichten paarsgewijs werden opgehangen. En als ik conservator was, zou ik in de expositieruimte nooit meer dan dertien personen tegelijk binnen laten, zodat niemand wordt gestoord door hinderlijke mede-bewonderaars.

***

Anja Jager, miniaturen en Margreet Schouwenaar, poëzie (2015). Warm van Vacht. Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 34, 40 blz. € 18,95. (NB Op de titelpagina staat dat de bundel is uitgegeven in 2015, in het colofon wordt 2016 vermeld).

Dirk Kroon, Verzamelde liefdesgedichten

Door Hans Puper

De Verzamelde liefdesgedichten van Dirk Kroon (1946) beslaan een periode van vijftig jaar: 1965 – 2015. De bundel bestaat uit twee gedeelten: over liefde in het eerste deel van het leven en over liefde in het tweede. In het eerste tref je regels aan als ‘[wij] worden verslonden /door de vogelspin liefde’. In het tweede niet meer, dat is overwegend reflectief: de dichter kijkt terug, vraagt zich af wat liefde in de herfst van het leven betekent en welke rol de dood daarin speelt.

Kroon is het best als hij eenvoudig schrijft. (Voor de goede orde: dat is iets totaal anders dan simpel). Een gedicht waarin de ‘ik’ zich voorstelt dat hij tegen zijn geliefde blijft praten als zij dood zal zijn, is vertederend – of schrijnend, dat hangt af van de ervaringen van de lezer:

Afspraak

‘Als je dood bent,
blijf ik met je praten.
Niemand zal het horen,
maar ik zal vragen:
Vind je deze schoenen mooi,
of zal ik die andere nemen?
De verkoopster zal het paar inpakken
dat jij gekozen hebt.’

Het gaat niet altijd goed met de gedichten. ‘Wakker wordend kijkt ze zeer bestraffend / naar degene die haar durfde wekken, / een half oog kijkt verkennend op hem neer’ schrijft hij in ‘Straf’. Maar is het niet zo dat je klaarwakker moet zijn om bestraffend naar iemands gedrag te kijken? En kun je zowel bestraffend kijken als met een half oog op iemand neerkijken?
Bovendien maakt een gedicht soms de indruk het resultaat van moeizaam maakwerk te zijn, zoals ‘Osmose’. Achterberg zal hem op het idee hebben gebracht: hij schreef een gedicht met dezelfde titel. Voor het begrip van Kroons gedicht is het voldoende te weten dat het bij osmose om een dun vlies gaat dat wel een vloeistof doorlaat, maar niet de daarin opgeloste stoffen. De doorstroom duurt net zolang tot de concentraties van de opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk zijn. Hij gebruikt in de eerste strofe het volgende beeld: ‘De werkelijkheid is slechts een vlies / met eigenschappen die wij zelf / niet kunnen maken.’ Maar als de werkelijkheid wordt voorgesteld als ‘slechts een vlies’, dan valt al het andere daarbuiten. Dat beeld klopt niet. Waarschijnlijk bedoelt Kroon dat zo’n vlies voor de geliefden realiteit is.
In de tweede strofe beschrijft hij de richting waarin de vloeistof – liefde? – stroomt: ‘ik kom dan wel in jou terecht / maar jij vloeit nimmer in mij over.’ Het beeld is duidelijk, maar het heeft – bedoeld of onbedoeld – een seksuele connotatie en dat maakt het beeld bizar.

Het is een hachelijke onderneming om een bundel te vullen met zo’n 120 liefdesgedichten, want je moet van zeer goeden huize zijn om de lezer steeds opnieuw te raken. Het is Kroon niet gelukt, maar verwonderlijk is dat niet: het is voor weinigen weggelegd.

***

Dirk Kroon (2015). Verzamelde liefdesgedichten. – het is nooit volmaakt – . Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 35, 144 blz. €14,95

Recensie van Waaraan het vlees ontsnapt - Margreet Schouwenaar

Het gegeven heden

Margreet Schouwenaar
Waaraan het vlees ontsnapt
Uitgever: In de Knipscheer & uitgeverij P
2014
ISBN 9789062658688 (voor P 9789491455568)
€ 17,95
72 blz.

Amper drie maanden terug verscheen van Margreet Schouwenaar in een bibliofiele uitgave van uitgeverij Kleinood & Grootzeer de bundel Verlies van lief, zestien gedichten met evenzovele foto’s van Mariet Lems. 
Mooi werk, vond ik, en dat deed me Waaraan het vlees ontsnapt (dat nu écht de tiende bundel is, eerder telde ik verkeerd) verwachtingsvol openslaan. Er zijn 45 gedichten; één gedicht is apart voorop geplaatst, de rest is ondergebracht in vijf afdelingen.
Vanwege de zeven bijgeplaatste foto’s – wie de eerdere bundel las herkent ze onmiddellijk – gaat de aandacht direct uit naar de cyclus Verlies van lief. Deze blijkt geheel opnieuw geschikt: Schouwenaar schrapte vier gedichten, plaatste er twee in een andere afdeling (die nu hun verband met de oorspronkelijk bijbehorende foto’s onterecht kwijt zijn), veranderde de volgorde en schreef een nieuw gedicht (‘Stabat Mater’) om de nu nog uit elf gedichten bestaan cyclus mee te openen. Daarbij gaf ze vier gedichten ook nog een andere titel. In de toch vrij uitvoerige ‘annotaties’ wordt over die verschillen met geen woord gerept.
In ieder geval geef ik de voorkeur aan de oorspronkelijke uitgave, al zijn sommige gewijzigde titels wel een verbetering en werd ergens een slotregel terecht geschrapt.

De bundel opent met ‘Opgraving’, geschreven naar aanleiding van de vondst van een groot aantal geraamtes bij een archeologische opgraving in Alkmaar. Zo’n vooropgeplaatst gedicht heeft vaak de functie van een soort motto, bepaalt het perspectief van waaruit de bundel beschouwd moet worden. Het is hier niet anders. De oproep tot het bewust ervaren van de continuïteit van de processen van leven en dood, van voortgang, groei en verval en de positie van de ik hierin, echoot door de hele bundel heen.

Opgraving

Maar als ik dan loop,
stevig op de aarde
en huizen bouw
en denk en doe en weet,
en niet weet wie onder
mij, wie draagt, van wie
de hand voorzichtig
vrij gelegd, van wie
de schedel waaraan
het vlees ontsnapt.

Dat het er was en zal
zijn in zand, in steen.
Bot onder mijn been.

Geen taal dan het gebaar
waarin behouden, gehurkt,
gestrekt, zij aan zij. Meester,
minderman, lijftrawat;
weggevaagd, schoongeveegd.
Die waren. Die zijn. Dood
is werkzaam leven.

En als ik dan loop, ga
over vroeger, zie ik
het gegeven heden.

Dat het is en zal zijn
in zand, in steen, gestrekt,
zij aan zij. Bot onder been.

De ‘foto-gedichten’ meegerekend bestaat de bundel voor meer dan de helft uit gelegenheidsgedichten. Schouwenaar is er goed in, ze lijkt ze makkelijk te schrijven. Soms te makkelijk en dan hindert het mij dat ze de gedichten al te moeiteloos laat doorlopen – alsof ze demonstratiemateriaal voor een dichtcursus schrijft. Dat gevoel bekroop me bijvoorbeeld bij de cyclus Lopen over water, gedichten bij de gerestaureerde gewelfschilderingen van Jacob Cornelis van Oostsanen. Op het feit dat de gedichten, gedrukt op enorme doeken, in de Grote Kerk van Alkmaar hangen, mag ze overigens trots zijn. Het eerste gedicht vind ik in zijn directheid het best geslaagd. Ik citeer begin en slot:

Volgens Oostsanen

God waagt niet. Hij kent
de eerste dag en zag
aan de laatste dat het
genoeg was; een vader
weet tot aan de deur.

[…]

Zijn voetvolk strijdt om
zielen. Niemand gaat
verloren. God waagt niet.

Eeuwig branden, eeuwig
loven. Je moet het
zien voor het geloven.

Naast de betrokkenheid op tijd en eeuwigheid valt in de bundel de gerichtheid op taal op, en dat in de ruimste zin. In bijna de helft van de gedichten is er wel sprake van poëzie, gedicht, woorden, taal, bladzijden, boeken, verhaal, pen en papier en ook zonder die directe begrippen wordt de taligheid opgeroepen. Het zal alles te maken hebben met Schouwenaars professie.
Soms heb ik weleens het idee dat zij te veel wil in een gedicht. Als zij die pretentie laat varen en het eenvoudig houdt, is zij op haar best. In het mooie leesbevorderingspleidooi ‘Stromen’ bijvoorbeeld, waarin kinderen ‘stem’ zoeken.

[…]

Wie wat leert stoomt op,
weten verdampt niet,
verovert gebied in het boek
dat openligt, maakt een plan,
stroomt over, voert mee
van hier naar nu; voert uit

tot het boek dichtslaat,
het woord afschudt,
de zin stilstaat.

Hier zingt de koelkast, de ketel,
zoemt het bed, is altijd over;
loop je over. Binnen een tel
begin je waar je bent.

Margreet Schouwenaar schreef met Waaraan het vlees ontsnapt een gevarieerde bundel. Eens te meer toont zij zich een vakvrouw.

***
Margreet Schouwenaar (1955) is dichter, kinderboekenschrijfster, manuscriptbeoordelaar, docente pedagogiek. Zij werd in 1991, nog voor haar bundeldebuut in 1992, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2009 werd zij benoemd tot stadsdichter van Alkmaar. 


Recensie van Verlies van lief - Margreet Schouwenaar & Mariet Lems

Voor ik mij nablijf

Margreet Schouwenaar & Mariet Lems
Verlies van lief
Uitgever: Kleinood & Grootzeer
2014
ISBN 9789076644714
€ 18
40 blz.

Dichters doen dat graag, gedichten schrijven bij schilderijen, bij beeldend werk, bij foto’s; het geeft vanwege de concreetheid een zeker houvast, leidt de inspiratie, is een betrouwbare manier om de werkelijkheid te evoceren.
De beste gedichten verdiepen het zicht op de bron maar zingen zich er gelijkertijd los van, verbeelden niet alleen het beeld maar als het ware ook zichzelf en dat gaat het beste als het kunstwerk dat aan de basis lag iconisch is. De bekende bloemlezingen van Tom van Deel (Ik heb het Rood van ‘t Joodse Bruidje lief) en Anton Korteweg (Een engel zingend achter een pilaar) geven er tal van voorbeelden van.

De foto’s van Mariet Lems die Margreet Schouwenaar als uitgangspunt voor haar gedichten nam, hebben in zekere zin die iconische waarde. Lems fotografeert sinds lange tijd op het Ierse platteland leegstaande huizen en dan met name de vervallen interieurs en al datgene wat de laatste bewoners ooit aan allerlei meubilair, gebruiksvoorwerpen, wandversiering, zelfs persoonlijke brieven en foto’s achterlieten, stille getuigen van vergeten levens, zoals zij het noemt. In een enkel huis komt zij jaar na jaar terug om er het voortschrijdende verval vast te leggen. Iedere foto, door compositie en kleurgebruik sterk denkend aan impressionistische schilderijen, is zo een document humain op zich: een portret van wat van het menselijk bestaan resteert als de mens zelf daaruit weg is. Op iedere bladzijde ademen de foto’s het illusieloze resultaat van het verstrijken van de tijd: alles is verliezen, vervagen, vergeten worden. 

Geen wonder dat een medidatieve, sterk op tijdbeleving en zingeving georiënteerde dichteres als Margreet Schouwenaar door Lems’ foto’s geprikkeld werd en het initiatief nam voor een samenwerkingsproject. Lems leverde 150 foto’s, Schouwenaar koos er zestien, schreef er gedichten bij en die zijn bijzonder goed gelukt. Ze hebben niets geforceerds, er wordt niet te nadrukkelijk uitgelegd of verbeeld, noch wil het gedicht zich al te nadrukkelijk losmaken van de voorstelling die het uitgangspunt vormt. In zijn hang naar zelfstandigheid verloochent het gedicht de foto niet. Integendeel, iedere nieuwe lezing laat je terugkeren naar het beeld. Vanuit ‘Het gedicht wil weten’ naar deze totaal verruïneerde canapé bijvoorbeeld.

[…] Kijk naar deze
foto aan de eeuwigheid en
enkele ogen vergeven. Zo lang
duurt vergeten, zo kort altijd.
Daartussen verstrijkt een gedicht
dat wil weten.

Er valt in deze bundel ongelooflijk veel te beleven. En minstens zoveel als er te zien is, valt er te overdenken in deze bijna lijfelijke ervaring van verval. Een van de mooiste gedichten stelt tijd en dichterschap in hun onderlinge afhankelijkheid centraal:

DE TIJD DOET

De tijd doet met de ketel wat
de tijd doet met de tijd. Hij
schenkt verhalen, deukt de mare,
slaat de luister uit het ding tot
de stilte in de nagalm klinkt,
het stof van woorden daalt,
het gruis van gedachten kruimelt;
iemand een stoel aanschuift en
luistert en er niets te horen is
dan het zingen van herinnering.

Zoals woorden verflauwen,
slijten, het vuur verliezen,
van niets ruisen, zich achteraf
onder een tafel bezinnen.
Dat wachtend luisteren nu
van seizoen op seizoen, van slag
tot dag waarop oude woorden
als amper en aleer verstommen,
ketels dof uitslaan, uit hun doen
versteld. Zo stil wil ik worden

voor ik mij nablijf.

Zelden las ik een bundel waarin de combinatie tekst – beeldend werk zo’n eenheid vormt, als dat in Verlies van lief het geval is. Lems en Schouwenaar overtuigen volstrekt. Dat de bundel door uitgever Gerrit Westerveld bijzonder fraai vormgegeven is, draagt daar zeker nog aan bij. De oplage telt 300 genummerde en gesigneerde exemplaren. Poëzieliefhebbers zouden zich de kans niet mogen laten ontgaan een exemplaar te bemachtigen.

***
Margreet Schouwenaar (1955) is dichter en kinderboekenschrijfster. Sinds 2009 is zij stadsdichter van Alkmaar. Verlies van Lief is haar tiende dichtbundel. Mariet Lems (1946) is dichter en tekstschrijver en was werkzaam in de wereld van de kunst- en cultuureducatie.
De bundel is te bestellen via deze link
 

Recensie van Het wachten bezingen - Margreet Schouwenaar

De (on)toereikendheid van taal

Margreet Schouwenaar
Het wachten bezingen
Uitgever: Uitgeverij P ,Uitgeverij P ,Uitgeverij P
2011
ISBN 9789079433698
€ 18,00
64 blz.

Het wachten bezingen van Margreet Schouwenaar is een zorgvuldig opgebouwde bundel. Hij telt 37 gedichten, die zijn ondergebracht in zes afdelingen die alle een intrigerende titel meekregen. Voor de eerste is dat ‘Uitgespaard in overmaat’, een deel dat begint met ‘Geen woord’, een gedicht waarin sprake is van een ik die beweert woorden tekort te komen om bepaalde dingen helder te kunnen uitdrukken. Het is een opvallend begin, want gaandeweg de bundel wordt duidelijk, dat hier juist een dichter aan het woord is die aan woorden helemaal geen gebrek heeft.

Geen woord

Er is geen woord voor missen, hoewel
ik het hoor in de merel die zingt
in de tuin waar jij niet bent. Geen woord
voor het mankeren van de dagelijkse
dingen; het snijden van brood, de zoete
stroop van simpele zinnen. Geen woord
voor de te ontberen belofte
dat er een eeuwig zal zijn. Dat jij
de enige zal zijn, dat ik een woord
vind waarin liefde past als mijn koude
lichaam in jouw winterjas. Je zat
laat op de avond in je stoel en zei
dat het voorbij was en ik vroeg me af
waarom ik geen woorden had, maar stuivend
zand licht als kruim, duin zonder pad.

Ik wist van kindsbeen af dat brood
geen weg bezat. Ver weg hoorde ik
vleugelslagen. Klap na klap. En jij zat.

Dit gedicht is in veel opzichten kenmerkend voor de poëzie die Schouwenaar schrijft. In de eerste plaats treft het royale gebruik van ‘poëtische middelen’. Naast een gevarieerd ritme en de vele herhalingen zijn het met name de enjambementen, alliteraties, assonanties en binnenrijmen, die zorgen voor een harmonieus, fijnzinnig klankpatroon. Heel verzorgd allemaal.
Ook aan de wijze waarop het gedicht zijn inhoud krijgt, is de vaardigheid van Schouwenaar af te lezen. De korte zinnen in relatief eenvoudige taal suggereren een grote mate van helderheid, terwijl toch veel onuitgesproken blijft. Er is sprake van afscheid en verlies, of de vrees daarvoor, maar hoe de jij zich tot de ik verhoudt en wat de aard van hun relatie is, wordt niet duidelijk gemaakt en dat stelt de lezer in staat zelf veel in te vullen. Het verborgene wordt aangeraakt, maar niet in extenso behandeld en dat zorgt voor een verleidelijke verdieping van de betekenis.
Daaraan dragen ook de opbouw van het gedicht, het gekozen perspectief (de ik is zowel betrokken in de handeling van het gedicht als de beschouwer ervan), toon en sfeer (elegisch) en de gebruikte metaforen nadrukkelijk bij.
Het beeld aan het eind van de eerste strofe is treffend: de taal wordt de ik tot los zand, dat haar als het leven zelf door de vingers glijdt en waarin zij richtingloos moet voortploegen.
Het begin van de tweede strofe lijkt te verwijzen naar de gruwelpassage uit Klein Duimpje als de stukjes brood verdwenen blijken, de kinderen definitief verdwaald zijn en het onheil naakt. Vandaar de dreigende vleugelslagen van het naderende noodlot. Een weg terug is er niet, en dat het gedicht eindigt met ‘En jij zat’, maakt dat tot iets definitiefs.

Het er direct op volgende ‘Strijdig’ is veel explicieter persoonlijk, waardoor er van het eerste gedicht als het ware iets wordt afgepakt. Nogal cru begint het met ‘Mijn man is mijn man niet meer.’/ Hij is te ver gegaan. Ik hoor zijn/ woorden niet. Ze komen in een/ enveloppe bij monde van een recht/ dat krompraat wat ons bond.’ De vierde strofe vervolgt daarop met ‘Doe geen moeite, zegt de brief./ Waarheid is een kostelijk goed/ dat je rauw verslinden moet.’ Het slot van de zesde en laatste strofe luidt: […] Niet/ omkijken. Niet wijken. Ik had hem/ lief die mij kippenvel streelde en/ tegen mij lag.’
Het is indringend, het is schrijnend, vooral als je in het gedicht ook nog leest ‘Alles komt tot lust en nijd.’ Je proeft eruit dat Schouwenaar graag eigen sententies formuleert, waarheden met een aforistische kracht.

In de twee gedichten die volgen krijgt ‘verlies’ en veel ruimere invulling en in het slotgedicht van de afdeling, ‘Tot zover’, komt zij tot de acceptatie ervan, ook van het uiteindelijke verlies van zichzelf, omdat verloren gaan een vorm van blijven is: ‘Gereed voor afscheid zal ik/ zijn. Hier en nu. Ik laat mij gaan/ zonder ballast. Geen bedoeling/ dan de weg in buurt, buiten, zand/ en grens uitgelegd. Uitgespaard/ in overmaat zal ik mij, laat ik mij// achter.’

Ook het vervolg van de bundel is de moeite waard. Het minst kon mij de wat apart staande derde bekoren met wat stugge gedichten over legendarische vrouwen: Hadewijch, Hildegard von Bingen, Jeannne d’Arc, Theresia van Lisieux, Magdalena en Rachab. Zulke onderwerpen leiden snel tot maakwerk. Maar de vierde afdeling ‘Staan is meer dan blijven’ is dan weer sterk, ook al omdat Schouwenaar daarin dicht bij huis blijft met gedichten over haar jeugd, het gezin waaruit ze afkomstig is, de moeder, en vooral de vader. Het gedicht ‘Stilte’, te lang om in zijn geheel op te nemen, is zonder meer indrukwekkend. Ik citeer het begin en het eind:

Stilte

Deze stilte vader, is geen stilte
van de winter, geen laatste galm
voor het lentebrood, deze stilte
is de stilte van koude tafels, droge
schotels en verkruimeld licht.

[…]

[…] Je ligt zo waterpas, vader, zo
met stilte geladen. Zo diep in dood. Nooit is iets
buiten verlies. Alles is mond en komt tot zwijgen.
Hier, in stilte droog als hagel, het laatste schot
voltooid, schooi ik verhalen, schamp ik het
woord:

vader.

Haar taal zou ontoereikend zijn om verlies adequaat te verwoorden? Dit gedicht bewijst het tegendeel en de sleutel blijkt te liggen in het zuiveren van de ontroering. Als Schouwenaar persoonlijk schrijft, is zij op haar best. Een geslaagde bundel van een dichteres die wéét wat ze doet.

****
Margreet Schouwenaar (Schagen, 1955) is dichter, kinderboekenschrijfster en docente pedagogiek. Ze is werkzaam als docent aan de Opleiding Leraren Basisonderwijs van Hogeschool Inholland.
In 1991 werd ze genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs op grond van vier gedichten in De Revisor. In 1992 verscheen bij Querido haar eerste bundel: De drempel die vertrek is, waarna bij dezelfde uitgever nog zes bundels volgden. Wegen om te komen was daarvan in 2008 de laatste.
In 2009 volgde zij Joost Zwagerman op als stadsdichter van Alkmaar.
De cursussen in het schrijven van levensverhalen en poëzie die ze al jaren geeft, kregen hun neerslag in een boek met concrete schrijfoefeningen: Woordenregen. 1 jaar schrijven (A3 Boeken, 2011)