Recensie van Liefde is voor feestdagen - Rense Sinkgraven

Wees niet bevreesd

Rense Sinkgraven
Liefde is voor feestdagen
Uitgever: Liverse
2013
ISBN 9789491034152
€ 12,95
66 blz.

Na twee eerdere bundels bij uitgeverij kleine Uil heeft Rense Sinkgraven nu onderdak gevonden bij het Dordtse Liverse, dat met o.a. de Bordeauxreeks dapper bezig is met het opbouwen van een interessant eigen poëziefonds. De vraag is of Sinkgraven daaraan met Liefde is voor feestdagen in positieve zin bijdraagt. De bundel opent in ieder geval sterk:

Geen God

Wij botsten, jij viel,
een vorm van gerechtigheid.
Onder de fiets lag je breekbaar
als een vader, wat weet jij nou?
Dat de aarde plat is, dat God
bestaat, de schepping prachtig is.
Wij vragen om genade.

Zeker zal de dood komen en dan?
Dan denk ik aan je ogen, je bruine
ogen, ik ben het vader.
Hoe je licht gebogen – loop
toch rechtop – naast me gaat
en me uitzwaait. Wees niet bang.
Wees niet bevreesd.

Twee strofen van zeven regels, met vier respectievelijk vijf zinnen, in beide een retorische vraag en veel assonanties en de slotregel van de tweede aansluitend op die van de eerste. De vorm is daarmee mooi compact. De inhoud is dat in zekere zin ook, want we hebben te maken met een klassiek vader-zoongedicht, compleet met enerzijds hun conflicterende levensopvatting en anderzijds hun verbondenheid. Daarbij blijft er voor de lezer voldoende open om keuzes te maken. Wie is de God uit de titel? Hoe letterlijk mag of moet het begin gelezen worden? Roept ‘breekbaar [zijn] als een vader’ bij de lezer eigen herinneringen op? Hoe pesterig, of ontluisterend, is de vraag wat of de vader nu weet? Nou? Lezen we in ‘Wij vragen om genade.’ uitsluitend de opvatting van de vader? Om wiens dood gaat het vervolgens? Sterft de vader en sterkt de zoon hem daarbij, of is de vader – al of niet als toekomstbeeld – al gestorven en is hij degene die ooit voor de zoon het sterven licht zal maken?
De crux zit in het regeltje ‘ik ben het vader’, waarin ‘ik’ zowel op de zoon als op de vader kan slaan. De dubbele imperatief aan het eind ten slotte kan hier zowel persoonlijk als algemeen menselijk zijn.

Kortom, het is een gedicht waarmee je niet snel klaar bent, een belofte voor de rest van de bundel. De twee gedichten die de eerste afdeling completeren, lijken dit te bevestigen, al is het Hendrik de Vriesachtige ‘Ik droeg een geweer’ in een heel ander stijlregister geschreven (‘Ik hoorde een moeder./ Zij zong van een vogel./ Ik doodde de vogel./ Vermoordde het lied.’). Maar het sterke ‘Storm en regen’, een suggestief gedicht over een begrafenisdienst, staat dan weer heel dicht bij het begin.

Daarna, helaas, wordt het minder, en hoewel er steeds regels opduiken die de de moeite waard zijn, zijn het zelden nog complete gedichten (‘Witte muur’, ‘Stil’) die je treffen. Daarbij gaat Sinkgravens neiging om in korte, geïsoleerde regels te schrijven wat irriteren, vooral als ze weinig oproepen en de innerlijke samenhang ontbreekt. Gedicht vier uit de bundel, ‘La chambre des étoiles’, handelend over eenvoudig liefdesgeluk, eindigt met de strofe ‘Aan de hemel staat de Grote Beer./ Gekaderd door het raamkozijn./ Constellatie van ons samenzijn./ Blauwdruk van dat geluk.’ Niet alleen dat ik dit stilistisch heel lelijk vind, maar ik vermag ook niet te doorgronden hoe het sterrenbeeld de constellatie, zelfs de blauwdruk van geluk kan zijn. Vanwege de steelpan? Het klinkt goed, lijkt veelzeggend, maar is strikt genomen onzin.
En zo gaat het vaker in de bundel, waarbij opvalt dat de dichter zich nogal eens met de beeldspraak vergaloppeert. ‘De lepel is de spiegel van de ziel.’ opent ‘Pokdalig’ en in ‘Nevel’, trouwens weer een van de betere gedichten, staat: ‘De klok tikt als een jachthond in mijn pols. In ‘Binnenzee’: ‘In mij zeurt het woord, het steekt, een angel,/ brutale kraai die onophoudelijk schreeuwt.// […] // Het woord daalt op mij neer, een roofdier,/ een vishaak, een kwelgeest in mijn zon.’ Het ademt iets groots, maar wat betekent het? Ook in ‘Vlucht’ ben je snel het spoor bijster: ‘En zij die me baarde, ik ken/ haar niet. Ik ken niemand, alleen/ helder water om in te baden./ Maar herboren ben ik niet.’
Soms bezondigt hij zich aan weke romantiek (‘De maan onder een sprei’), is een gedachtegang onhelder (‘Uurwerkmaker’) of is de innerlijke logica niet te doorgronden (‘Schaduw is mijn grond’). ‘Nachtlokaal’ stapelt de clichés.
Iemand had naast Sinkgraven moeten gaan zitten en per gedicht regel voor regel de relevantie moeten nagaan en het logische onderlinge verband.

Enkele gedichten detoneren. Wat doen ‘Diepwoelen met de wipwoeler’, ‘Pieter de Papoea’ en ‘Closing T’ in de bundel? Gelukkig is daar dan ook weer een gedicht als ‘Ondenkbaar‘, en ook het titelgedicht kan ermee door, al geldt daarvoor toch ook dat de beelden wel erg los van elkaar staan.

Oostenwind

Wat jij zegt is waar.
Ik ben een minnaar van niks.
Een boerenjongen met
grove handen.
Liefde is voor feestdagen.

Trek voren in de klei.
Ik ben een boer van niks.
Oogst oostenwind, denk
er zeilen bij, een schip, orkaan.
Ver weg van jou.

Liefde is voor feestdagen telt 34 gedichten, onderverdeeld in zeven genummerde afdelingen, waarin met enige goede wil is vast te stellen dat er telkens een ander thema in domineert: herkomst, liefde en relaties, natuur, het metafysisch-filosofische, het ik, het dichterschap, de dood. Maar erg uitgesproken zijn die thema’s niet en veel gedichten hadden ook elders kunnen staan.

Op het achterplat prijzen Ingmar Heytze en Anneke Claus Sinkgravens eerdere werk en is merkwaardigerwijs ook dit citaat van Jean Pierre Rawie opgenomen: ‘Rense Sinkgraven ken ik, een heel aardige jongen, al weet ik niet wat ie schrijft.’ Het is onbedoeld een treffende karakteristiek van de bundel: vriendelijk, sympathiek maar inhoudelijk te weinig uitgesproken om als bundel te beklijven.
Maar Sinkgraven heeft talent genoeg en misschien was dit het laatste deel van de lange aanloop naar zijn definitieve doorbraak. Laten we het hopen. Ik gun het de dichter, ik gun het zijn uitgever.

***
Rense Sinkgraven (1965) studeerde filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij als wetenschapsfilosoof afstudeerde. Van 2007 tot 2009 was hij stadsdichter van Groningen. Hij debuteerde in 2005 met Bombloesem en in 2009 volgde Sloop de stad met tedere woorden. Beide bundels werden in Meander besproken.

Recensie van Sloop de stad met tedere woorden - Rense Sinkgraven

De vuilboom loert

Rense Sinkgraven
Sloop de stad met tedere woorden
Uitgever: kleine Uil
2009
ISBN 9789077487679
€ 12,50
48 blz.

Rense Sinkgraven (1965) was van 2007 tot afgelopen maand de stadsdichter van Groningen. Hij debuteerde in 2005 met het lauw ontvangen Bombloesem. Na het lezen van de eerste dichtregels in zijn tweede bundel Sloop de stad met tedere woorden moest ik wel even diep ademhalen. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Er stond namelijk ‘Slok me op zoals de oceaan / een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip’. Die twee regels bevatten al drie dingen waar ik allergisch voor ben: een vergelijking met ‘zoals’, lelijke gemeenplaatsen (‘slok me op’ en ‘losgeslagen schip’) en een feitelijke onjuistheid. Begrijp me niet verkeerd: in poëzie is natuurlijk in principe niets ‘onjuist’, maar dan wil ik als lezer wel graag een idee hebben waarom de dichter spreekt van een oceaan die een wolk opslokt. Oceanen slokken een hoop op, en losgeslagen schepen horen daar zeker bij, maar wolken, zeker ijle, zijn in het algemeen buiten hun bereik. Mooie woorden dus, keurig in twee dichtregels gezet, maar de gedachte erachter ontgaat me. Ook in de rest van het gedicht, ‘Lisboa’ genaamd, staan regelmatig regels die voor de rest van de bundel het ergste doen vermoeden. Ik citeer het hier in zijn geheel.

Lisboa

Slok me op zoals de oceaan
een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip.

Ik hou van de diepte van jouw straten, Lisboa,
je monotone metromuziek, de omwoelde nachten
van je sterverlichte slaap en hoe je klinkt
in een oude dichteres, een op dronk gekomen
stroeve wijn, een droevig lied.

Ik lag aan je boezem, jij stootte me af,
je warme hart klopte nooit voor mij.
Een vissenkop ben je met koude vissenogen,
een graat steekt in je ziel.

Boeren van de zee temden dit water.

Het riool spoelt de Taag. De veel bezongen Taag
met excrementen waarvan de vissen vreten.

Ik hou van de ruimte van jouw pleinen, Lisboa,
hoe de zon windstil matrozen beschijnt,
het korrelig rood van je mossige daken,
je neonnachten vol paarden in draf.

Het gedicht maakt nogal een bijeengeraapte indruk. Behalve dat ze allemaal uiteraard op Lissabon slaan en vaak iets met water te maken hebben is er nauwelijks een samenhang tussen de beelden te vinden. Verder is er een ruime oogst aan clichés (‘een droevig lied’, ‘ik lag aan je boezem’, ‘je warme hart klopte nooit voor mij’), ogenschijnlijke nonsens (‘de omwoelde nachten van je sterverlichte slaap’, ‘mossige daken’ die desondanks ‘korrelig rood’ zijn) en mooischrijverij (‘excrementen’, wat een lelijk woord is dat toch). Maar hoop is er ook. Mooi vind ik hoe de dichter de stad in het Portugees aanspreekt. Door ‘Lisboa’ te schrijven in plaats van ‘Lissabon’ wordt de naam meer dan een plaatsaanduiding en wordt de stad een karakter. Mooi is ook het beeld van de ‘op dronk gekomen stroeve wijn’ dat gelezen kan worden als een wat stugge Portugees die na een paar glazen wijn loskomt. Jammer dat diezelfde Portugees een paar regels verder voor ‘boer van de zee’ wordt uitgemaakt. De formulering ‘jij stootte me af’ is dan weer leuk gevonden in het kader van ‘ik ben een schip’ en de slotregel van het gedicht is ronduit prachtig.

En zo is het een beetje met de hele bundel. Sinkgraven maakt de indruk slordig te werken, niet goed na te denken over de inwendige samenhang van een gedicht. En hoewel hij af en toe echt geweldige regels schrijft en goede beelden bedenkt weet hij het vaak ook weer snel te verpesten. Is het wel poëzie, ga je je na een tijdje afvragen, of is hier iemand ‘dichterig’ aan het doen? Op het podium kom je misschien weg met het maniertje van Sinkgraven om wat beelden bij elkaar te zetten, wat mysterieuze korte zinnetjes te maken (‘de vuilboom loert’), wat grote woorden te roepen (‘voel hoe de zee de rotsen splijt’) of wat hippe taal te lanceren (‘Het plein in urban lounge mood’) maar op papier val je er snel mee door de mand.
Ook de gedichten die qua vorm minder op mijn zenuwen werken zijn thematisch weinig uitdagend. Zoals ‘Zwijgen’:

Zwijgen

Ik wil een vrouw die wacht
in het donker tot ik thuiskom.
Ik wil een vrouw die waakt
over het kind dat slaapt.
Ik wil geen vrouw.
Ik wil een sprankelend boek
dat roept dat ik een god ben.
Ik wil een heerser zijn die
weet wat lijden is.
Ik wil een man zijn zonder
angstzweet, een man die
breken kan en zwijgen.
Waarachtig in het schrijven.
Ik wil geen vrouw.
 

Een goedlopend gedicht dat, hardop gelezen, lekker dreunt. Maar als je het drie keer leest denk je: waar gaat het nou helemaal over? Rense Sinkgraven dicht in Sloop de stad met tedere woorden te slordig. Hij pent te makkelijk gemeenplaatsen neer. Hij is nergens echt dichter in de zin dat hij probeert het hoogst haalbare uit zijn taal te halen. Hij is teveel gericht op effectbejag, gebruikt daarom teveel grote woorden en lijkt, behalve een wat obligate belangstelling voor steden, geen echt eigen thema te hebben.