Recensie van Kinderroof & Bijzang - Brigitte Spiegeler

Dialogen en andere hybride zangen

Brigitte Spiegeler
Kinderroof & Bijzang
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659944
€ 17,50
93 blz.

Structuur
De nieuwe gedichtenbundel van Brigitte Spiegeler (1971) telt 69 gedichten. De bundel omvat vijf afdelingen; bedrijven die voorzien zijn van titels ontleend aan het klassieke theater – en toneeljargon. Zo verwijst het eerste bedrijf ‘Kommos’  naar de klassieke drama’s waarin acteur en koor elkaar in beurtzang afwisselen. Het tweede bedrijf heet ‘Reidans’ en refereert aan de klassieke tragedies waarin koorzang met of zonder dans een akte afsluit en een nieuwe aankondigt. ‘Changement’ is de titel van het derde bedrijf en betekent decorwisseling. Dan volgt het vierde bedrijf, de ‘Contr(e)apasso’, die voor hellestraf staat, een  stijlfiguur  die  in Dantes La Divina Comedia  furore maakt. De bundel wordt afgesloten met een vijfde bedrijf ‘Hamartia’. Deze aanduiding verwijst naar een fatale beoordelingsfout van de protagonist in tragedies, waardoor hij – zoals ooit Lucifer – ten val komt. 

Het lijkt erop alsof de dichteres met deze verwachtingsvolle aanduidingen preludeert op dialogen met imaginaire lezers. De ene keer is het als wil zij hen wakker schudden uit indolentie; de andere keer wil attenderen op bijzondere voorvallen of ervaringen en dan weer wil informeren over de absurditeit van het leven.  Het is aan de lezer om te ervaren of en in welke mate er een verband bestaat tussen de titels van de vijf bedrijven en de daarin gegroepeerde gedichten.

Vorm
De poëzie van  Spiegeler is qua vorm wars van traditie;  rijmschema’s zijn verwaarloosbaar, alliteratie en assonantie komen nauwelijks voor, er is geen metrum,  bijna geen interpunctie en de strofen zijn onregelmatig van bouw en regellengte. Moderne poëzie dus die eveneens afrekent met de traditionele  veelal aan natuur en liefde ontleende beeldspraak en conventies.

Haar poëzie kent daarentegen wel andere opvallende stijlfiguren zoals  enjambementen en apposities die al in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Kinderroof & Bijzang’, p. 13  worden toegepast. De cursivering, ook in volgende fragmenten, is van mij.

Ik liep de liefde in
viel in een slangenkuil
Kinderroof puur sang
een volle krabbenmand

Een ander, regelmatig gebruikt stijlmiddel is de hypallage, zoals die op p. 15 in r. 6 en 7 van het gedicht ‘Bevlogen oor’ voorkomt.

Dat ziet alleen een rennend oog
Een bevlogen oor bekoort daarentegen het ware gezicht                 

De ellips is evenzeer een beproefd stijlmiddel; een mooi voorbeeld daarvan treffen we aan op p. 20 in de derde strofe van het gedicht  ‘Een poedel op tafel in Gent’.

In een glazenkast
met wattenstaafjes restaurerend
vol hart en ziel
Een poedel op tafel in Gent
zo kun je niet worden weggezet                            

Spiegelers taalgebruik verbindt ongebruikelijke woordcombinaties, onlogische enumeraties, bizarre en absurdistische woordassociaties die bij de lezer enerzijds verwarring en vervreemding oproepen en anderzijds een schok of reflectie teweeg brengen. De lezer moet bijgevolg voortdurend op zijn qui-vive blijven om niet hopeloos in de dichterlijke infrastructuur met weinig verkeersborden, met doodlopende stegen en in een wirwar van zijpaden en omwegen te verdwalen.

Niet verbazingwekkend is het dan ook dat haar gedichten niet zelden geschraagd worden door een geheel eigen toonzetting. Een toonval die zich kenmerkt door verrassende en onvoorspelbare combinaties van zins- en woordwendingen, die een pandemonium veroorzaken als gevolg van de vele  perspectiefwisselingen en die zich onderscheidt door een vocabulaire dat zo als flarden van de straat, als oneliners op reclameborden, van muurteksten en uit krantenkoppen geplukt zou kunnen zijn.  Zo ontstaat poëzie als een literaire collage van quotes, allusies, designaties en aan eigen inzicht en  werkkring ontleende tekstelementen.

Apollinische of dionysische perceptie?
Nu de titels van de vijf bedrijven in haar nieuwe bundel zo ostentatief verwijzen naar literaire termen uit de klassieke oudheid rijst de vraag of de poëzie van Spiegeler tendeert naar de apollinische of juist naar de dionysische conceptie van het wereldbeeld. Het eerste begrip vertegenwoordigt de wereld van de ratio, van de orde, harmonie en regelmaat. Het tweede begrip staat voor een irrationeel wereldbeeld waarin andere bronnen van weten en kennen worden gemobiliseerd zoals de zintuiglijke waarneming, de roes, de associatie en disharmonie, de ambiguïteit en het onderbewustzijn.  Al lezende kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het dionysische aspect in het werk van Spiegeler domineert. Zo zegt de ik-figuur in het gedicht ‘Kanariefokkers’ op p. 82 in de tweede  strofe:

Liever heb ik een leidende gedachte
dat zorgt voor schouwspel
en veel gefladder,
flaneren met figuratie
De essentie is daar
Over nieuwe vormen van kunst
maken mensen zich altijd kwaad. 

En al eerder schrijft Spiegeler in het gedicht ‘Utopische wens met beunhazerij’ in de laatste strofe op p. 76:

Het speelveld is een kader,
een doek of een kast
Voor een keurslijf geldt dat eveneens
niet buiten de stippellijntjes komen
het talent om langs gevaarlijke klippen te loodsen.

Allusies
Het is alsof de dichter in haar poëzie een kunstexpressie vindt om te ontsnappen aan het dagelijkse juridische keurslijf waarin haar woorden gevangen zitten, namelijk in wet, canon of verdrag. Het is het leven zelf dat de dichter daaruit bevrijdt en dat haar in een ongebonden poëzie doet opstaan met retorische vragen als ‘Welke brandhaard is er nu weer aangestoken?’, p. 74, r. 9. Het leven waarin de dichter volkspredikers in de huidige maatschappij met verfoeide slogans als vol is vol ridiculiseert en  in een achteloos parlando poëzie riposteert met: ‘is echt de grootste onzin ooit gehoord’, p. 24, r. 2.  En een leven waarin de dichter soms vermaant zoals in het gedicht ‘Smetteloosheid’, pagina 72, r. 5-7 ‘Zodra de taal / geld begon te verdienen / verslofte de moraal.’ //  

Daarnaast schuwen de gedichten, wat inhoud betreft, de grote maatschappelijke problemen niet waarmee op grote en kleine schaal geworsteld wordt, zoals ‘Tweedracht zaaien / onder moslimknuffelaars / en zionistenvriendjes’ //, eerste strofe, p 38; zoals ‘Paranoïde Russen’, r. 12, p. 31; en zoals ‘’Liggend aan een infuus van drank, / pillen, peuken en lijm / De uitwassen van je eigen kapitalisme / r. 11 – 13, p.33.     

Soms geeft Spiegeler aan wat in het leven evident is. In het gedicht ‘Straffeloos’ op p. 37 geeft de laatste strofe van die evidentie een mooi voorbeeld.

Altruïsme is belangrijk
Dit geldt eveneens
voor empathie,  idealisme
en het godsinstinct.

Resumé
De poëzie van Brigitte Spiegeler is complex en niet altijd even toegankelijk en begrijpelijk. De inhoud van de gedichten moet door de lezer bevochten worden. Er ontstaat als het ware een woordkamp tussen dichter en lezer die ten langen leste bezworen wordt en vervloeit in de harmonie dan wel disharmonie van de oude beurt- en koorzangen zoals die ooit in de drama’s van weleer gesproken en gezongen werden.

Haar poëzie is als een moderne symfonie waaraan onze oren niet gewend zijn. Spektakelstukken die keer op keer beluisterd moeten worden om enigszins begrepen te worden en die soms  – geheel onverwachts, zoals een oester zijn parel – de luisteraar hun schoonheid tonen.   

*** 
Brigitte Spiegeler (1971) debuteert als dichter in 2015 met de bundel Krijgskunst. De besproken gedichtenbundel Kinderroof & Bijzang (2018) is haar tweede gedichtenbundel. Zij is daarnaast actief als beeldend kunstenaar en fotograaf; kunstexpressies waarmee zij sinds 2013 naar buiten treedt. 

Recensie van Krijgskunst. Verluierde gedichten en andere vuurpauzes - Brigitte Spiegeler

Laat het laboratoriumwerk maar zitten

Brigitte Spiegeler
Krijgskunst. Verluierde gedichten en andere vuurpauzes
Uitgever: In de Knipscheer
2015
ISBN 9789062658725
€ 16,50
80 blz.

Krijgskunst is het debuut van Brigitte Spiegeler (1971). Naast dichter is zij beeldend kunstenaar en advocaat. Ik kende haar niet: op een gedicht in Nynade na, had zij nog niet gepubliceerd.

Helaas heeft zij buiten haar schuld een valse start gemaakt, omdat haar uitgever op een zeer opvallende plaats een enorme spelfout heeft laten staan, namelijk aan het eind van de laatste zin van de flaptekst. Heel pijnlijk, want de meeste aspirant-kopers lezen die al in de boekhandel. De zin luidt: ‘Een zwak voor omwegen brengt ons dichter bij de waarheid, zo vaak door taal verhult’. Ook inhoudelijk is dat onzorgvuldig. Moeten de lezers een zwak voor omwegen hebben? De tekst gaat echter over de inhoud van de bundel, over Spiegelers werkwijze en over het effect daarvan. Daarom zou er moeten staan: ‘Haar zwak voor omwegen … ‘. En bij de inhoud heb ik ook mijn vraagtekens: wat is ‘de waarheid’? Alleen godsdienstfanaten en Kim Jong-un hebben daar een antwoord op. 

De bundel heeft zeven afdelingen, die zonder uitzondering met strijd hebben te maken. Drie voorbeelden: ‘Slag leveren’, ‘Een compagnie intact houden’ en ‘In honderd veldslagen niet in gevaar zijn.’ Veel gedichten zijn in deze context poëticaal te lezen: het gaat om de verovering van goede poëzie. Hoe gaat haar die strijd af? Om daarvan een idee te geven, ga ik in op het gedicht ‘Slag leveren’. 

Slag leveren
 
Blijven waar je bent
en vertrekken
 
pompen of verzuipen
Ik kies voor optie C
 
Springen op de trampoline
grieven dienen doel te treffen
 
Hoe kom ik uit deze echoput?
Geen herinnering hierbij
 
Voor de antieke Grieken
ligt de toekomst achter hen.

Dit gedicht zou kunnen gaan over een moeizaam schrijfproces: taal is weerbarstig, de vorm moet je veroveren. De eerste twee regels bevatten een mooie paradox: er is een dichter (m/v) aan het werk die zowel stilzit als reist in zijn geest. Het gevecht kan op drie manieren worden gevoerd en gek genoeg kiest hij voor verzuipen, want regel 1 en 2 vormen optie A (blijven en tegelijkertijd vertrekken) en de keuze ‘pompen of verzuipen’ de opties B en C.
Of moet je lezen: ‘Blijven waar je bent’ (A) ‘en vertrekken’ (B) en ‘pompen of verzuipen’ (C)? ‘Pompen of verzuipen’ zou dan de slag verbeelden die geleverd moet worden. In deze interpretatie gaat de paradox echter verloren en dat is jammer.

Hoe het ook zij: de slag wordt verloren. De dichter moet hoog reiken om zijn doel te bereiken, maar dat lukt niet. De woorden zijn machteloos, de dichter zit in een ‘echoput’ en weet niet hoe hij verder moet, omdat de toekomst onzichtbaar is: ‘Geen herinnering hierbij // Voor de antieke Grieken / ligt de toekomst achter hen.’ Zij zaten met hun rug naar de toekomst; het verleden lag voor hen.

Ik blijf zitten met het woord ‘grieven’. Er is echter een tweede interpretatie mogelijk, want ‘grieven’ is onder andere een juridische term: het aanvoeren van een bezwaar in hoger beroep. De slag zou zich daarom ook in de rechtszaal kunnen afspelen. Dat is aannemelijk, want niet alleen de dichter Spiegeler hanteert taal als wapen, maar ook de advocaat. De regels ‘Blijven waar je bent / en vertrekken’ passen ook hier: je blijft in de rechtszaal als je start met je betoog.

Een gelaagd gedicht, maar is het daarmee ook een goed gedicht? Nee. Dat komt met name door de onhandige opeenvolging van de beelden ‘Springen op de trampoline’ en ‘Hoe kom ik uit deze echoput?’ Een welwillende lezer snapt dat de ‘ik’ hoog moet springen om te slagen, maar helaas in een echoput zit. Een minder welwillende lezer zal zich boosaardig afvragen of er een trampoline onderin de echoput staat en zo ja, hoe je dan in godsnaam kunt pompen om niet te verzuipen.

Ook de tegenwoordige tijd in de laatste regel is storend. Die past hier niet, net zo min als in de zin: ‘Voor mijn overleden grootmoeder ligt de toekomst achter haar.’ En ‘antieke Grieken’ in plaats van ‘oude Grieken’ omwille van het binnenrijm: ook niet geslaagd. 

Spiegeler is echter wel in staat om goede gedichten te schrijven. Een ander poëticaal gedicht, ‘Voorbereiding’, rammelt weliswaar ook een beetje, maar daarin schrijft ze wel de volgende humoristische regels: 

Je bent overal op voorbereid
behalve een overstroming
 
Nog even een luchtbed
toevoegen
en bellen blazen
met windkracht acht.’ 

In haar eerste gedicht, ‘Zeker het bestaat’, schrijft ze: ‘Goed ter tale / heb je niet in de hand / zelftwijfel ook niet / Bovendien moet het nog / wat liggen uitzweten.’

Dat gedichten in alle opzichten moeten ‘uitzweten’ is bekend. Bloem was een enkele keer pas na twee jaar tevreden over een gedicht. Maar de overtuiging dat taalvaardigheid niet in de hand te houden is, moet een krijgskundig dichter natuurlijk van zich af laten glijden. Hij heeft hoogstens een pauze nodig. Taalkundig discutabele dichtregels als de volgende kan hij dan vermijden: ‘De essentiële voorbereiding / voor een opbouwende missie’, ‘De geschiedenis van de tijd / hoever / gaat dat terug?’ en ‘De molenwieken zijn hun ballet / gestaakt’. 

Hoe zij zelftwijfel kan overwinnen, laat Spiegeler zien in ‘Opengebarsten vruchten’. Het tweede motto van de bundel, een aforisme van Karl Kraus, past hierbij: ‘Phantasie had ein Recht, im Schatten des Baumes zu schwelgen, aus dem sie einen Wald macht.’ 

Laat het laboratoriumwerk maar zitten
geen montage
geen herhalingen
geen echo’s
Slechts een krokante bodem
en luchtkastelen
zover het oog reikt. 

Ik vind dat ze in haar geval gelijk heeft. Schrijf eenvoudige, ‘lekkere’ gedichten – de milde zelfspot bevalt me. Zulke gedichten zijn niet slecht: eenvoud is iets heel anders dan simpelheid. Ik prefereer dit gedicht boven bijvoorbeeld ‘Bellen met de zee’, dat ik gewild interessant vind:

Alle koks zijn masochisten
wellicht uit praktische overwegingen
De trein raasdommelt voort
verbluffend eenvoudig
Gun de kijker de tijd
Ze sterft in alle eenzaamheid
onder de iep
Ongesegmenteerd verlangen.

Ik hoop dat het labaratoriumwerk voortaan achterwege blijft. Spiegelers poëzie zal daar baat bij hebben.

***
Inmiddels liet de uitgever weten de bundel vanwege ‘de blunder’ te laten herdrukken.