Poëzie Kort 2016 / 9

 

Koenraad Goudeseune, Vet hart

Koenraad Goudeseune doet in zijn thematiek denken aan Reve: ‘liefde (of geen liefde), / en ouder worden, / en dan de Dood.’ Ook aan Bukowski, die zich, in tegenstelling tot Reve, niet veel gelegen liet liggen aan de vorm: de inhoud prevaleerde. In het werk van allerdrie de auteurs speelt drank een belangrijke, maar vergeefse rol als middel om de dagelijkse ellende draaglijk te maken. Alle drie voelen zij zich buitenstaanders.
Dit betekent niet dat Goudeseune een navolger of poseur is: hij heeft een eigen geluid, de overeenkomst zit hem in het levensgevoel. Pathetisch is hij soms wel. Zijn laatste bundel Vet hart opent met veertien zeegedichten. De ik-persoon woont in een appartement aan de Vlaamse kust, maar de zee, een beeld voor eeuwigheid en dood, biedt geen troost. In ‘Dan sneeuwt het op dit late uur’ schrijft hij: ‘Vissers zijn met kerstmis thuis. Kom nu, dood, bevrijd me. / Kom nu en laat mij los. ( … ) Kom nu dood, het is genoeg geweest. Kom nu, // laat mij gaan, laat boten loeien in de mist, ik hoor ze smeken / om een zeemansgraf.’ De gordijnen kunnen maar het best worden dichtgedaan en er moet ‘met strengheid’ worden geluisterd naar Marvin Gaye – de soulzanger die werd vermoord door zijn vader. Het helpt niet: ‘Kom nu, neem mij mee.’ De zin ‘Kom nu, dood, bevrijd me’ heb je dan al in twee eerdere gedichten gelezen, uiteraard steeds in combinatie met drank. De zeegedichten hadden meer indruk gemaakt als Goudeseune wat selectiever was geweest.
De overige gedichten zijn gevarieerder: beelden uit zijn jeugd, verloren liefdes, grappige gedichten over bezoekjes aan de cardioloog, verlangen naar liefde. Humoristich is hij ook. In ‘Oorlog & terpentijn’ schrijft hij zijn eigen Hartmans. Bij een bombardement rent de ik-figuur een schuilkelder in. Een vrouw heeft een koe meegenomen: ‘Het arme dier stond op haar vier poten te trillen en opeens / besefte ik / dat de tragiek van een beest twee poten erger kan zijn dan die / van een mens.’ En een grote eenzaamheid beschrijft de dichter vol zelfspot:

Liefje

Ik heb me met koud water gewassen.
Mijn schouders. Mijn buik.
Mijn rug zover ik kon.
Alles met koud water.
Mijn oksels ook.

Ik keek in de spiegel en zag iemand
die zich aan het wassen was.
Het was eerlijk gezegd geen zicht.

Koud water over mijn billen.
Koud water over mijn gezicht.
Mijn haar nat van het koude water.
Mijn voeten en ook mijn gat.

Had ik maar een liefje!

Het gedicht ‘Wierook wacht niet op een roman’ is mij uit het hart gegrepen. Hierin zet de dichter geërgerd en sarcastisch uiteen dat veel schrijvers hebben geleerd een romantechniek toe te passen, waardoor ‘we zo langzamerhand kunnen spreken van een monocultuur / in het romanlandschap’, maar geen idee hebben waar het echt om gaat en wat zich niet laat vangen: ‘Het wezen van de romantechniek loopt [die schrijvers] alleen maar / in de weg.’ Logisch: ‘Het wezen van de romantechniek geeft de rode draad aan het / labyrint terug / daar waar de romantechniek dat labyrint tot rode draad herleidde.’ Het eerste kunnen alleen echte schrijvers.

***
Koenraad Goudeseune (2016). Vet hart. Uitgeverij Bokeh, 106 blz. € 16,50.

 

Sven Staelens , m.n.m.”l

In m.n.m.”l schrijft Sven Staelens pwoermd, of pwoermds, daar wil ik vanaf zijn. Het gaat in ieder geval om ‘one-word-poems’, aldus zijn grote voorbeeld Geof Huth die het voorwoord schreef en daar twee dagen over deed: ’29-30 August 2016’. Hij deed dat bovendien in New York City; aan dit voorwoord kunnen we daarom niet voorbij gaan. Geof Huth deelt met de lezer een paar rake observaties over de werking van woorden: ‘Words appear to us to be solid in meaning, resolute, a small but essential barrier between civilisation and chaos.’ ( … ). Maar: ‘Every word is fungible. It insists different meanings in different contexts. The same word can be praise or an insult based on the tone of the voice speaking it or the phrasing of the hand writing it.’ Ik was het meest onder de indruk van zijn opmerking over dichters: ‘And, for the poet, they are malleable: they can be twisted into new shapes. They can become new things.’

Het is een mooie, goed verzorgde uitgave, die het visuele van de gedichten recht doet. Helaas is daar alles mee gezegd. De bundel begint en eindigt met een aantal grappige verschrijvingen op de linker pagina en grappige uitwerkingen op de rechter. Oordeel zelf. Kent u het visuele gedicht ‘ Revolutie ’ van Paul de Vree, een volmaakt voorbeeld van de eenheid van vorm en inhoud? Zulke gedichten komen in de andere afdelingen voor – over kwaliteit heb ik het hier niet. Voorbeeld: een molen, gemaakt van hoofdletters ‘i’ met een gemeenschappelijke punt in het midden. Het fundament is uiteraard een ‘m’. Ander voorbeeld: een sterk uitvergrote B op zijn kant (linksom) en daarachter, in minder grote letters ‘rest’. Een woordspeling. De ‘B’ lijkt op een tweepersoonsbed en ook op borsten. Rest, brest, en over die combinatie kun je dan nog even prettig verder fantaseren. Een ander soort pwoermd: ‘SKE?SIS’. Nog een: ‘ V’RDW’N’N ’.

Pwoermd. Het kan nog kleiner, dat liet Harriët van Reek zien in Lettersoep waarvoor zij in september terecht de Gouden Penseel kreeg. Hoe zullen we haar lettertekeningen noemen? Pletterd?

***
Sven Staelens (2016). m.n.m.”l. Uitgeverij CrU, 82 blz. € 18,95

 

Jozef Deleu (samenstelling), Het liegend konijn 2016 / 2

Het mooie van Het Liegend Konijn is dat het je nieuwsgierig maakt naar nieuwe bundels. Neem Maarten van der Graaff. Na Dood werk met zijn lijsten en klokgedichten heeft hij zijn werk weer vernieuwd en toch is hij direct herkenbaar. Vijf keer maakt hij op een linkerpagina een opmerking over ‘de nederlandse commune’ en op de rechter- volgt dan een bijpassend gedicht. Hij beschrijft de invloed van de gemeenschap op het maken van poëzie. Een vermakelijk voorbeeld:

de nederlandse commune mag zonder bevelschrift je hele lichaam onderzoeken
de officiële versie wijkt vaak af van de werkelijkheid

 —

dagelijks metaforen slikken
om de viagrajunk te worden
die ik al was
toen ik nog als bloedklomp leefde
en me voedde met het netwerk

seksuele vrijheid leverde de commune
goederen op en markten
waarin m’n bloedklomp werd uitgebroed
en met de benodigde capaciteiten toegerust

opgeilen en opgegeild worden
ontvangen en verzenden

Naast dat van Maarten van der Graaff heeft Deleu werk opgenomen van zes andere dichters die na 1980 zijn geboren: Ilona van Braam, Yannick Dangre, Sylvie Marie, Sander Meij, Marieke Rijneveld en Dorien de Vylder. Sylvie Marie is vertegenwoordigd met zeven gedichten met de overkoepelende titel ‘Houdingen’. Ze spiegelen elkaar. De eerste zin van de reeks luidt: ‘vertedering, beminde, heeft veel weg van vertering.’ De laatste: ‘de vertering, beminde, ze werkt / soms vertederend.’ Tussendoor laat zij zien hoe die vertering in zijn werk gaat. Er staat veel op het spel: ‘haha, je houdt niet // voor mogelijk hoeveel mensen sterven / nog voor ze hun laatste woorden zeggen.’, merkt het lyrisch ik op in ‘zoveel vragen en nog lopen we verveeld …’ .

Ook de voorgaande generaties zijn goed vertegenwoordigd. In dit nummer gaat de vaststelling van Pieter Boskma in ‘Dankbaar verval’ niet op: ‘De imperia verkruimelen, gelukkig maar, want bleven zij / ongeschonden in hun staat van hoogste bloei, dan had / geen generatie ruimte voor een eigen grootsheid’. Boskma zelf is met zeven gedichten goed vertegenwoordigd en van een achteruitgang in de kwaliteit van zijn gedichten valt niets te merken. Hij is overigens nog jong, al vindt hij van niet: zestig. Maar alles is betrekkelijk: Roland Jooris is tachtig, publiceerde een paar maanden geleden de bundel Bladgoud en staat nu met vijf gedichten in Het Liegend Konijn. Ook zeventigers en bijna-zeventigers zijn goed vertegenwoordigd.

***
Het Liegend Konijn 2016/2. Samenstelling Jozef Deleu (2016). Uitgeverij Polis, 232 blz. € 20,00

 

Dichters uit de bundel. De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten

De bloemlezing Dichters uit de bundel (1880 – nu) ziet er veelbelovend uit: hij is mooi uitgegeven en ligt lekker in de hand. De verwachtingen worden getemperd als je op het achterplat leest dat de regel ‘voor wie ik lief heb [dat moet zijn: ‘liefheb’ – HP] wil ik heten’ niet aan Neeltje Maria Min, maar aan Vasalis wordt toegeschreven. Zulke slordigheden komen meer voor: ‘Sonnet van de burgerdeugd’ in plaats van ‘Sonnet van burgerdeugd’ (Du Perron) bijvoorbeeld. Pijnlijk, zeker voor een bloemlezing, ook als het kleinigheden betreft als leestekens. Aan het eind van regel tien van hetzelfde gedicht staat een dubbele punt. In de gebruikte bron, de verzamelbundel Parlando, staat toch echt een puntkomma. Een pietluttige constatering misschien, maar voor de interpretatie van een gedicht kunnen leestekens heel belangrijk zijn.

De samenstellers, de dichter Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens, journalist en poëzierecensent van Het Parool, schreven een inleiding van bijna dertig pagina’s. In de kern komt het erop neer dat poëzie niet populair is bij het grote publiek en de bundel is op sterven na dood. Dat betekent ‘een eeuwig leven in de ramsj en uiteindelijk een tragische begrafenis in de oudpapierbak.’ [Cursivering van mij – HP]. Die verwijdering tussen de insiders en het grote publiek begon al bij de Tachtigers: denk aan de opvatting van Kloos dat poëzie een gave is ‘van weinigen voor weinigen’. Toch is de poëzie niet dood: ‘Poëzie leeft volop buiten de bundel: online op Facebook en weblogs, op straat, in bloemlezingen en bovenal op podia, zoals De Nacht van de Poëzie, Dichters in de Prinsentuin, of Kunst- en Poëziefestival Watou.’ Inderdaad: poëzie wordt met name beluisterd. Lezen is nog net zo impopulair als voorheen, hoewel half Nederland en Vlaanderen poëzie schrijft en niet alleen met Sinterklaas. Bloemlezingen worden misschien iets beter gelezen dan bundels, maar ook in goedgevulde boekenkasten vind je ze vrijwel niet en als je er toch een tegenkomt, gaat het in negen van de tien gevallen om de dikke Komrij. Het is daarom vreemd dat Breukers en Mertens niet voor CD’s hebben gekozen, net als Ramsey Nasr toen hij Dichter des Vaderlands was. Ze hadden dan ook kunnen kiezen voor podiumversies in plaats van voor lezers herschreven gedichten.

De samenstellers proberen dit probleem te omzeilen door voor ‘klassieke gedichten’ te kiezen ‘die de traditionele begrenzing van de (papieren) bundel negeren en op hun eigen wijze tot het nationale cultuurgoed zijn gaan behoren’.
De nadruk ligt op de poëzie van de laatste vijftig jaar; de poëzie van 1880 tot de jaren zestig lijkt er met de haren bijgesleept te zijn. Het moeten gedichten zijn ‘waarvan iedereen [?] een deel of een losse regel kent’. (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, ‘alles van waarde is weerloos’) en gedichten die niet één of twee keer, maar aan de lopende band worden ‘gebloemleesd’ – de vervoeging is van de samenstellers – zoals ‘Herinnering aan Holland’ en ‘Het huwelijk’. Een steekproef leert, dat dit voor lang niet alle gedichten geldt: zo staan de titelloze gedichten ‘Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen, … ’ van Lodewijk van Deyssel en “k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw, … ’ van Hélène Swarth, de kwatrijnen ‘Gedronken wijn’ en ‘Vloek’ van Jacob Israël de Haan en ‘Dieuwertje Diekema’ van Kees Stip niet in de gezaghebbende bloemlezingen van Komrij en Deleu, en ook niet in ‘Hier komt de poëzie!’ van Ramsey Nasr. In een oudere bloemlezing als – ik noem maar wat – O wereld, jij zingt, speelt en lacht. De bekendste gedichten van alle tijden (Kwadraat – Utrecht, 1994) vind je ze ook niet terug.

Dichters uit de bundel is onevenwichtig samengesteld, onvriendelijk gezegd: het is een bijeengeharkte hoop bladeren. Toch heeft de bundel enige waarde vanwege de periode van 2000 tot nu. Voor het kleine groepje poëzielezers welteverstaan. De meeste festivalbezoekers zullen de bloemlezing links laten liggen.

***
Dichters uit de bundel. Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens (2016). Uitgeverij Marmer, 656 blz. € 29,95

Recensie van samen apart - Sven Staelens

Een eigen stem

Sven Staelens
samen apart
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2015
ISBN 9789490401238
€ 15,-
62 blz.

Het is warm in de café De Nieuwe Vrede in Berchem waar de afgestudeerden aan de Antwerpse SchrijversAcademie op 26 juni uit hun eindwerk voorlezen. Sven Staelens lijkt een beetje nerveus wanneer hij het podium betreedt. Nochtans is hij als docent wiskunde gewend om voor een publiek te staan. Ditmaal is het echter anders: geen wiskundige bewijzen of axioma’s maar woorden die uit het hart komen. Van op een krukje in het café kijkt zijn echtgenote bewonderend toe: samen apart.

Gastheer van de avond en coördinator van de SchrijversAcademie, Xavier Roelens, nodigt na afloop van Staelens’ voordracht de aanwezigen uit om diens eersteling aan te schaffen. Inderdaad, afgestudeerd en onmiddellijk uitgegeven worden, het overkomt weinigen. Binnen deze traditie volgt Staelens in de voetsporen van andere oud-studenten van de SchrijversAcademie als Runa Svetlikova en Kris Van Steenbergen.

Staelens omschrijft zijn werk zelf als gesamplede poëzie. Hij gaat aan de slag met bestaande gedichten en schept opnieuw poëzie. Goedkope gimmick of doordachte taalcreatie? Staat u me toe om enkele gedichten onder de loep te houden.

Wens

Een lege plek. Een huis van rook.
Een wens. Een vrouw. En nog een wens.
Het zompige drogbeeld.

Zolang ik slapend in vuil ondergoed

de openbrekende
droom beheerste,
achtervolgde ik een grens.

Een vrouw.
En een wens.

Ondanks de – op het eerste zicht – gemakkelijke taal, is het gedicht niet bij de eerste lectuur toegankelijk. Is de lege plek waarnaar de dichter verwijst dezelfde waarin Kopland wil blijven? Bij Staelens is de lege plek een doembeeld, geen plek van rust. Daar zorgt een huis van rook wel voor. Een huis is normaal een fundament om te blijven, om een leven op te bouwen. De dichter herleidt deze standvastigheid tot een vluchtig gegeven. Let daarna ook op de dualiteit van ‘wens’ en ‘vrouw’. Is de vrouw zijn wens, of is er een fundamenteel gemis waardoor er naast de vrouw een wens blijft bestaan. Ik vermoed dat het gemis overheerst want nog in dezelfde versregel herhaalt hij de wens nogmaals. Dit is geen vrolijk gedicht. Zompig, drogbeeld, vuil ondergoed. Concrete en abstracte beelden walsen in een bedrukte rondedans. 
Maar omdat ik een beter zicht wilde krijgen op de gesamplede poëzie legde ik de vraag voor aan de dichter zelf.

Ui

Ik kan een raadsel niet misbruiken
en daarna als iemand die van verveling
eten kan je rok in mijn vuist zuigen.

Ik kan geen generaties rozen doden
noch een stem tekenen op mijn tong
die afpelt als een vuile vorm van toon.

Wat ik wel kan: van je drinken
tot mijn bloed klinkt als kalk.
In je mond bijten als in een ui.

Dit gedicht dankt zijn ontstaan aan ‘Inblazing’ van K. Michel en ‘Hemelbed (het mijne)’ van Peter Verhelst. Toeval of niet, maar deze gedichten bevinden zich naast elkaar in Jozef Deleu’s Groot Verzenboek. Staelens omschrijft zijn proces als volgt: ‘Ik liet mijn blik over de gedichten, over de woorden glijden, koos een beginwoord en zigzagde door de tekst op zoek naar andere elementen om mijn tekst te schrijven. Na enkele combinaties (schrappen of eventueel opnieuw beginnen inclusief), kreeg ik meestal een beeld van de mogelijkheden. Ik bleef schrijven tot het gedicht een min of meer definitieve vorm had gekregen.’ Staelens stuurde me als bijlage ook de originele gedichten mee en ik kreeg er een dubbel gevoel bij. Langs de ene kant is het gemakkelijk om vanuit bestaand werk te vertrekken en je daarop te laten inspireren, maar langs de andere kant is het veel meer. Ik herken nog wel tekstflarden en woorden maar Staelens heeft er een totaal eigen invulling aan gegeven. Daarom besloot ik het gedicht opnieuw te lezen, maar dan zonder deze achtergrondkennis.

Qua vorm speelt de dichter in de eerste twee strofes met een negatie om dan in de laatste strofe al zijn demonen te ontketenen. In de eerste strofe ontregelt de laatste versregel. Ik vroeg me meermaals af of een komma geen oplossing zou geboden hebben, maar ik moet het antwoord schuldig blijven. Waar ik het wel moeilijk mee heb is de combinatie verveling eten kan. Dit is niet correct. In de context van het gedicht zou ik kan verwachten bij zuigen en niet bij eten. Uit verveling ga je obsessief eten, kunnen heeft hier dan geen enkele waarde. In de tweede strofe overheersen twee totaal andere beelden die ook hier weer voor verwarring zorgen. Wie heeft er al ooit een roos gedood? En dan vooral een generatie rozen. Met deze personificatie slaagt Staelens er perfect in om mij te laten stilstaan bij dit beeld. Ook de getekende stem op zijn tong is een meer dan geslaagd beeld, waarbij hij een ontastbaar gegeven (stem) omtovert in een concrete vorm (tekenen). In de derde versregel is naar mijn mening net iets teveel moeite gedaan om begin- en middenrijm toe te voegen, waardoor klank wint van inhoud.  De derde strofe is voor mij te abstract. Bloed dat klinkt als kalk en in een mond bijten als in een ui? Ik kan me er weinig bij voorstellen, maar het klinkt in ieder geval mooi.

Voor de meeste gedichten in deze bundel gelden bovenstaande opmerkingen. Staelens tovert prachtige zinnen uit zijn pen (‘je vlees verdween in mijn heden’, ‘op de wenteltrap van werkelijkheid’), maar soms gaan de woorden met hem aan de haal. Ligt het aan de samplemethode waardoor hij zichzelf in een keurslijf moet wringen, of wil hij nog teveel zeggen in te weinig woorden? Momenteel krijgt deze debutant het voordeel van de twijfel, maar ik hoop dat hij snel zijn eigen stem vindt, want die zal mooier klinken dan de samples van anderen.

***
Sven Staelens (1979) schrijft proza en poëzie. In 2015 rondde hij de SchrijversAcademie Antwerpen af. Samen apart is zijn debuutbundel, hier te bestellen.