Recensie van De kamer van Plato - Fred Tak

Onmogelijke ontsnappingen

Fred Tak
De kamer van Plato
Uitgever: Kontrast
2014
ISBN 9789490834692
€ 12,50
72 blz.

In zijn Politeia beschrijft Plato een grot waarin gevangenen, die daar al hun leven lang zitten, dusdanig zijn vastgeketend, dat zij alleen maar de schaduwen kunnen zien die door een vuur achter hen op de wand voor hen worden geprojecteerd, en die zij voor de werkelijkheid houden.
Fred Tak schrijft  in zijn De kamer van Plato onder de gelijknamige titel dit:

Het is er al, op wankele poten
voedt het zich met wat gebrom
en opspattende ideeën.

Om later, op stelten, zich vast te haken
soepel opeen gerold,
aan een krul van het plafond.

Het is wachten
op het schuiven van de stoelen,
een blik, een gebaar,
een langzaam breken van het dunne vlies.

Op het holderdebolder,
waarmee het gesprek zich naar beneden stort.

In dit gedicht is er geen sprake van gevangenen, maar van gasten die blijkbaar samen aan tafel zitten (gebrom, schuivende stoelen, boven hen een krul aan het plafond) die wachten op de verlossende woorden waarmee zij met elkaar een gesprek kunnen aangaan. Het gesprek als een entiteit die zich over de aanwezigen uitstort. ‘Het is er al’, schreef Tak.

Onder kunstenaars is het een vrij algemeen gevoel dat wat zij creëren in een soort immateriële vorm eigenlijk al bestaat voordat het via de kunstenaar zijn materiële vorm kan aannemen, en dat het werk van de kunstenaar daaruit bestaat de oorspronkelijke vorm zo dicht mogelijk te benaderen.

Tak zegt in dit gedicht dat het gesprek er al is, én dat het gevormd wordt door de deelnemers. Het voedt zich in de eerste strofe met gebrom en opspattende ideeën, om in de tweede strofe, ‘later, op stelten, zich vast te haken,/ soepel opeen gerold,/ aan een krul van het plafond’, om zich van daaruit, nadat het dunne vlies van het embryonale stadium gebroken is, over de gesprekspartners uit te storten. Waarom het ‘opeen gerold’ is, in plaats van ‘ineen gerold’ snap ik niet.
Het idee van gevangenschap is in de gedichten van Tak nooit ver weg.
In ‘Sporen’ schrijft hij:

Op papier kan ik alles,
bijvoorbeeld in deze strofe
vermaal ik een kat tot as.

Een ramp, welnee,
slechts een snee
in de huid van wat mogelijk is.

Zo geronnen, zo gesponnen.

Er rijdt een koets door het huis
door zes muizen voortgetrokken.

Kom, laten we uitstappen
in de volle ruimte van een klank,
daar palen omheen slaan, dat er iets galmt
waar niemand bij kan.

Dat we aardbeien gaan zoeken
in de sneeuw,
kind zijn, blind zijn,
de handen gekeerd, gedachten gewist,
vrij als schoonheid
in een verder uitzichtloze wereld,
vrij als een roos geplant
in de hersenpan van een willekeurige zelfmoordterrorist.

Er is een woord
waarin wij kunnen wonen.

Die slotregels herinneren aan het gedicht ‘De thuisloze’ van Slauerhoff:
‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’. Alleen is onze wereld volgens Tak zozeer ingeperkt dat wij het met een woord moeten doen. Er klinkt niet alleen verzet door in dit gedicht, ook angst. Dat het terrorisme hem zorgen baart blijkt ook uit

De waarheid is een gek

Aan zijn ene hand bungelt een hoofd,
gewoon, bij de haren geplukt;
in zijn andere hand wappert een puntige stok.
Kom, zegt hij, laten we
de wereld in de buik gaan prikken.

Laten wij dit hoofd vooreerst wat zakken,
de schacht in, om te peilen
hoever de diepte tot de lippen stijgt.

Zolang het ademhaalt
brengen we verslag uit.

Later zal allicht
de zwavel ons ontsteken.

Niet alleen is de irrationaliteit aan de macht, zij is in de manier waarop wij onze wereld waarnemen alomtegenwoordig. Sinds wanneer wappert een stok, ademt een afgehakt hoofd? De dichter maakt gebruik van de irrationaliteit in een poging om eraan te ontsnappen:

Van die verschijnselen

Het regent al een week
behoorlijk wat onzin naar beneden.

Zo af en toe,
als het raam wijd open staat,
glippen de meest rare fratsen
zomaar de kamer binnen.

De zee hangt hoog in de bomen
te drogen,
gedachten lijken lukraak
met punaises aan ‘t plafond geprikt,
uit de verte klinkt geroep
van kwezel ezel ezel.

De verveelde vrouw
kijkt naar de grijpgrage klauwen
van de duisternis.

Er is licht
en lust,
er is een gedicht
dat schreeuwt om een geruststellend einde.

Ook dat helpt niet.

Je krijgt de indruk dat Tak in een wanhopige speurtocht naar een betrouwbare, veilige werkelijkheid alleen maar stuit op wat dat niet is. De wensput waar kinderen Kwezel in schreeuwen geeft slechts Ezel terug. Natuurlijk zijn er ook het licht en de lust die ons voor even kunnen troosten; je kunt jezelf even verdoven met de werkelijkheid van een gedicht: maar ook dat helpt niet. Je kunt niet ontsnappen aan een leven waarin je feitelijk onmachtig bent. Ook niet in je fantasieën. Ze geven niet alleen meer van je innerlijk bloot dan je wellicht lief is, maar ze zijn ook nogal repetitief waar het de essentialia betreft:

Ik zag een man op wieltjes,
hij leek op mij,
met een knip van zijn vingers
steeds weer een nieuwe bocht omslaan.
(..)
uit: ‘Een verhaal’

Er gebeurt wel eens iets,
een ding,
een onterechte zaak,
een opmerking die vergeet
op het juiste moment de bocht te nemen.
(..)
uit: ‘Confrontatie’

(..)
Een vrouw slaat de hoek om,
kust mij vol op de lippen,
het is februari en ik geef licht,
het is een wonder.
(uit: ‘Het is februari en ik geef licht’)

Wanneer je achtervolgd denkt te worden, ligt de veiligheid om de hoek, in ieder geval even. Het is niet het enige symptoom waarmee de dichter zijn hartstochtelijke verlangen naar een veilige, warme, troostende wereld blootgeeft. In veel gedichten vliegt hij als Superman, en compenseert zo zijn onmachtsgevoelens, maar wanneer je de sleutel tot zijn werk eenmaal in handen hebt, dan leest het als een ontroerende getuigenis van onze menselijke existentie. We zijn allemaal gevangen in de illusie van onze werkelijkheid. Niemand uitgezonderd, behalve wellicht enkele verlichte zielen die zich ervan bewust zijn geworden dat onze werkelijkheid niet meer dan een projectie is.

***
Fred Tak (Nieuwe Niedorp, 1955) studeerde natuur- en sterrenkunde aan de UvA. Hij schreef onder andere wetenschapsfilosofische artikelen, een boek over de geestelijke achtergrond van de christelijke jaarfeesten, een kinderboek en verhalen. Daarnaast publiceerde hij Ik ben voorbij, een episch gedicht over de zoektocht naar authenticiteit in een verscheurde wereld (Kirjaboek, 2012) en Esoterisch waarnemen, een boek met artikelen over het belang van de persoonlijke beleving (Kirjaboek, 2013).