Recensie van Wonderbaarlijk buigt zich over water - Toon Tellegen

Zij wil mij misleiden, verlammen en verslinden

Toon Tellegen
Wonderbaarlijk buigt zich over water
Uitgever: Querido
2016
ISBN 9789021403564
€ 16,99
52 blz.

Er zijn dit voorjaar veel conceptuele bundels verschenen. Een man begraaft een boom van Shari van Goethem, Club Brancuzzi van Maarten Buser en natuurlijk De rotonde van Mark Boog. Ook de hier besproken bundel van Toon Tellegen is meer dan een bundeling van nieuwe gedichten. De titel is raadselachtig: Wonderbaarlijk buigt zich over water. Een ongrammaticale, onlogische zin. Er lijkt iets wonderbaarlijks te gebeuren, maar wie buigt zich nu eigenlijk over water?

Wonderbaarlijk buigt zich over water,
zij kent mij niet

het is zomer, de zon schijnt, hommels gonzen, krekels tsjirpen
en de wind gaat liggen, uitgelaten, maar voorzichtig,
allemaal voor haar

zij ziet zichzelf
en denkt dat ik dat ben, ik, ik

zij raakt met haar lippen het water aan

zij wil geen ander zijn,
zij houdt van mij.

De eerste twee regels maken direct duidelijk dat we ‘Wonderbaarlijk’ niet als een bijwoord moeten opvatten, maar als de -vrouwelijke- hoofdpersoon van deze bundel. Elk gedicht uit de bundel begint met het woord ‘Wonderbaarlijk’, en vrijwel elk gedicht besluit met de constatering ‘zij houdt van mij.’ Daarbij maken zowel ‘Wonderbaarlijk’ als de ik-persoon een ontwikkeling door, zonder dat sprake is van een concrete verhaallijn.
De eerste en derde strofe van het openingsgedicht roepen het Narcissus-motief op, de mythologische held die verliefd werd toen hij zijn eigen spiegelbeeld in het water zag. Verrassend is echter, dat ‘zij’ in het water weliswaar zichzelf ziet, maar denkt dat dit iemand anders is: ‘ik, ik’. Zij buigt zich voorover om haar spiegelbeeld te kussen. En hoewel zij misschien denkt iemand anders te kussen, is deze kus de zelf-verliefde Narcissus ten voeten uit.
Wie is deze ‘Wonderbaarlijk’? Het lijkt wel of zij in elke gedicht een andere gestalte aanneemt. Het tweede gedicht opent met: ‘Wonderbaarlijk wil mij verwarren’. De volgende gedichten belichten telkens een ander aspect: ‘Wonderbaarlijk schrijft wetten voor’, ‘Wonderbaarlijk is een besef’ en zelfs ‘Wonderbaarlijk is de zin van mijn bestaan’. Het vijfde gedicht geeft aan, dat ‘Wonderbaarlijk’ misschien ook wel een deel van de ik-persoon belichaamt:

Wonderbaarlijk wacht in een uithoek van mijn ziel
op mij –
ik kom daar nooit

zij wil mij misleiden, verlammen en verslinden,
ik een vlieg en zij een spin,
zij wil haar handen kunnen wassen in zelfbeklag en tegengif

zij is een gewaarwording, een aankondiging, een onbestemd gevaar,
nu weet ik het!
mijn leven staat op het spel, mijn ziel schreeuwt moord en brand,
ik word een grensgeval, een rookgordijn

zij wacht op mij: zij houdt van mij.

Het is verleidelijk om ‘Wonderbaarlijk’ te definiëren, bijvoorbeeld als de muze van de dichter, als zijn beschermengel of als zijn ziel. In de loop van de 45 gedichten neemt ‘Wonderbaarlijk’ echter wisselende gestalten aan, deels samenhangend met het ouder worden van de ik-persoon. Ook verzetten de gedichten zelf zich tegen een al te sluitende definiëring: ‘zij is onzichtbaar, als iemand naar haar kijkt’, ‘zij laat zich niet doorgronden’, ‘Wonderbaarlijk is dichtbij en heel ver weg, /(…)/ zij is jong en schrikbarend oud / (…) is er iets niet tegenstrijdig aan haar? / ja, zegt zij, dat zij houdt van mij.’

In verschillende gedichten komen religieuze aspecten naar voren: ‘zij heeft engelen gehuurd die op misthoorns blazen’, ‘zij wil God zijn / en dat niemand in haar gelooft’ en het schrijnende: ‘Wonderbaarlijk, / waarom heb je mij verlaten…’
Dat betekent echter nog niet dat we ‘Wonderbaarlijk’ als een goddelijk aspect moeten opvatten. Misschien is ‘Wonderbaarlijk’ wel het houvast dat de ik-persoon in het leven probeert te vinden. Misschien zijn de gedichten op te vatten als een zoektocht naar de kern van het leven, naar de essentie van het mens-zijn. Daarbij vindt de ik-persoon soms houvast in het geloof, en soms ook juist in andere mensen, met name in de liefde. In de gedichten in het middengedeelte van de bundel lijkt zelfs sprake van regelrechte relatieproblemen. Tellegen slaat hier een volstrekt andere toon aan, waarbij schitterende verwijten over en weer vliegen: ‘zij zegt dat zij het niet zo bedoelt, / zij wordt verkeerd begrepen, / zij wordt altijd verkeerd begrepen! // ‘maar wat bedoel je dan niet zo?’, vraag ik’. Een breuk lijkt onvermijdelijk: ‘zij kijkt een andere kant op als ze mij tegenkomt / (…) / zij volgt cursussen in wrevel en eigenbelang’. ‘Wonderbaarlijk noemt mij onverklaarbaar, onbenaderbaar, / onveranderbaar en onmogelijk, / ik noem haar: zij die houdt van mij.’ Dit laatste is het volledige gedicht op bladzijde 34! Mooi is de omkering: alle kwalificaties die eerst op ‘Wonderbaarlijk’ van toepassing waren, worden nu door haar aan de ik-persoon toegeschreven.
Tenslotte gaat ook deze storm liggen.

Wonderbaarlijk,
ik ben oud, ik heb niets meer te vertellen

het is nacht
en ik buig mij over doodstil water,
staar in het zwarte gat van de hulpbehoevendheid

achter mij raast het, kraakt het,
ik hoef niet om te kijken, ik weet wat daar gaande is

ik vraag je: vergeet mij
                houd maar op jouw manier van mij.

Dit is één van de laatste gedichten uit de bundel. De toon is berustend, melancholiek. De mysterieuze vrouwelijke figuur, die de hele bundel als ‘Wonderbaarlijk’ wordt aangesproken, lijkt verdwenen. Het gedicht begint nog wel met het woord ‘Wonderbaarlijk’, maar dat kan hier evenzeer de functie van een bijwoord hebben. Ook in de laatste regel ontbreekt de ‘zij’ die in alle gedichten van de ‘mij’ houdt. Het gedicht vertoont parallellie met het openingsgedicht. Waar het daar zomer was, is het hier nacht. Niet ‘Wonderbaarlijk’, maar ‘ik’ buigt zich over water. Maar de ‘ik’ ziet geen weerspiegeling meer, maar slechts een zwart gat, het perspectief van toekomstige aftakeling.
In de laatste drie gedichten uit de bundel komt ‘Wonderbaarlijk’ nog wel terug, mogelijk slechts als droombeeld of herinnering. Ook in het afscheid nemen van het leven ontleent de ‘ik’ steun aan haar.

Toen ik na het lezen van deze bundel weer verder ging in een roman leek het alsof ook in dit boek alles meer tot leven was gekomen. Wonderbaarlijk buigt zich over water is een verwarrende, besmettelijke, inspirerende bundel. Het is een verslavende nachtkijker, waardoor het bos waarin we lopen nooit meer hetzelfde is. En ook de dingen in de kamer, de planten in de tuin, het was alsof ik ze anders, misschien wel voor het eerst werkelijk zag. De schrijver geeft ruiterlijk toe dat hij ‘Wonderbaarlijk’ verzonnen heeft. Tegelijkertijd heeft hij daarmee een nieuwe dimensie aan de werkelijkheid toegevoegd.

 ***

Toon Tellegen (1941) is een Nederlandse schrijver, arts en dichter die vooral bekend is om zijn kinderboeken. Zijn dierenverhalen rond de eekhoorn en de mier zijn erg geliefd en worden ook door volwassenen graag gelezen vanwege de amusante, bizarre situaties en filosofische diepgang. Als dichter debuteerde hij in 1980 met De zin van een liguster. Zijn bundel De werkelijkheid (2014) werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs 2016.

Recensie van De werkelijkheid - Toon Tellegen

De onmogelijke mogelijkheid

Toon Tellegen
De werkelijkheid
Uitgever: Querido
2014
ISBN 9789021456997
€ 17,99
64 blz.

 
De nieuwe bundel van Toon Tellegen De werkelijkheid kenmerkt zich door filosofische en theologische grondtonen. Ze verlenen zijn gedichten een bezwerende inhoud. De gehele bundel bieden ze structuur. Tellegen opent voor ons zijn visie op wat de strijd tussen het licht en de duisternis is te noemen na de verdrijving uit het denkbeeldige paradijs. Daaruit vloeit alle onenigheid tussen de mensen, de mens en zijn (af)goden en de mens met zichzelf voort. Hij verlangt ernaar zelf deze tuin te zijn die een fysisch en psychisch evenwicht vertegenwoordigt. Boven alles uit weet hij in zijn voorstelling van zaken een lichte toets aan te slaan. Nergens verliest hij zich in het redeneren. Hij weet in glasheldere woorden en beelden zijn kijk op de werkelijkheid aan ons voor te leggen. Daarbij kiest hij voor het onverwachte gezichtspunt en de omkering van zaken. Dikwijls weet de ik gepaste afstand te bewaren tot wat hij beschouwt, becommentarieert en overweegt. Op vele momenten depersonaliseert hij zijn lyrisch subject. Met zijn beheersing van de stijlfiguur van de paradox verscherpt hij zijn blik op deze werkelijkheid.

In het woord ‘werkelijkheid’ schuilt voor hem het woord ‘werken’. Voortdurend laat Tellegen de ik zich de vraag stellen hoe het in het leven ervoor staat. Al snel wordt duidelijk dat hij daarin boven alles oprecht wenst te zijn, in de wetenschap dat hij onderwijl met zijn wil niets kan uitrichten in dit leven. Waarom gaan de dingen zoals ze gaan? Wie geeft mij de opdracht te doen tot wat ik moet doen? Wie of wat ‘werkt’ er nu eigenlijk? Telkens ervaart de ik dat hij niet kan beantwoorden aan waartoe hij zich geroepen weet. Dat bezorgt hem een blijvend gevoel van beklemming dat als rode draad door deze bundel loopt:
 

In het beginne was er licht
en God werd verblind,
schiep mensen om het te doven,
riep:
“uit! Uit!

 
Hij weet zich gevangen in de paradox die leven heet:
 

Ik wilde van het onmogelijke het mogelijke maken
 
ik hield van het onmogelijke, hield van niets zoveel,
en toch wilde ik er het mogelijke van maken
met strakke begrenzingen, rechte hoeken, heldere kleurschakeringen
en zekerheid, de zekerheid van kunnen en zullen
 
maar toe ik jaren later van het mogelijke het onmogelijke wilde maken
riep iemand dat ik op moest schieten en naar binnen moest komen,
wat stond ik daar,
er was nog zoveel te doen.

 
De realiteit haalt telkens weer zijn wens en verwachting in.

In veel gedichten laat hij blijken dat hij eigenlijk niet goed begrijpt waarom hij er is, wie hij is en wat hem te doen staat. Hij beseft steeds meer dat hij met een opdracht afkomstig van een voor hem onbekende god op deze aarde is gezet. Beginwoorden uit Genesis, een schuldbekentenis die doet herinneren aan de kruisdood van Jezus Christus en de bekende beginwoorden van Dante uit zijn Goddelijke Komedie markeren voor de ik de situatie van de mens in zijn werkelijkheid.
 

Ik zag het midden van het leven,
het duurde lang, langer dan ik dacht,
het was september,
maar eigenlijk al oktober, november,
het koren stond scheel van rijpheid
tussen het onkruid in mijn achtertuin,
poezen sliepen in de schemering
en alle eksters waren schor, alle muggen uitgegonsd

 
 
Wat hij eigenlijk zou willen, is dat de werkelijkheid ‘een ding’ was, maar ook dat de waarheid ‘een vergissing’ was, eigenlijk dat er iets anders was dan er nu is, ‘het begin van iets anders’. Tellegen vindt eigenlijk dat we op een andere manier in die schepping zouden moeten zijn terechtgekomen dan nu het geval is geweest. Wat hij wil laten zien, is dat hij als schepper die ‘verdraaide’ schepping naar zijn eigen hand zou willen zetten. Was hij nu maar degene geweest die de eerste woorden had mogen uitspreken! Het geloof dat we nu geloof noemen, wekt alleen maar jeuk op en maakt ongelovig. Tegelijkertijd zou hij willen ervaren dat het leven niet anders kan dan door erin te geloven. Hij onderkent zijn kwetsbaarheid:
 

ik ben van glas, denk ik, ik mag niet vallen
 
kijk, zeggen mensen die mij zien gaan,
die man daar, die opgewekte man, die is nog altijd nét,
nét niet wanhopig.

 
In zijn zelfgedachte paradijs speelt voor Tellegen naast de waarheid en de gerechtigheid, de liefde tussen man en vrouw een hoofdrol. Net als in de wereld speelt in de liefde tussen mensen met al haar misvatting, inbeelding en vertekening het verkrijgen van zekerheid tot ‘oneindig ver achter de komma’ een voorname rol. Op het moment dat die zekerheid er is, ‘lagen er twee wegen voor hem open.//’: ervan uitgaan dat die liefde zeker is of niet. ‘Er zijn mensen die niet weten waarom zij van elkaar houden,/’. Het blijft een kwestie van gissen, van ergens geloof aan toekennen. Luchtkastelen op los zand bouwen. Ze bouwen daarom scheve huizen ‘waarin alleen mensen kunnen wonen die pijn hebben, zich machteloos voelen/ en van elkaar houden// mensen die van elkaar houden.//’.

Al deze overwegingen tonen ons Tellegen als een scherpzinnig en (zelf)kritisch waarnemer. Af en toe stelt de ik zichzelf als buitenstaander de vraag of hij zelf nog wel van iemand houdt. Hoe dan ook beschouwt hij de liefde tussen mensen als een ‘kostbare lading’ die zo maar ineens ‘in de golven van de tijd’ kan verdwijnen: ‘waren er aanwijsbare redenen daartoe?/ er waren geen aanwijsbare redenen daartoe//’. Een en al ongewisheid. Je kunt het in de regel niet aan de mensen afzien of ze gelukkig en/of ongelukkig zijn. Het is vaak een gedachte die je niet uit je hoofd krijgt: ‘ik ken iemand die zeker weet dat hij gelukkig is, maar het niet is /iemand die zegt dat de dag komt waarop hij gelukkig zal zijn//’. Alles is niet wat het lijkt. Zulke gedachten aan geluk kunnen een mens opjagen. De God van de Bijbelse schepping spookt voortdurend tussen de regels door. De ik als de schepper van het verhaal van Kaïn en Abel die zich tot in het oneindige herhaalt, ziet zichzelf opgescheept met een verhalenerfenis waar hij zich niet bij thuis voelt.

Tellegen zet zijn gedichten in de context van het oude en nieuwe testament door deze mythische verhalen te actualiseren en ze naar zijn hand te zetten.Hij verwijst naar mensen met een houdbaarheidsdatum die zo nodig ‘hun nut [willen] bewijzen, hun onweerstaanbaarheid,/ hun superbe gevoel voor de finesses van de beminnelijkheid//’. Hij speelt ook met de opwekkingsverhalen uit het nieuwe testament. Spoorloos als mensen verdwenen zijn, kunnen ze zo weer tevoorschijn komen. Er is daarom gerede twijfel bij de ik over de waarheid van deze terugkomsten: ‘buiten, onder hun ramen, zongen kinderen een lied:/ “Stuurt ons, o stuurt ons toch/ met een kluitje in Uw riet..”//’. De ik blijft een vat vol tegenstrijdigheden:
 

Ik ken een man die zich tot het uiterste inspant
om ongelukkig te worden –
pas als hij echt ongelukkig is, meent hij, kan hij gelukkig worden,
en dat wil hij – net als iedereen! – het is zijn enige wens
 
verbazingwekkende man

 
Vernederen is zijn vak. We zijn mensen ‘die op het verkeerde paard wedden/’.
Er zijn ook lichtpunten te melden. Zoals daar is die vriend van mij: ‘“wat ik van je ben”//’ was zijn vraag. Na een uiteenlopende opsomming van kwaliteiten en tot aan ‘de grenzen van de onuitstaanbaarheid’ gegaan te zijn ziet deze vriend zichzelf geroepen voor de ik als een ‘douanier’ op te treden. Vriendschap is misschien nog wel hoger te stellen dan de liefde. De empathie, de vereenzelviging gaat heel ver ten aanzien van een vriend die doodging:
 

en met een uiterste inspanning van mijn tot dan toe onbruikbaar gebleken inlevingsvermogen
 
verwisselde ik van plaats met hem
 
het verschil was kleiner dan ik dacht

 
In plaats dat de ik hem zag doodgaan, zag de ander de ik doodgaan.
Na de liefde, de vriendschap nadert de dood het levensterritorium van de ik:
 

Het eigenaardige van de dood is:
hij is heel dichtbij,
het lijkt alsof ik hem kan aanraken, naar mij toe kan trekken,
alsof hij nog nooit zo dichtbij was als nu

 
Gedachten over na de dood spelen in de ik op. Al deze gedachtespinsels leiden naar het gedicht over het dichten: ‘ik ben een dichter, hij is geen dichter,/ hij is een echte dichter//’. Een echte dichter slaat gaten in het gedicht dat hem wordt aangeboden: ‘“u hebt een echt gedicht geschreven,” zeiden ze, “u hebt schoonheid/ blootgelegd, nu spreekt het voor zichzelf”//’. En hij kon er het zwijgen toe doen. Ook al de werking van de poëzie valt te twijfelen.

In deze wereld waarin we vuile handen maken, wenst Pontius Pilatus overgeplaatst te worden. Hij wenst geen woorden meer vuil te maken aan die Jezus. De ik voelt zich in die rol geplaatst. Hij zou wensen dat hij een ander was, een onbekende die ‘zijn tijd door zijn vingers liet glippen.//’. Zachtmoedige mensen moeten oppassen in deze wereld. Ondanks alle weerzin tegen wat hij waarneemt en ontmoet in dit leven blijft de ik staan aan deze kant van het leven: ‘het ontbrak mij aan de juiste weerzin tegen het hier en nu.//’. Hij ziet de vrijheid van Spinoza walmen in de tijd. Franciscus van Assisi met zijn hysterische hang naar armoede, nederigheid en gehoorzaamheid wordt onverrichter zake opgenomen door de dood. Zijn schuldbekentenis die de hele wereld betreft, vertaalt zich als de eigen schuld van het ik.

In het midden van het leven wordt hij kleiner dan een stofje en waait weg op de stroom van de tijd. Het is hem niet gelukt de paradijselijke tuin te worden waarin hij zich kon onttrekken aan de aandacht van de wereld. Tellegen zoekt in zijn poëzie een weg door deze wereld vol tegenstrijdigheden naar een utopie die aan zijn scheppingskracht blijft ontsnappen. De werkelijkheid blijkt alleen maar aan zichzelf te werken, en legt daarbij een grote onverschilligheid voor ons mensen aan de dag. Ons rest enkel de onmogelijke mogelijkheid om te proberen de werkelijkheid naar onze hand te zetten.

***

Toon Tellegen (Brielle, 1941) is dichter, kinderboekenschrijver en schrijver van proza en toneel voor volwassenen. In 1980 verscheen zijn eerste boek, De zin van een liguster, een dichtbundel voor volwassenen; inmiddels zijn meer dan twintig bundels verschenen, waarvan de laatste De optocht was (2012).
Zijn eerste bundel dierenverhalen, Er ging geen dag voorbij, werd gepubliceerd in 1984. De roman De genezing van de krekel werd in 2000 bekroond met De Gouden Uil. Voor zijn gehele oeuvre ontving Tellegen de Hendrik de Vriesprijs 2006 en de Constantijn Huygensprijs 2007.

Recensie van De optocht - Toon Tellegen

Die lieve, lieve dood

Toon Tellegen
De optocht
Uitgever: Querido
2012
ISBN 9789021445960
€ 18,95
78 blz.

Een geliefd genre in de late middeleeuwen was dat van de danse macabre, de dodendans, waarin de dood wordt voorgesteld als voordanser in een reidans waarmee de levenden worden weggevoerd naar het graf. Het bekendste voorbeeld uit de Nederlandse literatuur is de allegorie Van der Mollenfeeste van Anthonis de Roovere († 1482). De Roovere somt daarin in hiërarchische opeenvolging alle vertegenwoordigers van geestelijkheid, adel en burgerij op, benadrukt daarbij dat het om alle leeftijden gaat en maakt aan het eind duidelijk, dat zelfs de lieftallige meisjes niet door de dood gespaard zullen worden:

Hoort, ghy goede lieden al ghemeyne,
Edele, onedele aerme ende rijcke,
Ghy zijt ontboden, groot ende cleyne,
Te trecken in een ander wijcke.

[…]
Hoe jonc, hoe schoone, hoe vroom, hoe wijs,
Als d’ Opperste ghebiedt, soe moet ghy gaen
Trecken in ’t landt van Mollengijs.

Het gedicht zegt iets over de tijd waarin het ontstond, de ‘herfsttij der middeleeuwen’, waarvoor volgens Johan Huizinga gold: ‘Het is een boze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere aarde. En spoedig wacht de mensheid het eind van alle dingen. Maar de mensheid bekeert zich niet; de Kerk strijdt, predikers en dichters klagen en vermanen vergeefs.’
De oorspronkelijke functie van de dodendans was te waarschuwen voor het vergankelijke of te herinneren aan het fragiele van het menselijke leven en dat moet geplaatst worden in de maatschappelijke context van de vijftiende eeuw: de Zwarte Dood, de Honderdjarige Oorlog, ondervoeding .

Ook Tellegens De optocht handelt over de dood, die in vrijwel iedere regel wordt aangekondigd. Maar van een onderliggende gedachte waarmee de huidige tijdgeest wordt gekarakteriseerd en een apocalyptisch perspectief geschetst wordt, is geen sprake. Tellegen toont zich noch onheilsprofeet, noch boeteprediker, zaken als schuld, boete en vergelding spelen geen rol, ook al deugt van alle mensentypes die hij beschrijft ruwweg zo’n negentig procent niet. Als die Pats! worden weggevaagd, hoef je er geen traan om te laten. Maar tegelijkertijd is de cynische waarheid dat het degenen die wél deugen in geen enkel opzicht anders vergaat. Iedereen heeft een beperkte tijd, uiteindelijk valt ieder onderscheid weg, de dood is voor allen gelijk.

De optocht bestaat uit een lange serie prozagedichten, het zijn er 71, die vrijwel alle op dezelfde wijze beginnen. ‘Kijk, daar komen mensen aan’, opent de eerste tekst, en eerste regels op volgende bladzijden luiden ‘Daar zijn zij die nergens meer voor in aanmerking komen’, ‘Daar komen de onwelvoeglijken, de inhaligen, de heerszuchtigen’, ‘Daar komen de opdringerigen, de hardleersen, de doortrapten’, ‘Daar loopt een man die rücksichtloos in God gelooft’.

Kijk, daar komen mensen aan.
Ze denken dat er geen muren zijn, geen valkuilen, geen dodelijke
omhelzingen op het midden van onze weg.
Pats!
En daar komen auto’s, fietsers, spreeuwen, muggen.
Pats!
Daar komen vrouwen, gedreven door lichtzinnigheid en
plotselinge opwellingen, hun lippen rood van begeerte, hoor ze
roepen hoe onweerstaanbaar zij zijn: ‘Wij zijn hier! Wij zijn nu!
Wij zijn alles!’
Pats!
Daar komen mannen, met hun pijnlijke tekortkomingen en
luchtkastelen, hun schrikbeelden en stemmingmakerij, hun
zenuwtrekkingen en zelfbedrog, hun tomeloze aanvechtingen en
opzettelijke misrekeningen, ze rapen al hun moed bij elkaar om
raadselachtig om zich heen te kijken.
Pats!
En daar komen kinderen, ze zijn zo doorzichtig en zo
ingewikkeld… hoor ze zingen dat ze groot zullen worden en
grimmig en hun verstandelijke vermogens in dienst zullen stellen
van rijkdom en genot.
Pats!

Op dit moment weet de lezer het nog niet, maar ‘mensen’ blijkt ‘alle mensen’ te zijn, alle vrouwen, mannen en kinderen, de hele mensheid, en de spreeuwen en muggen wijzen erop dat het in feite zal gaan om alles wat leeft. Alles wat leeft zal op enig moment getroffen worden door de dood, die naar believen neemt en meest onverwachts – Pats! – toeslaat. Geen discussie, geen onderhandeling, geen uitstel, en vaak als je er het minst op verdacht bent. Elckerlyc verzuchtte het al: ‘Och, doot, hoe sijdi mi so by,/ Als icker alder minst op moede!’ De optocht is één groot memento mori en doet daarin qua grondstelling denken aan de bekende moraliteit.

Tellegen geeft geen slachtoffer ook maar de geringste kans op een reactie. Er is geen stervensproces met daarin te onderscheiden fasen als ontkenning en woede, of zoals in de Eckerlyc, een poging afstel of uitstel te verkrijgen of dan toch tenminste te proberen iets van de aardse bezittingen mee te nemen. Aan zoiets als werken aan het zielenheil komt bij hem zéker niemand toe, er is stomweg geen tijd voor. Iedere keer weer, minstens 220 keer, is het Pats!, en dus in één keer afgelopen. Want onderschat hem niet, ‘de dood met zijn hitsige gebaartjes, zijn sluike/ haartjes, zijn spitse oortjes, zijn sluwe oogjes, zijn grijpgrage/ klauwtjes, zijn pruilende mondje, zijn voldongen tongetje, zijn/ warrige taaltje, zijn kwaadschikse willetje, die lieve, lieve dood,/ die aanvalt en zich terugtrekt en hergroepeert en weer aanvalt…’

Het precieze aanwijzen van al wie sterfelijk is, is in feite een inventarisatie van al wat leeft. Met recht zou je daarom kunnen zeggen dat De optocht vooral een bundel over het leven is. Totaal, in alle aspecten. Er trekt een eindeloze stoet voorbij, ingedeeld naar mensentype, karakter, levenswijze, achtergrond, etc., een wonderbaarlijk gedifferentieerde stroom menscategorieën: de armlastigen, de bemoeizieken, de bewierookten, de welbespraakten, de inhaligen, de heerszuchtigen, de doortrapten, de onbuigzamen, de gezapigen, de bedeesden, de onzelfzuchtigen, de moederskindjes, de zelfgenoegzamen, de mannen in imitatieleren jassen, de geloofsgetrouwen, de gemakzuchtigen, de gekwelden en gekwetsten, de doodzieke CEO’s, de dwarsliggers en hyperbole onruststokers… en ‘zij die geloven dat zij anders zijn, anders dan/ anderen, anders dan iedereen – maar niemand is anders: hetzelfde/ bloed gutst uit dezelfde wonden’.
Honderden zijn het er, en terwijl je je verbaast over het fascinerende tableau dat Tellegen schildert, schieten je voortdurend nog weer andere mogelijkheden te binnen. Een blik binnen de familie, het werk, de buurt volstaat…

Daar komen zij die zelfbewust en luid zingend op weg zijn naar
hun eerste wandaad, hun eerste leugen, hun eerste uitvlucht, hun
eerste hatelijke terzijde, hun eerste wrok, hun eerste
wraakoefening, hun eerste plichtsverzuim, hun eerste
krokodillentranen, hun eerste valse beschuldiging, hun eerste
zwaktebod en hun eerste vurige wens liever dood te zijn dan
Pats!
En daar komt de onschuld in eigen persoon, zo gelijkmoedig en
zo delicaat, in zijn dunne, tot de naad versleten jas, een glimlach
rond zijn kapot gekuste mond, het leven kolkt om hem heen,
zij beven van schrik en vervoering, en toch, toch is ook hij
een kleine, ontaarde huichelaar, een weloverwogen judasje dat
zijn onwankelbaarheid moeiteloos loslaat en als een ballon tussen
de wolken ziet verdwijnen.
Pats!
Daar komt een man die zijn hersenen afpijnigt, maar niet weet
over wat, die termijnen heeft laten verstrijken, ontmoetingen
heeft vermeden, vriendschappen heeft verspeeld, kansen heeft
laten liggen en nu zichzelf vakkundig ontmantelt en wenend ten
onder gaat in de schemering van een dag als elke andere, het leven
heeft zijn lusten botgevierd op hem, zal zijn vertier nu bij een
ander vinden.
Pats!

Natuurlijk zijn er ook vele eenlingen: ‘een stille jongen, alleen en rotsvast overtuigd van zijn minderwaardigheid’, ‘een onbestemde man, die met alle winden meewaait’, ‘een man zonder achtergrond, een man an sich’. Ook in de rij dit onverwachte tweetal:

En daar, dat moet God zijn, dood gewaand en schilderachtig,
moedwillig bebloed en alwetend, vastbesloten en rechtzinnig,
ontoegankelijk en onveranderbaar, kijk, hij staat stil, als een dove
roerdomp in het riet, hij meet zijn reikwijdte en zet een klein,
onverbiddelijk puntje op de nog onbevlekte i van het ik-besef,
hij zingt, hij ontvouwt, ontstijgt, ontspringt de
Pats!

en

kijk, daar, dat lijkt de Heiland Himself wel, dat vlassige baardje,
die verschrompelde geitenstrot, die bleekzucht, hij kijkt
beteuterd om zich heen alsof hij nog maar net is opgestaan… het
onzalige idee…! er was hem toch beloofd…
[…]
Pats!

Verrassend is dat niet lang na het vertrek van deze twee een donderslag klinkt en een stem roept: ‘Is er dan niemand, niemand/ dankbaar?’
Overal vandaan wordt teruggeroepen: ‘Nee!’, want

waarvoor zou iemand ooit dankbaar moeten zijn? Voor dit
overdreven, deerniswekkende, monotone, rituele, hooggespannen,
schaarse, miserabele, niet noemenswaardige, ondeelbare,
onlosmakelijke en ondubbelzinnige tegendeel van het leven, dit
eeuwige eenrichtingsverkeer?
Pats!

Een eeuwige optocht, maar voor de deelnemers en toeschouwers eenmalig. Ook voor de ik, die wel moet verschijnen:

Die man, die daar nu komt, dat ben ik, nee, dat ben ik niet, jawel,
dat ben ik ook! Ik roep naar hem: ‘Ik ben jou!’ en hij knikt en
roept terug dat iedereen dat weet en dat ik iedereen ben en dat
iedereen mij is […]

Direct na de verschijning van de ‘ik’ vervolgt de tekst met ‘Nu is het stil, nadert er niemand […]’ en komt er een drie bladzijden lange opsomming van alles wat er niet langer meer zal zijn: ‘niemand meer, geen inzichten meer, geen/ beweegredenen, geen gewetensbezwaren, geen begrip, geen/ ceremonieën, geen cris de coeur, geen hooglopende ruzies en/ nietszeggende autoriteiten […]’ Een schier eindeloze stroom waarvan je niet het het besef had dat dit alles samen ons leven uitmaakt.

Daarna gaat de optocht verder, en voor de tweede keer wordt de ik gesignaleerd: ‘En daar, vlak achter haar, die man, die nu heel dichtbij is, die/ gewillige, zachtzinnige, loslippige, misprijzende, afzijdige,/ […]/ welwillende, inschikkelijke, toegeeflijke, droefgeestige, boetvaardige,/ bangelijke man, dat lijk ik wel!’
Even later – ‘En kijk, wie komt daar, het lijkt wel de ouderdom, mijn/ ouderdom’ – is de bestemming bereikt en kan ook dokter Tellegen niets meer voor de ik doen.
Helemaal aan het eind komen dan nog ‘de laatste nog ongeborenen’, zodat we werkelijk iedereen hebben. En dan? De laatste regels luiden: ‘Alleen een duif is nu nog onderweg, de witte duif van de / onverschilligheid.’ Als alles voorbij is, zal noch bij het leven, noch bij de dood kunnen worden stilgestaan.

De vraag rest of Tellegen bij het schrijven van zijn memento mori toch niet een bepaalde, onze tijd teisterende ‘pest’ voor ogen heeft gehad. Veel had in aanmerking kunnen komen, van de milieuproblematiek, het ongebreidelde consumentisme, of het egoïstische hedonisme tot bijvoorbeeld het onvermogen oorlog en geweld uit te bannen. Maar Tellegen is niet in de valkuil getrapt van zijn optocht een aanklacht te maken. Hij kijkt toe, signaleert, sluit aan in de rij. En wij moeten mee, want dit is geen bloemencorso, carnavalsoptocht, defilé, of processie, waarvan vertrekpunt en bestemming in feite irrelevant zijn, die je aan je voorbij kunt laten trekken, waarbij je aan de kant kunt blijven staan. Je moet mee, en het wonderlijke is, dat je dat ook wilt. Wie zou er alleen achter willen blijven? Pats!

Wat een formidabel boek schreef Tellegen, een feest van taal. Dit moet in één grote reidans de wereld over. De vertalers mogen hun tanden erop stuk gaan bijten.

Recensie van Schrijver en lezer - Toon Tellegen

Woorden schieten tekort

Toon Tellegen
Schrijver en lezer
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido ,Querido
2011
ISBN 9789021439631
€ 18,95
76 blz.

Schrijver en lezer van Toon Tellegen (1941) bevat 45 gedichten en 23 bladzijden met tekeningen van zoon Boris Tellegen (1968). Dat zijn mathematische constructies die een uit kubussen opgebouwde figuur afbeelden, die aan een bureaublad zit met daarop een of meer bladen blanco papier, de armen bewegingloos gestrekt, volstrekt passief. Ze hebben iets vervreemdends en passen daardoor uitstekend bij de bijna stereotiepe taalconstructies waarin vader Tellegen in voortdurende zelfreflectie de blauwdrukken probeert te achterhalen van wat een schrijver in essentie tot schrijver maakt en een lezer tot lezer en hoe deze twee zich in hun bijzondere afhankelijkheidsrelatie tot elkaar verhouden. Centraal staat daarbij het gevecht om de woorden dat zowel schrijver als lezer moeten voeren; een zware strijd, omdat woorden zelfstandige entiteiten zijn die zich niet gemakkelijk gewonnen geven.

Het is een conceptueel concept dat een hoge inzet kent, waarbij Tellegen er zich een meester in toont zijn lezers in de rol van toeschouwer te dwingen. Zijn teksten kenmerken zich door een zekere afstandelijkheid, je leest ze alsof je door plexiglas kijkt. Ze leven, maar ze leven cerebraal en daardoor beleef je ze op een net iets ander niveau dan dat van de gewone werkelijkheid.
Dit is het eerste gedicht:

De schrijver bekijkt zijn woorden –
wat zal ik vandaag eens… denkt hij

hij houdt wroeging voor zich, klopt haar uit
en legt haar weg,
laat niettemin door zijn vingers gaan,
snuift de geur van spielerei in zich op,
kijkt peinzend naar zijn afgetrapte zonden op de grond

hij kiest ongeduld en spitsvondigheid
en gaat, gekleed in zijn dagelijkse ik en mij,
met aan zijn voeten zijn trouwe zelfoverschatting,
aan zijn tafel zitten.

Dat woorden het taalmateriaal van de dichter zijn, is op zichzelf niet iets bijzonders, maar dat ze tot zulke verzelfstandigde objecten gemaakt worden, is dat wel. Ze hebben een eigen leven, en daarom kunnen ze in het tweede gedicht de wereld ingestuurd worden. Als woorden als ‘ziekelijkheid’, ‘pijnlijkheid’, ‘dodelijkheid’ en ‘nu’ ‘s avonds terugkeren, kan de schrijver beginnen te schrijven, en is er vanaf het volgende gedicht meteen ook sprake van een lezer. In aanvang moeten beiden zeer aan elkaar wennen, want hoe hongeriger en onverzadigbaarder de schrijver zich toont, hoe meer de daardoor tekortkomende lezer verhongert.
Vooral met ‘grote’ woorden is het altijd oppassen. Met ‘kwaadbloedig’ bijvoorbeeld, of ‘wezensvreemd’, en ‘liefde’ en ‘dood’ zijn altijd heikel.

Van alle gedichten vormt de in rood gedrukte titel meteen ook de eerste regel van het gedicht, dat vrijwel steeds begint met ‘De schrijver…’, gevolgd door een werkwoordsconstructie: De schrijver bekijkt zijn woorden –, De schrijver is hongerig, De schrijver valt zichzelf tegen, De schrijver legt zijn pen neer, De schrijver schudt aan de boom van ontzetting, enzovoort.
Twee gedichten beginnen met ‘De lezer’, het 22ste en het laatste. Als de bundel daarom al een opbouw kent (er zijn geen afdelingen), is het deze: twee keer 21 ‘de schrijver’-gedichten gevolgd door een ‘de lezer’-gedicht, waarbij dan het gedicht in het hart van de bundel een soort scharnierfunctie krijgt:

De schrijver bedenkt woorden
die hij niet kan schrijven –
ze zijn te licht, ze lossen op, ze vliegen telkens weg

de schrijver verzwaart ze met nadruk en betrokkenheid,
knoopt ze aan oude woorden vast,
verleent ze bezieling

en de woorden beginnen te scheuren,
ze verspreiden een vreemde geur,
ze kunnen hun betekenis niet aan

de schrijver probeert ze te vergeten,
maar de woorden vergeten hem niet,
klampen zich aan hem vast,
leiden hem in verzoeking

waar de lezer op hem wacht.

Gaandeweg krijgt de lezer van de bundel (die niet samenvalt met ‘de lezer’ ín de bundel) een beeld van wie de schrijver is. Iemand die in eerste instantie voor zichzelf schrijft en zich een lezer wenst die zich volledig aan hem overgeeft. Iemand die zichzelf telkens opnieuw moet uitvinden, soms worstelt met zijn eigen overbodigheid, zichzelf de strot uitkomt, maar met alle geweld iets wenst te zeggen van beslissend belang. Iemand die laveert tussen hypocrisie en lethargie, evenzeer god als iemand die op zoek is naar zichzelf, in het duister tast en ten diepste weet geen schrijver te zijn. Aan zijn graf zal de lezer dan ook zeggen: ‘woorden schieten tekort’.

In het voorlaatste gedicht houdt ‘de schrijver’ op schrijver te zijn. Hij ‘herinnert zich weer de schoonheid van genade/ en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,/ gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt/ in het grote blauwe niets.’ Het opent de weg voor ‘de lezer’ om de rollen om te draaien en zijn diepste wens vervuld te zien: zelf schrijver worden.

De lezer wordt schrijver,
trekt de kleren van de schrijver aan,
eet zijn brood,
zit aan zijn bureau,
buigt zich over zijn papier –
verwondert zich over de immense, tot voorbij de horizon zich
                                              uitstrekkende, oogverblindende witheid ervan –

neemt zijn pen in de hand,
denkt wat de schrijver denkt,
voelt wat de schrijver voelt (onder andere: pijn)
en wacht
                     tot iemand hem stoort

maar niemand stoort hem,
hij wacht tevergeefs.

Wij zijn terug bij het begin. Daar zit, vol zelfoverschatting, een schrijver. Hij heeft geen enkel excuus om niet te gaan schrijven, niets weerhoudt hem. Op de bijbehorende tekening is het blad nog altijd leeg. Wat nu?

Met Schrijver en lezer heeft Toon Tellegen een qua thematiek en uitwerking unieke bundel geschreven, die ondanks de haast monomane concentratie op het onderwerp vooral dankzij een constante ‘lichtheid’ geen moment verveelt.

Recensie van Stof dat als een meisje - Toon Tellegen

Bloederig en laconiek

Toon Tellegen
Stof dat als een meisje
Uitgever: Querido
2009
ISBN 9789021437606
€ 16,95
64 blz.

In tegenstelling tot wat de tere titel doet vermoeden, vallen er rake klappen op elke bladzij van Tellegens nieuwste. In ruim vijftig gedichten legt een engel een mens – ‘de mens’ – het vuur aan de schenen, biedt hem zowaar een geweten aan, kust hem ‘wild en ondoorgrondelijk’ en vliegt weg ‘wit en ongeschonden’.
Stof dat als een meisje gaat over de complexe relatie tussen de mens die meet met de bescheidenheid en bewuste beperkingen van de menselijke maat en de Übermensch, zwanger van oerkracht en zwalkend tussen een risicovol wankel leven vol ‘helse vreugde en hemels verdriet’.
Niets origineels, zou je zeggen, want doet de Bijbel dit ook niet: aantonen dat een mens zonder een god in wat voor vorm dan ook gebroken en ongerijmd ten onder gaat?
Maar Tellegen heeft een wapen en dat is die onnavolgbare laconieke toon waarmee alles lucht en een eigenzinnig roestig randje krijgt, of het nu om de dood, het geloof, of een klein gemis gaat. In Stof dat als een meisje zou je kunnen spreken van een omgekeerde Faustvertelling, geserveerd in een serie anekdotische gedichten, met hier en daar een zweem van rijm. Theatrale middelen worden ingezet wanneer nodig, wat op sommige momenten ontroerend werkt: er klinkt dan iets naïefs in door, de mens is een nog niet helemaal tot volle wasdom gekomen wezen, en de engel lijkt ook wat onbehouwen en snel in zijn wiek geschoten.

Dat onverhulde schrijven, een poëzie zonder geheim achter de woorden, brengt de thema’s die Tellegen aan wil snijden heel dichtbij – de vraag naar menselijke wil versus vrijheid, geweten versus conformisme, natuurramp of ecologisch geschoond geweten. Door de lichtvoetigheid die nu eenmaal in het Tellegen idioom zit, gaan de thema’s over zo min mogelijk schijven en krijg je als lezer echt het gevoel dat de dichter bij je in de vensterbank zit. Aangewaaid, een prettige fantoom dat een andere wereld, zíjn wereld even tot klinken brengt.
Bovendien vloeit er behoorlijk wat bloed over de bladzijden en de bont en blauw gebeukte mens doet eerder aan het met verve vertolkte alter ego van hoofdpersoon in David Finchers’ film Fightclub denken, dan aan een papieren man.

Dus dat doet de dichter sterk en onverveerd: de mens spat springlevend van het vel terwijl hij op de tafel slaat: ‘Ik kan niet leven.’ En Tellegen zegt, zacht, eeuwig met zichzelf in de contramine: ‘… en hij leefde langdurig en nauwgezet.’ Geen ingewikkelde toestanden of wereldschokkende esthetische ervaring, maar wel even, fijntjes, de mondhoeken omhoog.

Het is vaak spaak gelopen tussen bovenmenselijk gebroed en de sterveling.
Tellegen is een ervaren verteller van Grote Verhalen aan een uiteenlopende en brede doelgroep (kinderen en volwassenen). De verwondering die zijn dierenverhalen voor kinderen zo mooi kenmerkt, klinkt ook in deze teksten door. De mens is verbijsterd over de agressie van de engel, de engel op zijn buurt snapt er de ballen van dat de mens zich niet troosten laat. Tellegen is een knap vertolker van de stress die de mens ondergaat in het moeizame proces tot verinnerlijking van relationele problemen, en verhoudingen tot de natuur. Het laatste gedicht laat de mens reïncarneren om de strijd met engellief opnieuw aan te mogen gaan. We krijgen van Tellegen de verantwoordelijkheid en de regie over al wat leeft, en ik moet zeggen, dat bevalt mij wel.

Een man stond op uit wanorde en vermoeienis
en hij zag dat het goed was,
en een engel daalde neer
en zei
dat het niet goed was en dat het ook nooit goed zou worden

hij sloeg de man neer
en sleepte hem achter zich aan
door gebroken glas en prikkeldraad,
liet hem bloeden tot hij onbruikbaar was.

Een bundel over het gevecht van tussen mens en engel, is dat nog iets van nu? Ik denk dat we in Tellegen poëzie lezen waar het in zijn romans en kinderverhalen altijd al over gaat. Waar begint mens-zijn waar het dier als wezen ophoudt? Wat is humaan, en wat vooral niet? Wat zou een definitie kunnen zijn van het bovenmenselijke? En is de poëzie niet de meest geëigende vorm om deze vraag te stellen? Niemand die het de laconieke, lichtvoetige, altijd ‘in love’ met de taal verkerende Tellegen kan nadoen.

***

Toon Tellegen (Brielle, 1941) is dichter, kinderboekenschrijver en schrijver van proza en toneel voor volwassenen. De uitgever geeft hier en hier alle informatie.