Recensie van Bewonder de zee als de liefde. Verzameld werk - Inge Tielman

De liefde en het woord

Inge Tielman
Bewonder de zee als de liefde. Verzameld werk
Uitgever: Liverse
2016
ISBN 9789491034916
€ 29,95
382 blz.

Op 6 november jongstleden vond in de Haagse Kunstkring aan de Denneweg in Den Haag een grote manifestatie plaats, waarin de op 27 december 2015 overleden veelzijdige Inge Tielman werd herdacht. Inge was jarenlang actief bij deze oude kunstenaarsvereniging (gesticht in 1891, dus 125 jaar oud), waarin de onderlinge beïnvloeding der kunsten centraal staat. Inge was veelzijdig: dichteres, schrijfster van cabaretteksten, directeur van het Theater in de Steeg, ze regisseerde toneel en cabaret en had haar eigen cabaretgroep SALVO. Ze dreef met haar partner Maria twee horecagelegenheden in het karakteristieke Haagse wijkje De Mallemolen: het restaurant ‘t Malle Hapje en het café De Malle Meid. Ze was ook sterk emancipatorisch gericht: moedig als ze was, nam ze geen blad voor haar mond en was openlijk lesbienne, wat in de jaren vijftig, waarin haar eerste teksten ontstonden, niet gemakkelijk was. Op de bijeenkomst werden cabaretteksten voorgedragen, liederen gezongen die op haar teksten waren gecomponeerd (vaak in de stijl van het Berlijnse cabaret: de artiesten traden op in het theaterrestaurant Goldmund) , maar men was eigenlijk samengekomen om haar verzamelde werk te presenteren, dat onder de titel Bewonder de zee als de liefde bij uitgeverij Liverse uitkwam. Het is een prachtig boek geworden waarin alle gepubliceerde en ongepubliceerde poëzie vanaf 1948 tot en met 2015 is gebundeld, waaraan nog een aantal verhalen in proza is toegevoegd (15). Die verhalen zal ik hier niet bespreken, want we kunnen een heel dichtersleven volgen dat de moeite waard is. Door de autobiografische elementen en de helderheid van de woorden krijgen we ook zicht op het leven en de emoties van een sterke, zeer emotionele, eigenzinnige vrouw voor wie de erotiek, die vaak in eenzame momenten werd gevoeld, ook aanleiding was te dichten. Maar we herkennen vooral de tederheid en de liefde (je denkt aan P.C.Hooft met zijn ‘min’ en ‘eros’) en de strijd om de verwoording ervan. Of het nu de eerste dan wel de laatste teksten zijn: er is sprake van een grote eenheid en consistentie.

Het fijne van een overzicht van ongepubliceerde en gepubliceerde poëzie in één boek is, dat de ontwikkeling van de dichter te volgen is. Het eerste gedicht uit 1948, ‘Complot’, vertoont al een groot aantal typische Inge Tielman-kenmerken, die ook in haar laatste bundel uit 2015, Mozaïek van het licht uit 2015 (uitgekomen in de Bordeauxreeks , nummer 27 van uitgeverij Liverse) te vinden zijn: de eigenzinnigheid, de emoties, het heldere woord, het verlangen, de tederheid. Al lezend (ik heb 25 gedichten gesorteerd waaruit ik zou willen citeren), ervoer ik een poëtische groei. De gedichten ‘dichten’ in steeds grotere mate het gat tussen emoties en vorm. Voor mij zijn de twee bundels , gepubliceerd in de roemruchte Windroosserie van Ad den Besten (Leg je oor aan, Windroos 55 en Deelbaar licht, Windroos 730) hoogtepunten uit haar werk. Niet voor niets werden gedichten uit deze bundels opgenomen in de in 2006 verschenen bloemlezing Voor de dag van morgen, waarin de mooiste gedichten uit de Windroosbundels zijn verzameld. Haar laatste bundel, die in het jaar van haar dood uitkwam bij uitgeverij Liverse, ik schreef er hiervoor reeds over, vormt een bekroning van een dichtersleven, een sereen hoogtepunt. De zeer geresigneerde toon uit deze bundel met daarin alle elementen die haar leven en werk bepalen, levert een prachtig en ontroerend geheel op.

De eerste poëzie van Inge krijgt vorm in de jaren vijftig: de poëzie was vernieuwd, de beeldspraak veranderd, de emoties waren zuiverder geworden, een ander engagement was geboren na Auschwitz. Voor Inge waren het de Japanse concentratiekampen die haar leven bepaald hebben en invloed hadden op leven en werk: haar levensvreugde was een reactie. Ze wilde alles uit het leven halen. In haar poëzie vindt men invloeden van de Vijftigers. Uiteraard heb ik gezocht naar een dichter die haar beïnvloed zou kunnen hebben: de enige dichter die ze zelf noemt is Hans Lodeizen.

In zijn inleiding tot de bundel schrijft Ruud Hisgen, jarenlange bewonderaar van Inge en voorzitter van de afdeling literatuur van de Haagse Kunstkring over het tekortschieten van de taal: ‘De intense ervaringen die wij met elkaar delen, de rijke emoties en de verblindende inzichten, blijken vaak op papier niets meer te zijn dan stoffige gestolde tekens. Wie zich door deze angst laat leiden, slaagt er niet in om uitdrukking te geven aan dat wat iemand zo intens kan vervullen. (….) Inge Tielman was nooit bang voor het grote boze woord. Ze had het lef terug te slaan. En dat deed ze haar hele leven’.

In het gedicht: ‘Je weet het toch’ uit 1953 vinden we reeds de macht en onmacht van het woord: ‘vloek maar met een hoge stem afbraak / of breek woorden in tweedimensionaal / desnoods lach je liefde….’. We vinden dezelfde thematiek in het in het zelfde jaar ontstane gedicht ‘Rancune’: ‘voor elke letter 26x / een ander teken snijden / in een huid spreken / in de holte van het zwijgen // droog-gedachte woorden / met vochtige lippen / ademen in zinnen / in volzinnen grammaticale / dolheid bijten.’ De strijd om het juiste woord, dat ook behoorlijk kan kwetsen en pijn doen, voert de dichter met zichzelf zoals blijkt uit het gedicht ‘In verzet’: ‘tot bloedens toe heb ik herhaald / de zweepslag van het woord / dat reeds vroeg in mij leefde / die ik gul uitdeelde / waarmee ik lege bedden vulde / en verarmde gezichten tatoeëerde // intussen ben ik bijvoeglijk geworden en / jankt in de waterloop van mijn lage spieren / het verzet tegen de handleiding van mijn liefde’. Of dit prachtige gedicht uit 1958:

Ik heb lief + heb mij lief

4
handen
in
1
taal

wij zijn taalarme geliefden
wij spreken
uit
bittere noodzaak.

In haar laatste bundel ontvouwt ze in soms korte gedichten hoe haar strijd met het woord door de liefde wordt vergemakkelijkt: ‘nu ik woorden dreg /uit een taalmoeras / ze tot eenvoud poets / blinken ze in de vitrine / van mijn verzen’. De woorden zijn eenvoudig geworden: het proces van dichten is voor Inge, na een levenslang bezig zijn met het woord: de woorden tot eenvoud poetsen.

Eigenlijk is bijna elk gedicht doortrokken van liefde. De windroosbundel staat er vol mee. Een enkel citaat: ‘luister de aarde spreekt met toonloze klem / en verwondert mij in haar kracht / en in mijn machteloosheid / want in de aarde drukt een ontstellende liefde / liefde die mij de adem ontneemt / vernedert opheft ontkleedt’. Ook in de vele ongepubliceerde en losse gedichten komt de liefde smartelijk, dwingend naar voren. Soms is het verlangen naar samensmelting met een partner groot. Vooral als ze eenzaam is. Geleidelijk aan kristalliseert alles: er is een partner, er is verbondenheid, er is geluk. In haar laatste bundel uit haar sterfjaar, toen ze al ziek was – ikzelf mocht Inge tweemaal ontmoeten en wat was ze toen broos – vlamde nog haar levenslust. De woorden zijn bijna mild geworden, evenals de liefde. ’Kom fluister en dans / nog een keer met mij / op de melodie van het leven / oude dagen hangen / hangen aan vergeten’.

Ze hing aan het leven, maar kon ziekte en ondergang niet verhullen. Ik neem hier een van haar meest geresigneerde gedichten over, waaruit het geluk spreekt dat ze in het ‘avondrood’ ervaart terwijl alles in haar hoofd stormt.

Avondrood

aanbid het avondrood
ontwaak in de tuin van
het ochtendgloren
bewonder de zee als de liefde
in een zonovergoten hart
terwijl de storm woedt in het brein
alles in één
zwem in de golven van geluk

Samenvattend: een uitgave van mooie, consistente poëzie waarin de liefde en de taal centraal staan , waarnaast soms grillige bijna surrealistische poëzie voorkomt. Het is de poëzie van een heel leven, waarbij liefdespoëzie in een steeds puurder wordende taal: taal die noemt en benoemt. Gerrit Achterberg zocht zijn gehele leven naar het juiste woord om een leven te herscheppen: ‘nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt’. In het gedicht ‘Voor Maria’ dat aan de bundel vooraf gaat, lost Inge dat probleem in alle eenvoud op :

Als je mij vraagt
een gedicht voor jou te maken
is ieder woord
dat ik zeg te veel
want jij bent
mijn gedicht

***
Inge (Ingeborg) Tielman werd in 1931 geboren op Java als dochter van een Tsjechische moeder en een vader die voor het Nederlandse gouvernement werkte. Haar jeugd was zorgeloos tot in 1942 de Japanners Nederlands-Indië bezetten. Moeder en kinderen belandden in het vrouwenkamp Kampili, waar Inge hard moest werken, maar tevens ontdekte hoe toneelspelen licht in donkere tijden kon brengen. Ze kwam doodziek uit het kamp maar herstelde. Het gezin kwam weer bij elkaar en vertrok in 1947 naar Nederland. Ze begon een studie maar wilde liever ‘leven’. Vanaf 1949 begon ze te dichten. In 1953 werd ze lid van de Haagse Kunstkring. Ze publiceerde onder andere in Maatstaf. Van haar werden in de Windroosserie twee bundels uitgegeven. Ze was een inspirerend theaterdirecteur, die veel jongeren de kans gaf op te treden. In haar laatste jaren was ze ernstig ziek: een longtumor en hartfalen. Maar ze haalde nog elke teug uit het leven, trouwde met haar vriendin en publiceerde nog een laatste bundel. Ze stierf op 27 december 2015.

Recensie van Mozaïek van licht - Inge Tielman

Een dichteres in het vloedlicht van de herfst

Inge Tielman
Mozaïek van licht
Uitgever: Liverse
2015
ISBN 9789491034473
€ 14,95
52 blz.

Zonder licht is het menselijk leven ondenkbaar. Het is zo fundamenteel dat een lange, donkere winter tot winterblues kan leiden. Licht is als existentieel element ook vaak het kernelement van een gedicht of een hele bundel. Ik denk aan de bundel Aanwezig licht (2011) van Bert Kooijman en aan het licht dat zo veelvuldig in Hans Andreus’ gedichten medebepalend is. In ‘Driemaal leven’ zijn ‘leven en dood en de rest: // bewegingen in het licht.’ Bijna vijftig jaar geleden heeft Ook Inge Tielman (1931) haar relatie met het licht gestalte gegeven in haar tweede bundel: Deelbaar licht (1966). Vijf jaar eerder verscheen haar debuut: Leg je oor aan (1961).

In haar nieuwste bundel, Mozaïek van licht, richt de schrijfster zich opnieuw op het onvatbaar natuurverschijnsel licht. Licht is zoals elektriciteit: we kunnen het effect van licht en elektriciteit waarnemen, maar geen van beide laat zich vatten. Elektriciteit is overigens de onzichtbare bron van veel kunstlicht, een verschijnsel waarmee Inge Tielman wellicht als weinig anderen vertrouwd is. Haar beroepsleven speelde zich voor een groot deel in de theaterwereld af, en daar is licht en belichting essentieel. Theatervoorstellingen in open lucht zijn in het Nederlands taalgebied geen courante praktijk.

Als theaterdirecteur en regisseur is Inge Tielman per definitie vertrouwd met de begrippen tijd en ruimte. Het is jammer dat men bij de opmaak van de bundel geen rekening heeft gehouden met haar ervaring met ruimtelijke effecten. De kortere gedichten bengelen als het ware aan de bovenmarge, en onder de laatste versregel gaapt een groot wit vacuüm. Een goed gedicht moet ook goed gepresenteerd worden om de impliciete inhoud aan de oppervlakte te laten komen.

Niet alleen het leven is zonder licht ondenkbaar. Zoals de mens en andere wezens komen ook kleuren tot leven dankzij licht. Het gebruik van kleuren is relatief beperkt in Mozaïek van licht, hoewel de titel en het voorplat een tegengestelde verwachting oproepen. De gedichten sluiten niet aan bij het omslagontwerp, ze baden niet in theaterlicht. Een gedicht als ‘Avondrood’, een van de kortere gedichten, speelt zich niet tussen muren af: 

aanbid het avondrood
ontwaak in de tuin van
het ochtendgloren
bewonder de zee als de liefde
in een zon overgoten hart
terwijl de storm woedt in het brein
alles in één
zwem in de golven van geluk (p. 18)

In dit gedicht, waarin de zon aan de liefde wordt gekoppeld, wordt impliciet liefde als licht ervaren, de tegenstelling van de donkere leegte van het hart. En de dichteres of een aangesproken onzichtbare persoon wordt aangespoord om in ‘golven van geluk’ te zwemmen, want ook de zee wordt met de liefde geassocieerd. In het water wordt het lichaam immers gestreeld zoals nergens anders. Het is een uiting van krachtig vitalisme van een dichteres die in 1931 (!) het licht is binnengetreden. Welke dichter(es) die ouder is dan tachtig getuigt nog met zoveel passie over de relatie van haar lichaam en haar geest met de omgeving? Toch is er in dit gedicht een klank – de lange, weemoedige o – die op spanning wijst, en precies in woorden met een positieve connotatie: ochtendgloren en overgoten (in combinatie) met zon. Het is precies dit soort spanning(en) dat een gedicht boven een gewone mijmering tilt.

Een opvallend gedicht is ‘De Witte Bloem’, waarin de dichteres haar leven samenvat in twee versregels: ‘dus vallen en opstaan vallen en opstaan / dat is wat ik mijn hele leven doe.’ (p. 32) Dat is wat wij allemaal doen. Het is niet de ‘balans’ die van ‘De Witte Bloem’ een opvallend gedicht maakt, het is de prosodie met de vervelende herhalingen van groeien en vernield worden (‘door een hagelbui’) die het gedicht bijzonder maakt. De verwoording wijst erop dat de dichteres – geheel anders dan in ‘Avondrood’ – het leven als een onvoltooibaar streven ervaart. Dit gedicht doet denken aan de mythe van Sisyfus. Anders gezegd, de zin van het leven ligt in het leven, niet in het streven.

‘Het Schilderij’ (p. 35) ligt in de lijn van ‘Avondrood’. Het lyrisch subject – niet één keer is er een ik of een zij/hij aan het woord – lijkt hier de zin van het leven te vinden in het (samen)zijn. Het zijn is nog onbehouwen, verlangend van ‘ontluikende wellust’, en ‘de gloeiende huid brandt de lust / in ruwe onbehouwen variëteit’ 

in een mantel van genegenheid
wordt de liefde tentoongesteld
innig van weelderig schoon
en ruw van onbehouwenheid
de man de vrouw in diversiteit.

Het leven dient zich in vele vormen aan, belicht of in de schaduw, temperamentvol of aanvaardend… een ervaring die Tielman als volgt heeft verwoord: ‘daarom ben ik anders / maar eigenlijk ben ik steeds die ene ik / steeds dezelfde.’ (p. 38) De dichteres schrijft in het besef van de ‘ewige Wiederkehr des Gleichen’ (Nietzsche). Na de donkere uren is er altijd weer het licht zoals in het gedicht ‘Ochtend’. (p. 44) Wie in dat besef schrijft, heeft een inzicht verworven dat de aarzeling van middeleeuwse monniken – post tenebras spero lucem – naar het vergeetboek verwijst. Mozaïek van licht bevat overtuigende, poëtische gedichten, maar helaas ook teksten die niet boven het anekdotische uitstijgen. De bundel getuigt wel van een bijna onaangetast vitalisme, en dat is geen kleinigheid nu er overal ter wereld dreigende onweerswolken hangen.