Recensie van De loeiende tier - Mark Van Tongele

Er is geen grens aan het verbeelden

Mark Van Tongele
De loeiende tier
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450908
€ 21,99
56 blz.

Bezonnen en hartstochtelijk tegelijk zijn de typeringen die je te binnen schieten, als je de poëzie van Mark Van Tongele leest in zijn nieuwste bundel De loeiende tier. Wat een vitaliteit en taalkracht! Wat een taalfeest! Van Tongele is nog altijd een dichter die ten onrechte tamelijk onbekend is in Nederland. Zijn poëzie kent een dynamiek en beweeglijkheid die verrassend en verfrissend is. Ze maken dat je bij elk gedicht nieuwsgierig blijft naar het begin, de voortgang en de afloop. Het komt nog wel eens voor, zoals in het gedicht ‘Zonnecellenwonderspray’ dat Van Tongele zich overmand weet door een waaier van klanken, beelden en woorden die zich in hun onbegrepen zijn, in hun ‘wezenlijke desoriëntatie’ tot elkaar verhouden, omdat de taal op die plaatsen blijkbaar niet het middel is om de beleefde ervaring aan te raken. Het lijkt me een vorm van ‘klank- en woordstamelen’, van opperste verwondering, een vorm van dichterlijke overlevingskunst, maar de pen blijft wel op papier.  Je ziet op die plaatsen het beleven aan het beseffen voorbijgaan.
          Dikwijls weet hij uit zijn soms woeste dan weer verstilde bewegingen je een oproep, een aansporing, een levenshouding voor te houden waarmee hij je een uitweg biedt uit de ‘voortdurende verandering van de werkelijkheid’, zoals in het gedicht ‘Vannacht op het strand, doffe zeeruis’: ‘Waarom kunnen wij niet / over toekomst spreken met dezelfde / trefzekerheid als over verleden?’, of zoals in het gedicht ‘Zwaaiplaats’: ‘Puur geluk is het enige wat ons beschermt.’, of zoals in het gedicht ‘Heb je zwoerd achter je oren?’: ‘Hoe ontkomen aan kwalitatieve imperatieven? / Hoe milieu, groei en werk met elkaar verzoenen?’
          De bovengenoemde strofen tonen ons een dichter die er niet voor terugdeinst om zijn politiek-maatschappelijke betrokkenheid en de daaruit voortvloeiende moraliteit te laten zien. Het gedicht ‘Samenhangzin’ eindigt met een strofe ‘Wat kunnen wij anders dan / zo goed en kwaad als mogelijk / elkaars zwaartekracht helpen dragen.’ In deze regels klinkt voor mij het gedicht van Judith Herzberg ‘Er is nog zomer` uit de bundel Zoals (1992) mee: ‘wat zou het loodzwaar / tillen zijn wat een gezwoeg / als iedereen niet iedereen / terwille was als iedereen / niet iedereen / op handen droeg’.
          Zijn maatschappijkritiek komt in enkele gedichten direct naar voren, zoals in de gedichten: ‘This was the week when the financial markets began’, ‘Heb je zwoerd achter je oren?’ en ‘Play more’. In plaats van zich besprongen te weten door angst en onzekerheid ziet hij waarachtig de aantrekkelijkheid van catastrofen in. In de ongebreidelde vrijheid van de financiële markten bestaat de kans dat we ons overbelasten. Dan is het zaak temperamentvol, loyaal en neutraal te blijven. Ook de dichter ervaart bij de genese van zijn gedichten al vóór de bewustwording van de woorden een warmte als ‘een innerlijk geheel met je-/ zelf verbonden: een alzijdige en gelijktijdige, / wederkerige beïnvloeding van alles door alles’. Hij weet zich als dichter betrokken bij het proces, maar dient zich er ook met een zekere afzijdigheid door te laten meevoeren.
          Van Tongele rekent niet alleen op de helende krachten van de natuur, maar ook op die van de menselijke natuur, zoals uit het gedicht ‘Overlevingskunst’: ‘het meest adembenemende, / van dood gebarende paars draagt in zich // het puurste rood en het eerbaarste blauw: / ochtendgloren en een onbewolkte hemel.’ Dit soort versregels illustreert zijn levenskunstenaarschap. Hij blijft zijn poëtische zandkastelen bouwen. Hij zoekt naar de zin en de balans tussen alle lichte en duistere krachten.
          We hebben van doen met een lenig dichter. Zijn woord- en klankacrobatiek is indrukwekkend. Als een middeleeuwse ridder te paard portretteert deze dichter zichzelf als een ‘loeiende tier’ die zijn schielijke bewegingen in taal laat vloeien. Hij kan soms nauwelijks de ‘tier’, ‘de welige groei’ van de taal bijhouden. Hij weet zoals in het gedicht ‘Tegenwoordig’ soms bijna niet hoe de woorden en beelden bij hem binnenkomen en aan hem ontstaan: ‘Hoe de vlinder / aan zijn ogen komt. // Is dit de geest / van een verloren gedicht / die zijn lichaam verlaat?’ In dat ontstaansproces polijst hij zijn ‘sporen van aanraking’ en de ‘slijtage van vergelding’. Het leven laat zijn onuitwisbare sporen in hem achter. Als een verliefde Narcissus kijkt hij in zijn eigen spiegelbeeld. Hij herkent in de ‘copulerende schaters’ en de ‘klankstukken van het kuras’ de gelaatstrekken van vele voorgangers. Zijn gedicht ‘Zelfportret’ eindigt hij met de versregels: ‘Onverdroten houd ik een gedicht / met de zon voor mijn gezicht.’ In de poëzie ligt zijn hemelrijk, zijn verleden, heden en toekomst, zijn levensvreugde, zijn ‘diep verlangen naar geluk’ als ‘tegengif’ voor alle verlies en tegenspoed. Dit taalspel is nooit zonder risico’s. Hij blijft zijn lichtmythe doorvertellen. Ook al is dat in deze bundel zo nu en dan met gedichten die enkel bestaan uit een opsomming van klankrijke woorden die in samenhang ons begrip te boven gaan, maar ons wel willen laten zien dat deze dichter zijn zoektocht naar zin en licht niet wenst op te geven. Binnen deze karakteristiek past ook in de vrije toepassing van allerhande strofevormen zijn gebruik van archaïsmen, zoals ‘tier’ en neologismen, zoals ‘samenhangzin’.
          In deze nieuwe bundel heeft Van Tongele enkele gedichten gevlochten die betrekking hebben op zijn familie. De dood van zijn vader en de geboorte van zijn kleinzoon Oskar hebben poëzie bij hem losgemaakt. Dichtbij de kust op het kerkhof van Ostende tegen de valavond doet de geur van het water van de Noordzee hem herinneren aan zijn jeugd: ‘de koude schijn / doet het leven beven. […] Hoe ver van hier reikt mijn bestaan?’ In dit soort regels strekt de melancholie zich naar de oppervlakte uit. Het levenselixir van Van Tongele is divers en bruisend van samenstelling. Het gedicht aan zijn kleinzoon ‘Lang Leve Oskar’ gewijd roept bij mij reminiscenties op aan die andere grote Vlaamse taalkunstenaar Paul Van Ostaijen vanwege de taalvreugde en levensblijheid die zijn verzen uitstralen.
          Het is moeilijk kiezen waaraan ik mijn laatste voorkeur geef uit deze nieuwe bundel van Van Tongele. Ik kies uiteindelijk voor zijn gedicht over de melancholie, omdat ik daarin zijn vreugde, zijn strijd, zijn wanhoop en zijn hoop op leven tot aan het onverbiddelijke einde toe zie verwoord. Aan zijn onbedwingbare beweeglijkheid in woord, beeld en klank zal altijd die rouwrand van de melancholie blijven zitten: het oneindige spanningsveld tussen het willen en kunnen. Het helpt hem om de ‘veelvoudigheid van vergeten / in de spiegel van herinneringen’ op gang te houden. In zijn gedicht ‘Wat een mens bezielen kan!’ legt hij de bestaansgrond van zijn dichterschap neer: ‘Wat men beleeft werkt sterker dan wat men beseft. Er is geen grens / aan het verbeelden van een steeds grotere ruimte / in de geest. Een openheid, volheid, meervoudigheid. / Een royale resonantieruimte.’ Zo begint hij zijn bundel, maar hij eindigt hem met de vaststelling van ‘De onmogelijkheid van waarheid / De voortdurende verandering van de werkelijkheid.’ Daaronder beweegt zich zijn levensgevoel van de melancholie in deze vitaliserende bundel!

Melencolia

De wereld bekijken als een puinhoop,
bric-à-brac, als theater van tegenspoed.

Afstand doen van de werkelijkheid,
tot zelfs van zijn eigen lichaam.

Wat nu bedenken? Men kan dromen,
en schaduwen tot leven brengen.

Als een vurige roeping rusteloos.
Het begeerde gevaar van te veel passie.

Ondergaan in een onbedwingbare
hang naar het oorspronkelijkste.

De rouw om verloren illusies.
Maar niet van melancholie afraken,

dat is het ergste. Uit de catastrofe
ontstaat het paradijs. Inwijdingen.

Herhalingen. De permanente pendel
tussen mislukken en weigeren te berusten.

Het begin van het einde komt
altijd op kousenvoeten.

***
Mark Van Tongele (1956) is, als dichter, altijd een buitenstaander geweest. Hij experimenteerde met taal en dacht als een van de eersten na over digitale poëzie. Zijn bundels zijn tot nu toe altijd goed ontvangen door een select en enthousiast publiek. In 2004 kwam een verzamelde bundel onder titel Gedichten uit.

Recensie van Lichtspraak - Mark van Tongele

Het genot van de taaltrilplaat

Mark van Tongele
Lichtspraak
Uitgever: Atlas
2008
ISBN 9789045009810
€ 16,50
60 blz.

Mark van Tongele, van wie vorig jaar Lichtspraak verscheen, werd door Paul Demets ‘de componist met het ruimste klankregister onder de Vlaamse dichters’ genoemd, Daniël Dee stelde bij hem ‘een imposant klankregister’ vast en Yves T’Sjoen sprak in zijn inleiding bij Van Tongeles eerder verschenen imposante verzamelbundel van ‘vitalistische taalexploratie’, van ‘een zinderende waterval van taal, gericht op auditieve receptie’. Hij kenschetste Van Tongele daarbij als een dichter van de taal, voortdurend uit op taalvondsten.
Van Tongele zelf formuleert het op bladzijde 21 van de bundel zo:

ARS POETICA

Het ware zijn hangt in de wind
die je aanademt bij het zeilen
op de bodemloze dagvloer.

Een dichter met kloten aan
zijn lijf blijft heldhaftig aan
het hulpeloze roer van licht-

spraak staan. Kotsend in lots-
roes kerend in het woelwater
van de werkelijkheid, klotsend

onvervaard van plezierhaven
naar plenszeergraven licht hij
de klink van zijn logboek.

Taal is wat Van Tongele als dichter bepaalt en dat is evenzeer iets wat hij zelf bewust nastreeft, als iets wat hem als het ware overkomt, wat hem buiten zijn wil om wordt opgelegd en wat hij als dichter moet ondergaan. In dit gedicht werkt alles in zijn voordeel: de opvallende woordvondsten, het klankbeeld, maar vooral de vereende kracht van opbouw en betekenis. Hoe gesloten het gedicht ook lijkt, je hoeft inderdaad de klink maar op te lichten en je bent binnen in wat allerminst hulpeloos wordt verklankt. Een dichter met kloten, kotsend in lotsroes – van zo’n dichter wil je alles lezen, kom maar op met het woelwater van de werkelijkheid!

Het kan ook anders. Een gedicht over ‘woordkleuren’ die de dichter aan ‘hun vlucht’ zegt te herkennen (met de mooie woorden ‘roodkeelpieper’ / ‘zoenkantgaarder’ / ‘brongalmzin’) eindigt met ‘Een o zongat in / de lucht springen.’ De woordspeling doet nogal ruw uit de taalroes opschrikken. Soms lijkt Van Tongeles niet meer te doen dan bijzondere woorden uitstrooien en ontstaat er een soort taalconfetti die je na een paar regels al wat narrig van je af wilt schudden, omdat ieder betekenisverband eraan lijkt te ontbreken:

GROOTHANDEL IN LETTERLEERMIDDELEN

Plezierpapier en woordhandenarbeid: rijgpompons
reddingsvervoeringstuigen badmintonshuffels zelf-
klevende mozaïeksteentjes wittcol memokubus meng-
potjes inleg-rangschikplankjes regenboogkleurpotloden
lomers hoelahoep funliner glitter linkprint creall-fix
doezelaars dobbelwoordbouw oorstekers oogstickers
partyslingers parelpoppetjes prikvilt vogelbekjes vouw-
maskers wiebelogen wereld motiefpapier vensterfolie
roltongen zilverkoord taartdozen stoepkrijt loopklossen
kleurknotsen klokkwartetten kaarsenzand glow in the dark.

(p. 23)

Echter is dit, net als ‘Ars poetica’, een gedicht uit een afdeling waarin Van Tongele zelf de sleutel geeft die past op deze taalgrootspraak. Een volgend gedicht, getiteld ‘Lang zal hij leven’, begint namelijk met ‘Sinds mijn coma, waarin ik // de exotismeloze voering van / de andere zijde wezenloos onderging’ en vervolgt met ‘trilt mijn hart inniger bewogen / door elk bewegingsverschijnsel’. Wie geestelijk ‘dood’ is geweest en vervolgens de genade van de taal weer mag ervaren, wil niet anders dan ‘gedachte na gedachte in het verstaan roepen’ (‘Free kicks’), die geeft zijn ‘taalros vrolijk de sporen’ (Ju-ju’)’, vindt revalidatie pas echt een genot als hij ‘enkele minuten op de taal-/ trilplaat’ kan staan, want dat ‘is identiek aan uren/ normale intensieve training’ (‘Wordstep & Vibe’).

Lichtspraak telt 42 gedichten, ondergebracht in vijf afdelingen van ongeveer gelijke grootte: ‘Residentie Seafun’ , ‘Lang zal hij leven’ , ‘Lichamelijk heden’, ‘Plasmapolka’ en ‘Moederlief’. Van Tongele verbindt daarin zijn centrale thema van een levende taal aan betrokkenheid op de dood van geliefde naasten. In de eerste plaats is dat de angst voor de kwetsbaarheid van zijn dochter. Het betreft slechts een paar gedichten, maar door de kracht ervan is de thematiek toch dominant, te meer daar ze gespiegeld moeten worden aan de vele gedichten over ziekte en dood van de moederfiguur. De bundel opent ermee, iedere afdeling eindigt ermee en de laatste afdeling is er vrijwel in haar geheel aan gewijd.
‘De mantel van het leven ruifelt’, lezen we in ‘Doodmistig’, het openingsgedicht van de bundel, en dan mag de taal verder nog zo schuimen dat het leven in wezen iets is wat schrijnt, je in je tredmolen in zak en as doet zitten, kwetsbaar in je eigen binnenland, daarvan is Van Tongele zich maar al te zeer bewust. Als hij als dichter overleeft, zal het zijn met een gedicht als dit:

OP HET STRAND VAN OOSTENDE

Overhoop liggend,
de branding aan mijn lijf.
In elk ogenblik dat ik ophemel
rommeldebomt het fataalste.

Onder mij kraakt de schelpenschijn.

Verblind door wit geruis
raak ik wal noch kant. Kwansuis.

In hemelsnaam, wie heeft de hand
aan de jaaglijn van de wolken?

*****
Mark van Tongele (1956) bundelde in Gedichten (Lannoo|Atlas, 2005) Relikwieën van ritme (1984, ongepubliceerd), Zij gedichten (debuut, 1994), Vaderlatingen (1997), Lopend licht (2001), Ochtendrood en co (2002), Taalwaterval (2003) en Luchthonger (2004). Daarna verscheen bij Atlas nog Met de plezierboot mee (2007).
Gedichten is op internet integraal te lezen.
Zie hier voor de voortreffelijke bespreking van deze bundel door Dirk Vekemans en hier voor de recensie van Daniël Dee.