Recensie van Nu is de moen gevangen - Marten Toonder

Het was sar stomig in mijn krol

Marten Toonder
Nu is de moen gevangen
Uitgever: Personalia
2014
ISBN 9789079287444
€ 24,95
224 blz.

 
Toen Marten Toonder (1912-2005) begin januari 1986 de laatste aflevering van zijn laatste Bommelstrip publiceerde, had een jaar daarvoor Elisabeth Eybers in haar bundel Dryfsand het gedicht ‘Die bommel-ding’ gepubliceerd: ‘Iets het vandag die rus verstoor,/ ‘n sonderlinge ding’, […] // ‘n Koppeling laat die klemtoon skommel,/ sy narrenaam klink soos ‘n grap.’
Dick de Boer en Klaas Driebergen, de bezorgers van Nu is de moen gevangen. Alle poëmen van Marten Toonder laten dit onvermeld, maar zou Toonder er een uitdaging in gezien hebben zich nu ook serieus als dichter te manifesteren? In ieder geval ging hij aan de slag en publiceerde in 1987 en 1989 uit naam van markies De Canteclaer (voluit: Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt) de bundeltjes Hanezang en Vleugeljaren, bij elkaar dertig gedichten. In 1997 werden ze met toevoeging van ‘Vier laatste liederen’ herdrukt als De verzamelde poëmen. Ze openen de prachtuitgave van de mij onbekende uitgeverij Personalia uit Leens, die Jean Pierre Rawie, die het in doorwaakte nachten misschien wel betreurt geen heteroniem van Toonder te zijn, wisten te strikken voor een ludiek voorwoord.
Of inderdaad nog talloze Nederlanders regels als ‘De wind is in de bomen,/ Het regent op ‘t struweel./ Nu zal hij weldra komen:/ De zwarte Zwadderneel!’ kennen, zoals hij vermoedt? Het zou wel moeten, want die Zwadderneel is een constante bij Toonder, maar ik betwijfel het. En ik denk ook dat Rawies favoriet ‘Er is veel smurrie/ Op deze/ Kluit./ De jammer kniepert/ Mijn goesting/ Uit.’ de meesten toch onbekend zal zijn.

Het is daarom in deze eerste afdeling van het boek schatgraven, zoals bijvoorbeeld bij ‘Barlemanje’:

‘t Was grol en gloei
en slomig broei
in lure, slore stirren.
Het was sar stomig in mijn krol,
daar stunk een kwalm van schit en brol
en sloomden glome knirren.

of ‘Knar de gakker’:

Dit is de tijd van Knar, de Gakker,
die onbesnaarde, rauwe klant,
die met een botte bollenknakker
koerst door kleffend klonterland.

De afdeling ‘Overige gedichten’ bevat alles wat Toonder verder aan dichtwerk geschreven heeft, te beginnen met de negen gedichten die hij rond 1950 voor De Groene Amsterdammer schreef. Daarna volgt alles wat in de oorspronkelijke vorm uit de Tom Poes- en Bommelverhalen is op te diepen, onderverdeeld in gedichten van markies De Canteclaer (het merendeel), gedichten van heer Bommel (slechts drie, want ‘Ach, ik geloof dat ik een dichter zou kunnen zijn, als er niet altijd iets tussenkwam…’), de zogenaamde bakerverzen (vgl. de ‘nursery rhymes’) en de overige gedichten, versjes en rijmpjes uit de Tom Poes- en Bommelverhalen, gezegd door tal van verschillende personages. Zoals Terpen Tijn en journalist Argus: ‘Moe sijpt een trage stroom/ Door zware grond.’
Enkele verspreid gepubliceerde gedichten completeren deze afdeling, waarin je met regelmaat bepaalde fragmenten ziet terugkeren, ook die later in Hanezang en Vleugeljaren gebruikt zijn.
Centraal staat hier dus ook de markies, die een échte, want onbegrepen dichter is; zijn greep naar het hogere wordt niet altijd op waarde geschat:

Quisque sibi proximus

Plat is het leven, dat tiert en raast,
dat haast en jakkert naar een vormloos doel.
Dat boldert over ‘s dichters fijn besnaard gevoel;
Een ieder is zichzelf het naast.

Zacht zeeft de maan haar licht door ‘t geblaart’.
Stil is mijn hart en stil is de nacht…

De goede Joost is meer zichzelf. Zijn aandacht is voor de ander:

Kwiske sibi proksimos.
Bij de zevenboom in ‘t Savelbos
Zijn vannacht de brekels los.
Wie een ring ziet om de maan,
Moet niet naar de brekels gaan!

In de uitgebreide verantwoording bij de gedichten trof me de opmerking bij een gedicht dat buiten de uitgave moest blijven, maar hier toch geciteerd wordt. Op de bedankkaart na het overlijden van Marten Toonders tweede vrouw Tera de Marez Oyens (1932-1996) stond deze tekst:

De lucht, de zucht, de ademstoot,
de klank, de zang, de oermuziek –
dat kan, omdat het leven is, niet dood
maar sterft soms weg –
tot een klank

Zeer waarschijnlijk zijn dit regels van Toonder. Er moet in hem ook nog een heel andere dichter zijn schuilgegaan.

In het eerste van de drie afsluitende essays gaat Dick de Boer in op Toonders gedichten uit de periode 1947-’51. De archaïsmen, neologismen, natuurbeschrijvingen én de sombere ondertoon zijn er vanaf het begin: ‘Doch varzen zijn dwalmen van dommele droom,/ Die varen uit poorten van wanen/ Geladen met bargel, verzadigd van gloom/ Zij drijven de troelende tranen.’

Klaas Driebergen behandelt in het informatieve ‘Nu maar eens mijn eigen weg gaan’ de wordingsgeschiedenis van Toonders dichtbundels. Direct nadat deze begin 1986 was gestopt met de krantenstrips, richtte hij zich dus op het dichten en het is leuk te lezen welke rol zijn vrouw Phiny Toonder-Dick daarbij speelde. Zij deed veel voorwerk. Om Marten van materiaal te voorzien spitte zij alle Bommelboeken door op zoek naar verzen, dichtregels en kenmerkende uitspraken van de markies van Canteclaer en leidde hem ook naar de gedichten die hij zo’n veertig jaar geleden in De Groene Amsterdammer had geplaatst. Ook de niet onbelangrijke rol van broer Jan Gerhardt komt uitgebreid aan de orde.

In ‘Waar woorden ontbinden tot flijnen. Humor, nonsens en parodie in Toonders gedichten’, plaatst Driebergen dan nog de gedichten van Toonder in de traditie van de nonsenspoëzie (o.a. Edward Lear, Lewis Carroll, Cees Buddingh’ – Christian Morgenstern blijft ongenoemd), gaat daarbij met veel aandacht voor het gedicht ‘Barlemanje’ uitgebreid in op vormkenmerken en semantiek en geeft hem ten slotte een plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Het boek wordt afgesloten met veertien afbeeldingen van manuscripten, een literatuurlijstje en een kort overzicht van een aantal muziekbewerkingen.
De Boer en Driebergen maakten van Nu is de moen gevangen. Alle poëmen van Marten Toonder een heel compleet, heerlijk boek.
Laat het niet ten prooi vallen aan Prof. Sickbocks uitvinding van een verwerkingsmachine die onverkoopbare werken zoals gedichten automatisch tot pulp verwerkt…