Recensie van De jongenskamer - Willem van Toorn

Onderzoeken wie je bent

Willem van Toorn
De jongenskamer
Uitgever: Querido
2018
ISBN 9789021409351
€ 17,99
104 blz.

De jongenskamer is een verhaal in gedichten, waarin een oudere dichter zijn jongere ik herschept om te achterhalen wie hij lang geleden was, wie hij nu is en hoe dat zo is gekomen. Die jongere ‘ik’ staat inmiddels zo ver van hem af, dat hij hem in de derde persoon beschrijft. Je kunt de bundel lezen als een autobiografie van Willem van Toorn, maar dat hoeft niet per se: niemand kan immers met zekerheid zeggen wie hij is geweest, want het geheugen is verraderlijk onbetrouwbaar en in die zin is het verhaal exemplarisch. Een reconstructie – fictie dus – kan een middel zijn om dieper in je levensloop door te dringen. Iets dergelijks doet Georges Perec in W ou le souvenir d’enfance, in het Nederlands vertaald onder de titel W of de jeugdherinnering. Uit dit boek is het motto van de bundel afkomstig: Je ne sais où se sont brisés les fils qui me rattachent à mon enfance. (Vrij vertaald: ‘Ik weet niet wanneer de draden naar mijn jeugd zijn gebroken’).

De jongenskamer bestaat uit twee delen. Het eerste beslaat drie vierde van de bundel. De hoofdpersoon heet W, de eerste letter van Van Toorns voornaam en uiteraard een verwijzing naar Perec’s roman – naar de hoofdpersoon Winckler in dit geval, want in het boek is W een eiland. Dat eiland associeer ik met Amsterdam, dat de hele bundel door een belangrijke rol speelt. (Ook andere omgevingen hebben een wezenlijke betekenis voor de ontwikkeling van de hoofdpersoon). De gedichten over W gaan over karakteristieke momenten in zijn ontwikkeling. Ze zijn strak en helder, hebben een geconcentreerde spanning en de beschreven momenten maken de indruk de enig juiste te zijn. Waarschijnlijk is dat het gevolg van de afstand die de dichter heeft geschapen door het gebruik van de derde persoon enkelvoud, iets wat suggereert dat het gaat om de essentie, met het weglaten van toevalligheden – daar weet de dichter mij in ieder geval te overtuigen. Stukken proza (mijns inziens geen prozagedichten) leiden nieuwe perioden in. Gemiddeld zijn ze een pagina lang.
Het tweede deel heeft een ik-perspectief, vanuit de oudere dichter/schrijver die vanaf de jaren tachtig terugkijkt. Hij zoekt de jongen die hij was in de jaren van voor de oorlog – W is net als Van Toorn geboren in 1935 – tot en met de veertiger in de jaren zeventig. In dit tweede deel is hij de man die hij nog kent, de schrijver en dichter, de ‘ik’ die zich verwondert over wie hij is en hoe hij zo is geworden. Dat wil niet zeggen dat zijn zoektocht definitief tot een einde komt: ‘Je moet van tijd / tot tijd onderzoeken wie je bent, en waar // je zijn wilt (…)’ schrijft de dichter in een van de laatste gedichten.

Het is fascinerend om te zien hoe treffend Van Toorn tijdsbeelden geeft, soms in zeer weinig woorden. In de periode tussen de bevrijding en het begin van de koude oorlog heeft W’s vader, een schoenmaker die als zelfstandige niets van het communisme moet hebben, een aantal helden in een combinatie die alleen in die tijd kon voorkomen: ‘net zulke eenlingen als hij, // Domela, Churchill, de Bach van de cantates / uit de kerk die hij nors heeft verlaten, P.J. Troelstra, / Stalin en Havelaar die streed voor de Javanen // met zijn verheven woord. (…)’. Stalin in zo’n rijtje en bovendien van iemand die anti-communist is: een paar jaar later was dat ondenkbaar. Ook de inhoud van het volgende gedicht is strikt gebonden aan die paar dagen waarop het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog een feit werd.

Het vrolijkste ontbijt ooit. De radiodistributie aan
met jubelende stemmen van overal ter wereld
en W’s vader die lachend zijn ei tegen de rand
van zijn bord tikt: Jongens, nu komt er nooit meer oorlog.

Hoezo niet, vader? Omdat de Amerikanen
de keizer van Japan hebben verslagen met
een nieuwe bom zo vreselijk dat hele steden
wegsmelten in de onbeschrijfelijke hitte,

mensen, dieren, huizen, auto’s en al. Nu zal niemand
het ooit meer wagen zelfs maar aan oorlog te denken.
De foto’s later, de enorme paddenstoel boven
Hiroshima en Nagasaki, de ongetelde doden,

de verschrikking van de straling, het gerucht
dat Hitler hem ook bijna had, en Stalin.
Maar nu vreugde, feest alom, een vrede

die nooit meer zal overgaan. Witbrood uit Zweden,
koffie nog niet, geen boter maar margarine
nog op de bon maar toch. Dit is geluk.

In het eerste deel van de bundel zien we hoe het wereldbeeld van W verandert: van het eenvoudige goed en fout in de oorlog naar een belangrijk inzicht na de Hongaarse opstand in 1956, als hij misschien voor het eerst begrijpt ‘dat geen enkel regime deugt / dat systemen hoger aanslaat dan mensen.’ En het gaat verder. In het laatste gedicht van deel 1 concludeert W, als hij terugdenkt aan de jongenskamer in zijn ouderlijk huis: ‘het wordt nooit meer // zo simpel. Er is geen blauwdruk voor een beter leven / voor iedereen – er is fatsoen en het scherpe besef / te moeten doen wat de hand vindt om te doen.’ (De appel valt niet ver van de stam: niet alleen de vader, maar ook zijn zoon is thuis in de bijbel.)
In het tweede deel, als de ‘ik’ inmiddels een gevestigd schrijver en dichter is geworden, zie je dat engagement onder andere terug in zijn poëzie. Hij is op Poetry International:

De erfenis, het festival, stamde uit de jaren zestig, toen wij meenden
dat kunst en de straat niet elkaars vijanden dienden
te zijn – en dit stenen theater, deze havenstad
waren het podium geworden voor de talen

in hun meest vrije vorm. (…)

In dit gedicht geeft hij mooie citaten van Zbigniew Herbert, Joseph Brodsky, Seamus Heaney, James Fenton, Lucebert, Kouwenaar en Campert. Kouwenaar: ‘Het is een heldere dag het is een donkere wereld / tussen het groene gras is het vlees rood / de mensen laten zich breken voor brood.’ Indrukwekkend.
Het is op dit festival dat de dichter zijn huidige geliefde ontmoet. Het is niet verbazingwekkend dat zijn bij tijd en wijle turbulente liefdesleven een belangrijk motief vormt in de bundel. Zo maakt de eerste keer dat een vriendin een verkering uitmaakt een verpletterende indruk: ‘Hij leert ontsteld / dat in zijn stomverbaasde leven tot nu toe – / oorlog en al, en alle verre doden – / wat hier gebeurt de wreedste verbazing is.’ W beseft als opgroeiende jongen dat er misschien één ander ding is dat het leven even waardevol maakt als liefde en seks: lezen, ‘de andere totale / belevenis die dode gedachten uitwist.’ Ook zijn persoonlijke leesgeschiedenis, een reflectie op en de weerspiegeling van het leven, speelt door de hele bundel.
En het schrijven? W is een jaar of twaalf als hij protestleuzen op muren ziet staan tegen de arrestatie van Ratio Koster, een jonge communist, ‘in de kazerne opgepakt omdat hij / pamfletten heeft uitgedeeld tegen de vuile oorlog / in Indië, om het volk te wijzen op de misdaden // van het kapitaal (…)’. De leuzen maken grote indruk: “‘Hé jongens, Ratio Koster vrij!’ Het staat op muren gekalkt in West, de witte letters uitgedropen over grauwe baksteen. De eerste keer dat W ervaart dat opgeschreven woorden een stem hebben, kunnen schreeuwen.” Ook het dichten wordt een middel tot onderzoek naar wie je bent – deze bundel is daar een gelukkig gevolg van. Opvallend is dat omgevingen in die zoektocht een belangrijke rol spelen. W in het eerste deel:

Verander je ook zelf, en hoe dan wel, als je van plaats
verandert? Wie was je, en is wie je hier wordt
nu wie je werkelijk bent? Of laat je bij elke afslag
van je pad weer mogelijke levens achter

die je nooit meer kunt leiden, van een man
die je ook had kunnen zijn? (…)

In het tweede deel verbindt de dichter deze vraag met het dichterschap:

Ontstaat misschien zo in een kind woordlust
voor een leven lang – door zo diep te ervaren
dat er meer landschappen bestaan en talen
dan de vroegste, dat geen plek volmaakte rust

kan bieden, zodat het kind een passant
moet worden in steeds nieuwe gebieden,
luisterend naar woorden, taalmuziek, tongval

van vreemde tantes en vertellers, de verhalen
van voor de tijd begon, voordat de vaders
en moeders met name genoemd waren.

In Amsterdam West, in de jongenskamer van W en zijn twee broers, ‘het eigen hol van gelach en hees gefluister’, begon dit alles. W vond er veiligheid, hij praatte met zijn broers over hun ‘prille zekerheden’, ‘luistert huiverend’ als zijn oudere broers praten over ‘meisjes vrouwen, haar / dat ze overal hebben, net als de broers, maar W nog steeds maar niet’. Gedachten op verschillende momenten in de tijd laten zien dat de afstand tot de jeugd groter wordt, tot alles definitief voorbij is, zoals blijkt als een ‘toegewijd lezer’ een wandeling organiseert door ‘de onder woorden / gebrachte stad (…) die wereld van W.’ De woning is een wasserette geworden. In zijn ontroering schemert de door Van Toorn bewonderde Kopland door: ‘Dezelfde granieten vloer, tranen / meldden zich, in plaats van de jongenskamer wasautomaten, maar // nog wel de glazen duren naar de stadstuin’. De jeugd, het oude Amsterdam is verhaal geworden. De nieuwe stad herkennen zijn geliefde en hij niet meer. Het is niet voor niets dat zij naar Frankrijk vertrekken: ‘Later in die jaren ontgroeiden wij de stad / als industrie, als pretpark, het gestaag groeiend geweld / van het idee dat alles voor geld te krijgen was in / de ware stad van ons.’

In W ou le souvenir d’enfance wordt het jongetje niet gevonden. Als De jongenskamer een autobiografie is, geldt dat dan ook voor Van Toorn? Alleen hijzelf kan daar antwoord op geven, maar voor mij doet het er niet toe. Sterker nog: ik wil het niet weten. Van Toorn misschien ook niet, tenminste niet voor altijd. ‘Geef mij maar een vraag en geen antwoord’, zei Kopland. Dit citaat vinden we ook terug in deze knappe en ontroerende bundel.

Recensie van Bezweringen - Willem van Toorn

Als je niet beter wist

Willem van Toorn
Bezweringen
Uitgever: Querido
2013
ISBN 9789021447490
€ 17,95
64 blz.

Willem van Toorn (1935) is de auteur van een omvangrijk en vooral ook veelzijdig oeuvre, dat romans, verhalen, gedichten, essays, toneelteksten, jeugdboeken en veel vertalingen omvat. Voor het proza ligt met de novelle De explosie het startpunt in 1959 (er zouden nog ongeveer twintig titels volgen, met nominaties voor de AKO Literatuurprijs en voor de Libris Literatuur Prijs, het kinderboek Rooie was in 2002 goed voor een Zilveren Griffel), als dichter debuteerde hij een jaar later met Terug in het dorp. Naast veel bibliofiele uitgaven verschenen er daarna zo’n vijftien reguliere bundels, waarvan Het landleven (1981) werd bekroond met de Jan Campertprijs en Eiland (1991) met de Herman Gorterprijs; voor zijn gehele dichterlijk werk ontving hij de A. Roland Holst-penning 2000. Twee keer werd zijn poëzie verzameld. In 1977 verscheen Herhaalde wandeling. Gedichten 1960-1975 en in 2001 Gedichten 1960-1997. Daarna verschenen nog Het stuwmeer (2004) en De hofreis (2009), dat blijkens een grappige opmerking op het achterplat van Bezweringen, de nieuwe bundel, ‘wegens succes herdrukt’ werd.

Met een schrijverschap dat veel meer dan een halve eeuw omspant, is Van Toorn een schrijver die er altijd geweest lijkt te zijn. Nooit heel prominent aanwezig, niet spectaculair, maar degelijk, beheerst, ambachtelijk. Het type Bernlef, maar dan zonder het succes van diens ene onverbiddelijke bestseller. Een beschouwende auteur, die graag op afstand gaat staan, terugtreedt, ruimte biedt. Dan kun je vereeuwigen, vastleggen, en bewaren, drie ‘bewegingen’ die in beschouwingen over zijn werk als constanten worden aangewezen.

Bezweringen zou je kunnen typeren als een ouderdomsbundel. Wie 77 is ontsnapt niet aan confrontaties met de dood van al degenen die je overleeft en zal bovendien voor wat het eigen leven betreft bereid zijn de dood meer en meer in zijn schuilhoeken te gaan opzoeken. Van Toorn doet er in een prachtige bundel op een uiterst vitale manier verslag van en weet daarbij op een bewonderenswaardige manier het expliciet persoonlijke zo te presenteren, dat de lezer zich nooit een indringer voelt; hij mag ervoor kiezen betrokkene te zijn.

Hoe toegankelijk de gedichten ook zijn, ze dragen iets gereserveerds mee en krijgen hun helderheid pas als ze ontsloten worden. Dat is geen kwestie van analyse en interpretatie, maar vanaf de juiste afstand lezen, waarnemen en delen. En dat delen betreft dan niet in de eerste plaats het leven van de dichter Willem van Toorn – als het hem daarom te doen was geweest had hij dagboekbladen moeten publiceren – maar ons eigen leven: lezing van deze bundel tilt je eigen bestaan even boven zichzelf uit, maar wel in het besef net als de dichter alleen te staan.

Bezweringen is mooi opgebouwd, beginnend met de afdeling ‘Dodendans’, waarin heel wat doden aanwezig zijn. Min of meer verre, zoals collega-dichters en zeer nabije: vriend, zuster, broer, schoonzusters. Tien zijn het er, met name genoemd, of anders wel in de aantekeningen van hun identiteit voorzien. De doden moet je kennen. Maar alvorens ze aan de beurt komen, zijn er eerst de kalme, beschouwende najaarsgedichten van de cyclus ‘Bentlage’, vier gedichten rond en vanuit een oud Duits klooster, die in hun samenhang de opbouw van de bundel spiegelen.

Bentlage

1

Zetstukken van de herfst in beeld geschoven
waar je maar kijkt: wijnrode muren van hoeven,
vergulde akkers, dwarrelend blad. Hoe slim

je ook over je schouder spiedt – nergens verkeerde
schaduwval, geen naad te zien
waar een kier is geplakt. Je loopt erin.

Theater vroom van najaar. Scherp
tot in de verste diepte. Maar een vermoeden
van iets hoogst ongeziens waar je haast U
tegen zou zeggen als je niet beter wist.

Het klooster door een oude kinderhand
uitgeknipt wit tegen de achterwand.

Hier nog geen spoor van de dood, maar met het leven is wel iets bijzonders aan de hand. Landschap en gebouwen worden beschreven als ‘Zetstukken’, als ‘Theater’-decor, perfect gemaakt, levensecht opgesteld. ‘Je loopt erin’, zegt dan de waarnemer en dat is een omineus regeltje. Enerzijds zegt het kijk, dit is de tijd en de plaats van je leven, dit is de volmaakte gemaakte wereld waarin je bestaat, geloof er maar in, maar tegelijk maakt het duidelijk dat de ‘je’, hoewel het weinig scheelde, er juist niet in loopt, zich niet laat begoochelen. Even riep die ‘volmaakte’ wereld de gedachte op aan de te veronderstellen schepper ervan, ‘iets hoogst ongeziens waar je haast U/ tegen zou zeggen als je niet beter wist.’ Maar hij weet wél beter. Zo’n U (het lijkt Koplands ‘Gij’ wel) is er niet en het is een façade die de echte wereld verbergt.

Niet voor lang, want al in het volgende gedicht roept in het Duitse laagland een kinderoptocht op Allerzielen – ‘Ruh’n in Frieden alle Seelen’ – een regel van Dylan Thomas op: ‘death shall have no dominion‘. In de laatste regels vraagt de ‘je’ zich af of de kinderen er wel zijn en het niet het zingen is ‘van de stoet lieve doden in ons hoofd, of van U?’ Opnieuw wordt ‘U’ dubbel gebruikt. Het zou de lezer kunnen zijn, maar ook die niet bestaande schepper uit het eerste gedicht of degene die hij in het derde gedicht tijdens wandelingen in dit geestrijke landschap had kunnen ontmoeten. Maar ‘U blijft hier buiten beeld en ongezegd.’

In het laatste gedicht van de cyclus staat hij voor de kast met relikwieën, opgesierde knekels die de Dag des Oordeels afwachten. De levende bezoeker die hij is vlucht naar buiten, waar de mist optrekt en mens en natuur (het veld, paarden, bomen, vogels) hun plaats krijgen en waar hij zichzelf voorhoudt: ‘Pluk de dag/ die voor je ligt zolang het duren mag.’

Helemaal aan het eind van de bundel, als we door heel veel dood zijn heen gegaan, keert de dichter terug naar het  Duitse land. Het is winter, hij reist per trein en ziet achteruit rijdend, en bijna als in een filmbeeld, een kromgebogen oude vrouw staan. Op hetzelfde moment krijgt hij een bijna visionair beeld van een lentelandschap (een wolk van bloesem, zwaluwen, vlinders, terugkerende kraanvogels) waarin ook de vrouw zich verjongt: ‘Zij recht haar rug/ en knoopt de omslagdoek glimlachend los.’
‘Een voorjaar’ heet het slotgedicht en behalve dat dit een verwijzing is naar het cyclische karakter van het leven, benadrukt het de onvoorwaardelijke keuze voor het leven die het leven (bijna) altijd maakt. Koste wat kost.

Na de Bentlage-cyclus start Van Toorn met ‘Amstelpark met gezelschap’ dan zijn dodendans, zij het dat hij het hier nog algemeen houdt. Hij zit in het genoemde park en stelt zich, ongetwijfeld ingegeven door het aangrenzende Zorgvlied, ‘het grote verdwijnen’ voor.

[…]
Ik schilder voor jullie maar
met mijn kinderhand van taal
dit déjeuner sur l’herbe.
Daar zitten we allemaal,
jullie zo dood als een pier,
maar luid als een vrolijke schoolreis.

Ik stel niemand voor, jullie kennen
elkaar uit dat hoof van mij,
mijn doden van plezier.
[…]

Hij is er alleen, een wandelaar ging al verder, al wordt deze ook meteen vastgezet in het gedicht, dat eindigt met: ‘Landschap waar ons leven in was -/ nu onder een stolp tijdloos.’
Dan volgen de concrete, betreurde doden, onder wie Herman de Coninck (misschien wel de vaakst herdachte dode uit de moderne Nederlandse literatuur), Hans Faverey (in ‘Ars moriendi’, een indrukwekkende tekst), Guillaume van der Graft en Cor Jellema, die hij graag in verband brengt met dit Rilkecitaat: ‘Wie soll/ ich meine Seele halten, daß sie nicht// an deine rührt‘.

Soms is Van Toorn onbarmhartig expliciet en weigert hij het particuliere te transformeren tot iets wat boven de beschreven tijd en plaats verheven is. Dat mag, als hij daar nog behoefte aan heeft, de lezer zelf doen.
Over vriend Erik, ‘de laatste bedachtzame spreker’, schrijft hij:

[…]
Dus na alles wat hij had geleden –
een nier vervangen, zijn lever –

en nors maar hoffelijk doorstaan,
moest de kanker in zijn tong, die sneden
ze half weg zodat hij alleen nog
grommen kon als een beest.
Hij, spreker van helderheden,

Ik kwam langs. Hij stonk naar de dood.
Kwijl op zijn hemd. Vergeef me,
maar wat helpt het als ik het niet zeg.
Ik zat bij zijn bed. We zwegen

[…]

In de betrekkelijk korte afdelingen die volgen, wordt de dood op een andere manier benaderd. Zo loopt in enkele gedichten uit ‘Een winter in Le Petit Jouhet’ tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog Ernst Jünger rond, ‘wrange dodenmeester// uit Duitsland’, en gaat de ik in het winterlandschap op in zijn herinneringen, aan leven dat voorbij is.
In het vijfde en laatste gedicht komt het ‘iets’ terug dat we kennen uit ‘Bentlage’. Van Toorn beschrijft o.a. hoe een oude beuk wordt ‘ontmanteld’ en zegt dan: ‘Gat in het uitzicht straks. Iets heeft de keus/ gemaakt tussen wat gaat en wat nog even duurt.’ Alsof hij zegt: daar heb je het mee te doen.

De gedichten uit ‘Images’ werden geschreven naar aanleiding van enkele boeken (o.a. het bekende Montaillou), een bezochte basiliek en een schilderij, alle met de dood als thema. Het sardonische gedicht bij Der Tod als Kriegsknecht umarmt ein Mädchen van Nicolas Deutsch (1517) is een van de hoogtepunten van de bundel.

De slotafdeling is getiteld ‘Naar het leven’. Daarin o.a. een mooie beschrijving van de zo levende portretten van Frans Hals, maar ook een haast liefdevolle evocatie van een ontmoeting-op-afstand met Remco Campert. Hij leeft, en je zou hem, net als Van Toorn, een blijvend voorjaar wensen.
Dit is een bundel naar mijn hart.

Recensie van De hofreis - Willem van Toorn

Poëzie Kort: Nooit echt voorbij

Willem van Toorn
De hofreis
Uitgever: Querido

ISBN 9789021435374

blz.

Na Gedichten 1960-1997 verschenen van Willem van Toorn in 2004 Het stuwmeer en in februari van dit jaar De hofreis. Landschappen en het verglijden van de tijd speelden altijd een belangrijke rol in Van Toorns poëzie, zo ook in zijn nieuwste bundel, die vernoemd is naar de afsluitende reeks ‘De hofreis’ (blz. 53-62), geschreven voor een tentoonstelling te Leiden over Nederlanders in het oude Japan.

Ook typerend voor Van Toorn: een elegante stijl waarbij effectief gebruik wordt gemaakt van enjambement en halfrijm (assonantie). Die stijl zorgt ervoor dat deze gedichten wonderlijk soepel lezen en daarmee een uitbeelding zijn van hun eigen inhoud: het bijna achteloos verstrijken van de tijd. Ze laten een weemoedig gevoel na, maar elke keer dat je ze leest, zijn ze weer even prachtig. Stukjes tijd vastgelegd in zachtjes meanderende poëzie, dat is het knappe aan dit klassiek klinkende werk.

De dingen zijn nooit echt voorbij, zolang je ze kunt herbeleven. Je kunt bij Willem van Toorn telkens weer in het verleden stappen en zo de zoete pijn proeven van vergankelijkheid vermengd met hoop. Van ‘de vraag of leven ook wel / kan zonder hoop, alleen met wat bestaat’, zoals het slotgedicht uit de bundel expliciet vermeldt. En mocht het antwoord op deze filosofische vraag ja zijn, dan is er altijd nog de hond om mee te spelen.

Thuiskomst

De hond bij de voordeur roerloos, te geschokt
van weerzien, ruiken, horen om zelfs maar
te kwispelen. Staart omlaag. Likken komt later.

Door kamers vol afwezigheid, de holdall
halfopen op een stoel, cognac, het reisdagboek
ongebruikt leeg op tafel. Het is nu zaak
vrienden te bellen, boodschappen te spreken
van terugkeer na de piep: Ik ben er weer. Maar eerst
stilte. Stilte. De vraag of leven ook wel
kan zonder hoop, alleen met wat bestaat. De hond
zit doodstil tegenover je, oren gespitst en legt de bal
zacht jankend aan je voeten.
 

Querido, 64 blz., € 16,95. ISBN 9789021435374