Poëzie Kort 2016 / 6

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.), Ik proef iets wat bedorven is.

Door Hans Puper

De samenstellers van de bloemlezing Ik proef iets wat bedorven is willen laten zien dat het een misverstand is hekeldichten uitsluitend als light verse te beschouwen, want ze kunnen ook ‘groots, ernstig en complex’ zijn. En dat is natuurlijk niet hetzelfde als nobel: ze kunnen tegelijkertijd vals, leugenachtig, incorrect of ronduit smerig zijn. Het dieptepunt wordt gevormd door een weerzinwekkend anti-semitisch gedicht van de nazi Georg Kettmann uit 1941. De samenstellers motiveren die keuze door te stellen dat, als je volledig wilt zijn, een ethisch oordeel geen bruikbaar criterium is voor de selectie van hekeldichten. Ik ben dat met hen eens. De ethiek komt door de achterdeur echter weer binnen, doordat zij één zo’n voorbeeld genoeg vonden en dat waardeer ik. Alle andere opgenomen gedichten, hoe vals of leugenachtig ze soms ook zijn en hoeveel ergernis ze ook kunnen opwekken, blijven binnen de grenzen van het voorstelbare.

De samenstellers blijken de definitie van hekeldichten erg ruim te nemen en daardoor houden zij de misvatting van light verse ten dele in stand . Een voorbeeld is het gedicht ‘Raad’ van Annie M. G. Schmidt over het advies van een moeder geen dichter als man te nemen: ‘zo een wordt er ook met de jaren / niet monogamer op …’ . ( … ) ‘Neem liever de kruidenier, dochter. / Want alle tederheid die bij hem / uitstijgt boven de kersenjam / en boven de kleine zakjes blauw, / dochter, is altijd voor jou’. Ik kan dat met de beste wil ter wereld geen hekeldicht noemen, hoe geweldig ik het ook vind. ‘De’ kruidenier in plaats van ‘een’. Prachtig.

Een echt hekeldicht komt voort uit heftige verontwaardiging, woede, haat of minachting, soms zelfs alle vier tegelijk. Jan Greshoff schreef in al in 1932 het ‘Wiegeliedje’ over de nazidreiging. De eerste strofe:

Kleine S.A.-man, slaap zacht,
Hitler houdt immers de wacht;
Voor hém heb je pas in het holst van den nacht
Een zoodje marxistische joden geslacht:
Kleine S.A. – man, ’t gaat goed,
Geen betere meststof dan bloed.

Het zou me niet verbazen als dit gedicht, waarin iedere strofe begint met dezelfde regel, ten grondslag ligt aan de tekst van ‘Welterusten Meneer de president’ van Boudewijn de Groot.

Het is niet verwonderlijk dat het aantal hekeldichten toeneemt naarmate we dichter bij onze tijd komen: we hoeven maar aan de scheldpartijen op Facebook te denken – over kwaliteitsverschillen heb ik het hier natuurlijk niet.

De gedichten zijn ondergebracht in afdelingen. De meest venijnige vind je in ‘Tegen poëzie en de literaire wereld’ en ‘Tegen dichter X’. Je krijgt een beeld van collega’s die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en als verschijnsel is dat boeiend om te lezen. Afgunst neem soms zulke kleinzielige vormen aan, dat een hekeldichter zichzelf effectief de grond in boort. Neem Jan Kal, die jaloers was op H.C. ten Berge, omdat deze kennelijk meer subsidie kreeg dan hijzelf – het gedicht stamt uit 1997. ‘Hij zat op 38 000 gulden, / Ik op een twaalfde: 3200.’ Dat kwam natuurlijk doordat de geldgevers snobisten waren, anders hadden ze hem wel ruimer bedeeld. De laatste strofe van onze caberateske sonnettenbakker: ‘Ik ben geen epigoon van Ezra Pound / maar heb, net als The Voice, mijn eigen sound. / En ik dicht duidelijk. Dat is het erge.’ Jan Calimero.

Een aantal dichters reageert op hekeldichten van anderen. Je kunt ook zelf gedichten met elkaar in verband brengen. Zo zegt Marc Tritsmans in een hekeldicht tegen de dood dat die ‘hebberig naar alle / lijven graait en vergeet waar / het echt om draait’. Het lijf is slechts overbodige ballast. In de laatste strofe zegt de dichter: ‘Povere / mislukkeling: precies hetgeen je / hebben wilt ontsnapt je elke keer.’ Dat gedicht zou je kunnen laten volgen door eentje van Leopold uit een andere afdeling. Hij onderscheidt twee soorten mensen: ‘intelligente mensen zonder vroomheid / en vrome mensen zonder intellect.’

***

Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde (red.) (2016). Ik proef iets wat bedorven is. Uitgeverij Passage, De doos van passage, 109 blz. € 19,90


Jan Fabre,
Restanten

Door Lennert Ras

Jan Fabre exposeerde onder andere in het Louvre in Parijs en is bekend om zijn performances en theaterwerk.

Restanten is een ode aan de droom, meer in het bijzonder de nachtmerrie. De droomwereld is misschien te verkiezen boven de dagelijkse wakende staat, ‘omdat ik de droomreizen in mijn droomwereld / veel spannender en plezieriger vind / dan de harde realiteit / (van een theatervoorstelling).’ Fabre is een slechte slaper.

In de bundel maakt hij gebruik van de herhaling en ook speelt hij met spreekwoorden en gezegdes. Hij schuwt de seksualiteit niet en het Oedipuscomplex komt voorbij. ‘Zoals elke zoon zijn moeder penetreert / in zijn kwellende maar vanzelfsprekende droom.’ In zijn droom grijpt de verteller zijn prooi.

Op de achterkant van de bundel staat een gedicht uit de bundel afgedrukt: ‘onthoofd me / zodat ik kan slapen / eeuwig / want ik heb veel minder angst / voor de dood / dan voor het altijd wakker zijn.’

De bundel heeft een spirituele inslag. De droom is geschreven in een vergeten taal en brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid. Het is een dromerige bundel, maar ook hard. De droom spaart je niet. Ze beschrijft Fabres worsteling met de slaap.

De bundel werd geschreven met het oog op Mount Olympus, een ambitieus project waarin dertig jaar theater maken samenkomt. Mount Olympus brengt een brok geschiedenis aan de hand van verhalen en figuren uit de Griekse tragedies. Toch lijkt de Griekse oudheid geen overheersende rol te spelen in de bundel. Alhoewel de verteller het wel heeft over zijn favoriete Griekse componist. Voor mij refereert de inhoud van de bundel eerder aan de indianen met hun dromenvangers.

De bundel heeft soms een filosofische ondertoon. Want wanneer leef je nu echt? Tijdens het waken of tijdens de droom? De bundel schudt wakker, zet aan het denken en doet verlangen naar de belevingen in de remslaap.

***

Jan Fabre (2016). Restanten. De Bezige Bij, 96 blz. € 18,90

Anja Jager en Margreet Schouwenaar, Warm van vacht

Door Hans Puper

Warm van vacht bestaat uit een serie van dertien miniaturen van Anja Jager en de gedichten die Margreet Schouwenaar daarbij heeft gemaakt.
In het colofon staat dat Jager een middeleeuwse schildertechniek heeft gebruikt, ei tempera. Ze doen dan ook denken aan de verbazingwekkend rijke kunstwerkjes in 13-eeuwse handschriften, bijvoorbeeld de Arthurromans. Die zijn echter zeer ingetogen, in tegenstelling tot deze miniaturen: die zinderen van erotiek door de niets verhullende kleding en de vorm van bladeren. Het contrast met onschuldige poppen of beertjes onderstreept die erotiek nog. Een overeenkomsten met de middeleeuwse hoofse miniaturen is de sprookjesachtige sfeer.
De bundel is een ode aan de liefde: ‘als spel, als jagen, als dromen en verboden vrucht’. En liefde is natuurlijk geen liefde zonder verdriet. In ‘Mijn lief is mijn lief niet meer’ leidt dat niet tot passiviteit: ‘Ik zal hem nooit meer vinden / dan waar hij zich naliet, maar meer zal ik / worden dan zijn ontbreken.’ Mooie regels.

In ‘Liefste zei hij’ speelt Schouwenaar een elegant spel met taal en werkelijkheid. Er is de beschreven werkelijkheid en er is de talige van het gedicht. De ‘ik’ stelt zich een beeld voor: het eerste woord op een onbeschreven blad van de liefde te zijn. Haar liefde wordt werkelijkheid: ‘Liefste’ zei hij, ‘liefste!’ En ik was het.’ In de talige is werkelijkheid is ‘Liefste’ ook in concreto het eerste woord.
Mooi is ook de paradox in de derde strofe: ‘pluk [de liefde] met geen / woord. Laat haar vallen als fruit.’ Maar het woord – dit gedicht – brengt de liefde wel degelijk tot leven.

‘Liefste’, zei hij. ‘Liefste.’
En ik wilde de liefste zijn
als een eerste woord
op een wit blad, als
milde regen na een droge
dag. ‘Liefste’, zei hij,
‘liefste!’ En ik was het.

Ik was de kom van handen
waaruit water liep, de muziek
van wilde wind en mals blad.

Maar van woorden was ik niet.
Ik aarzelde zelfs om te spreken.
Spelen wilde ik en van het wikken
zocht ik de wegen.
Wek de liefde niet voor zij wil
ontwaken, pluk haar met geen
woord. Laat haar vallen als fruit,
vochtig door de lippen van de dauw.
Hoe ze zingt: voor jou, voor jou.
Alleen voor jou.

Ik doe beiden tekort door alleen een gedicht te citeren, want de gedichten en miniaturen geven elkaar glans. Koop de bundel, zou ik zeggen. Het zou mooi zijn als er een expositie werd georganiseerd waarin miniaturen en gedichten paarsgewijs werden opgehangen. En als ik conservator was, zou ik in de expositieruimte nooit meer dan dertien personen tegelijk binnen laten, zodat niemand wordt gestoord door hinderlijke mede-bewonderaars.

***

Anja Jager, miniaturen en Margreet Schouwenaar, poëzie (2015). Warm van Vacht. Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 34, 40 blz. € 18,95. (NB Op de titelpagina staat dat de bundel is uitgegeven in 2015, in het colofon wordt 2016 vermeld).

Dirk Kroon, Verzamelde liefdesgedichten

Door Hans Puper

De Verzamelde liefdesgedichten van Dirk Kroon (1946) beslaan een periode van vijftig jaar: 1965 – 2015. De bundel bestaat uit twee gedeelten: over liefde in het eerste deel van het leven en over liefde in het tweede. In het eerste tref je regels aan als ‘[wij] worden verslonden /door de vogelspin liefde’. In het tweede niet meer, dat is overwegend reflectief: de dichter kijkt terug, vraagt zich af wat liefde in de herfst van het leven betekent en welke rol de dood daarin speelt.

Kroon is het best als hij eenvoudig schrijft. (Voor de goede orde: dat is iets totaal anders dan simpel). Een gedicht waarin de ‘ik’ zich voorstelt dat hij tegen zijn geliefde blijft praten als zij dood zal zijn, is vertederend – of schrijnend, dat hangt af van de ervaringen van de lezer:

Afspraak

‘Als je dood bent,
blijf ik met je praten.
Niemand zal het horen,
maar ik zal vragen:
Vind je deze schoenen mooi,
of zal ik die andere nemen?
De verkoopster zal het paar inpakken
dat jij gekozen hebt.’

Het gaat niet altijd goed met de gedichten. ‘Wakker wordend kijkt ze zeer bestraffend / naar degene die haar durfde wekken, / een half oog kijkt verkennend op hem neer’ schrijft hij in ‘Straf’. Maar is het niet zo dat je klaarwakker moet zijn om bestraffend naar iemands gedrag te kijken? En kun je zowel bestraffend kijken als met een half oog op iemand neerkijken?
Bovendien maakt een gedicht soms de indruk het resultaat van moeizaam maakwerk te zijn, zoals ‘Osmose’. Achterberg zal hem op het idee hebben gebracht: hij schreef een gedicht met dezelfde titel. Voor het begrip van Kroons gedicht is het voldoende te weten dat het bij osmose om een dun vlies gaat dat wel een vloeistof doorlaat, maar niet de daarin opgeloste stoffen. De doorstroom duurt net zolang tot de concentraties van de opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk zijn. Hij gebruikt in de eerste strofe het volgende beeld: ‘De werkelijkheid is slechts een vlies / met eigenschappen die wij zelf / niet kunnen maken.’ Maar als de werkelijkheid wordt voorgesteld als ‘slechts een vlies’, dan valt al het andere daarbuiten. Dat beeld klopt niet. Waarschijnlijk bedoelt Kroon dat zo’n vlies voor de geliefden realiteit is.
In de tweede strofe beschrijft hij de richting waarin de vloeistof – liefde? – stroomt: ‘ik kom dan wel in jou terecht / maar jij vloeit nimmer in mij over.’ Het beeld is duidelijk, maar het heeft – bedoeld of onbedoeld – een seksuele connotatie en dat maakt het beeld bizar.

Het is een hachelijke onderneming om een bundel te vullen met zo’n 120 liefdesgedichten, want je moet van zeer goeden huize zijn om de lezer steeds opnieuw te raken. Het is Kroon niet gelukt, maar verwonderlijk is dat niet: het is voor weinigen weggelegd.

***

Dirk Kroon (2015). Verzamelde liefdesgedichten. – het is nooit volmaakt – . Uitgeverij Liverse, Bordeaux-reeks nr. 35, 144 blz. €14,95