Recensie van Alle gedichten - Hans Verhagen

Nevengeschikte tegendelen. De kern van Verhagens poëzie

Hans Verhagen
Alle gedichten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2017
ISBN 9789038801827
€ 45,00
752 blz.

In juli verschenen Alle gedichten van Hans Verhagen. De bundel bevat meer dan 700 pagina’s en lang niet alle gedichten geven zich snel prijs, ze hebben veel tijd van de lezer nodig. Hoe doe je Verhagen recht? Ik zou een literair-historisch overzicht kunnen geven: zijn betrokkenheid bij Gard Sivik en De Nieuwe Stijl  in de eerste helft van de jaren zestig, samen met Armando, Hans Sleutelaar en Cor Vaandrager; de herleving van de Romantiek in de tweede helft van de jaren zestig en zijn rol daarin; de waardering van zijn poëzie door de jaren heen, et cetera. Maar is dat handig? Erik Brus heeft al een mooi overzicht gegeven van zijn leven en werk tot en met zijn laatste bundel Zwarte gaten (2008) en ik ga dat niet dunnetjes overdoen, want al schreef Brus zijn artikel na de ontvangst van de P.C. Hooftprijs in 2009, het is nog actueel. Na de uitreiking van de prijs schreef Verhagen alleen nog de cyclus Implosie, ook uit 2009. Zijn vertalingen zijn ook opgenomen: Whitman/Verhagen – De slapers. Die stammen uit 2005.
Ik kies ervoor Verhagens volledige werk te karakteriseren aan de hand van ‘Ik ben de maker’, het eerste gedicht van de bundel Autoriteit van de emotie (1992). Hiermee kan ik de constanten laten zien. Op de ontwikkeling van zijn werk ga ik later in.

Het is een programmatisch gedicht: het gaat vooraf aan het motto – waarover later – en acht cycli:

Ik ben de maker

Ik ben de maker niet van het gedicht,
maar zo ontvankelijk mogelijk
d.w.z. van elke tedere connectie ontdaan sta ik
totaal ter beschikking van wat zich tot mij richt –
als een snaar doortrillende dit tijdsgewricht
registreer ik de akkoorden.
ik ben de verwoorder.

Ik ben de behoeder niet
van angst, pijn, verlangen –
wel ben ik de ontvanger.
Verliefd zijn is voor mij ambtshalve bezigheid,
een dichter zelf kan niet van iemand houden;
bespaar me dus uw te persoonlijke aanhankelijkheid –
een dichter heeft geen tijd voor poëzie.
Bovendien, ik ben je moeder niet.

ik ben de hoogste autoriteit van de emotie,
maar mijn eigen hart kent het verlangen niet.
Verwar het niet met angst en beven als ik tril –
ik transformeer alleen het huilen van de wolven
tot een lied. Ik ben de vertolker van het leven,
maar zelf leven doe ik liever niet.

Het eerste wat opvalt  in dit gedicht zijn de tegenstellingen. Ik ga op de eerste in: de titel ‘Ik ben de maker’ tegenover ‘ik ben de maker niet’ in de eerste regel. Hij is zichtbaar de maker: als je het gedicht zorgvuldig leest, zie je dat er een ambachtsman aan heeft gewerkt – kijk alleen naar het logische verloop van de precisering des dichters identiteit. Aan de andere kant staat hij ‘totaal ter beschikking van wat zich tot [hem] richt’: het gedicht lijkt  zichzelf te schrijven. Hij voegt zich daarmee in een Romantische traditie: de grote Bilderdijk (1756 – 1831) beweerde bijvoorbeeld dat zijn verzen hem rechtsreeks door de Allerhoogste werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met zijn kroontjespen, net als Verhagen ‘zo ontvankelijk mogelijk’. Hij verhulde daarmee dat ook hij wel degelijk een maker was: bevoorrechte fans waren hevig teleurgesteld toen zij tot de ontdekking kwamen dat zijn handschriften vol doorhalingen zaten. Het irrationele wordt bij beiden in toom gehouden door de ratio.
Soms moet je dat registreren letterlijk nemen. Net als andere neo-realisten in de jaren zestig schreef hij ready-mades – niet veel, trouwens. Bekend zijn de drie cycli ‘Kanker’, ‘Cancer’ en ‘Krebs’ uit Sterren Cirkels Bellen (1968). Je zou zeggen dat de maker hier afwezig is, maar dat is niet zo. In dit geval is hij een arrangeur: door een paar zinnen uit een voorlichtingsfolder over kanker te isoleren en te presenteren als een gedicht, krijg je een luguber neveneffect, waarvan de schrijvers van de tekst zich ongetwijfeld niet bewust zijn geweest:

Door het rituele voorschrift
van de besnijdenis bleven
in de loop van duizenden jaren
ontelbare joden gespaard
van een vreselijk lijden.

Tegenstellingen zie je op allerlei niveaus in Verhagens werk. Ze vormen zo’n belangrijk onderdeel van zijn poëzie, dat ze zelfs in enkele titels voorkomen: Rozen & motoren (1963), Echoput & luchtkasteel (1995). Sterker nog: ze vormen de kern van zijn poëzie. Essentieel is dat de tegendelen altijd gelijktijdig aanwezig zijn. In zijn eerste bundel gaat de romantiek, ironisch getypeerd met het cliché ‘rozen’, hand in hand met het snelle, moderne no-nonsense leven dat de dichters van Gard Sivik willen weergeven. In zijn interview uit 2003 met Ischa Meijer zegt hij daarover: “Die wrijving tussen twee polen, dat is waar alles uit voortkomt. Mensen zijn geneigd in één richting te denken. Ze geloven in de opbouw, maar het verval willen ze elimineren, maar gelijk met de opbouw vindt er de afbraak plaats. In feite zie ik het als één beweging, het gebeurt allemaal op één moment. In m’n gedichten wordt die synchroniciteit opgewekt door die verwisselingen: ‘Ik die bouwen zou, zal ontbonden worden.’ De ene regel ontleent de andere. […] Het is een weergave van het proces van het leven.”

Terug naar het gedicht. Je ziet zulke nevengeschikte tegendelen nog op een andere manier. De dichter noemt zich de hoogste autoriteit van de emotie, maar zegt zelf niet emotioneel te zijn. Een dichter heeft wel wat anders te  doen; hij moet emoties vertolken, voelbaar maken voor de lezer: ‘ik transformeer alleen het huilen van de wolven / tot een lied.’
Maar op dit gedicht volgt een motto, dat hij opdraagt ‘aan Conny (1941 – 1986)’. Het is een citaat uit zijn gedicht ‘Zo simpel is het …’ uit Duizenden zonsondergangen (1971):

‘Jij bent de waarheid
waar ik ben
de tijd staat stil
de klok verstrijkt
en wij zijn altijd samen’.

Conny Tavenier was zijn jeugdvriendin en eerste vrouw. Op een gegeven moment kon hij met haar niet meer samenleven en zonder haar kon hij ook niet – de tegenstellingen in zijn poëzie komen niet voort uit maakwerk, dat blijkt ook hier weer uit. In 1986 pleegde zij zelfmoord na een lange lijdensweg van psychoses.
In de laatste regels van het gedicht zegt hij: ‘Ik ben de vertolker van het leven, / maar zelf leven doe ik liever niet.’ Is het leven te pijnlijk? Zegt hij daarom ‘liever niet’? Is hij een huilende wolf die zijn particuliere emoties transformeert tot die waarin lezers zich herkennen? Op die manier is hij zowel vertolker van zijn leven als van ieders leven. In zijn meeste bundels is dat zo, al overheerst het biografische soms teveel, waardoor gedichten onbegrijpelijk worden.

Ook humor is een essentieel onderdeel van zijn werk. In de regel ‘Bovendien, ik ben je moeder niet’ relativeert hij datgene wat hij zegt. Hij maakt het minder zwaar; enkelen zullen zeggen: hij zet alles op losse schroeven. Dat kan zijn, maar het hoeft niet: ik zou zeggen dat hij hier zowel het lichte en serieuze laat klinken.
Het aardige bij Verhagen is dat je, net als bijvoorbeeld bij Reve, humoristische regels afzonderlijk onthoudt, los van de context. In de volgende twee hoor ik mannen die aanspoelen in de kroeg en al snel weer uit zicht raken: ‘je raakt je zaad aan de straatstenen niet kwijt’ (p. 522) en  ‘Mensen met een zinvol leven – zou je ze geen rotschop geven?’ (p. 658)

De bundel Alle gedichten weerspiegelt Verhagens (innerlijke) leven in veranderende tijden – ‘als een snaar doortrillende [ieder] tijdsgewricht’. Ook hiermee staat hij in de traditie van de Romantiek. Je leest achtereenvolgens mee met de Zeeuwse jongen, de schijnbaar koele observator, de spirituele hippie, de worstelaar met de liefde (‘Geen geneesheer, hoe gepeperd ook van declaratie, / zal mijn ziekte weten te genezen: / omdat mijn ziekte tevens mijn geliefde is – / en mijn geliefde laat zich niet verdrijven’ – p. 296), de verslagene en de man die zijn vitaliteit terugvindt. En voortdurend stelt hij zich de vraag wat het leven is, hoe hij in het leven staat, of hem dat bevalt en, vooral in zijn latere werk, wat hij anderen heeft te vertellen. Zijn engagement komt dan meer op de voorgrond te staan. In een bundel als Draak (2006) lijkt hij lezers sterker dan voorheen te willen doordringen van misstanden. Het tweede gedicht uit de afdeling ‘Citadel’ is verbazingwekkend actueel:

2
Stralende vlag. Iedereen ging,
van de vrijheid om tekeer te gaan ten volle profiterend,
tekeer tegen de verkeerde.

In tegenstelling tot de inhoud zie je in de vorm weinig veranderingen. De cycli vormen in alle bundels het structurerende principe; zijn gedichten blijven strofisch.

Er valt veel meer te zeggen over Alle gedichten. Aan de afzonderlijke bundels heb ik geen recht gedaan; ik verwijs daarom nogmaals graag naar het artikel van Erik Brus. Campert noemt Verhagen samen met Lucebert ‘de grootste moderne Nederlandse dichter.’ Ik vind dat een beetje te sterk, maar dat hij groot is, staat voor mij vast.

Recensie van Zwarte gaten - Hans Verhagen

De poëzie van een hypomaan

Hans Verhagen
Zwarte gaten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar
2008
ISBN 9789038890609
€ 16,90
64 blz.

Soms word je bij een nieuwe bundel niet alleen verrast door de poëzie die erin staat:

‘Verhagen zet de wereld in lichterlaaie.’
(Maria Barnas in De Groene Amsterdammer)

‘Om deze toverachtige macht gaat het in de kunst.’
(Hans Sleutelaar)

‘Verhagen […] wiens imposante aanwezigheid je willoos meesleurt in zijn krankzinnige wereld.’
(Piet Gerbrandy in de Volkskrant)

‘IJzingwekkend volmaakt portret van de condition humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw.’
(Ilja Leonard Pfeijffer in NRC Handelsblad)

‘Net als Willem Kloos, Marsman en Lucebert (toe maar!) is de dichter Hans Verhagen bij leven al een legende.’
(Jaap Goedegebuure in Eindhovens Dagblad)

‘Als er gevaarlijke poëzie zou bestaan (bestaat die dan niet?), zou het die van Hans Verhagen zijn.’
(Bertram Mourits in de Poëziekrant)

Deze citaten staan achterop ‘Zwarte gaten’, de nieuwe bundel van Hans Verhagen. De cursief afgedrukte teksten zijn toevoegingen van mezelf.
Als een flaptekst nieuwsgierig moet maken doen deze teksten zeker hun werk: wie zou zulke poëzie, ‘die de wereld in lichterlaaie zet’ niet willen lezen? Natuurlijk zijn de woorden uit hun verband gerukt; ik weet niet welke ‘toverachtige macht in de kunst’ precies bedoeld wordt, maar, jeetje, dat moet toch na te voelen zijn! Wat een teleurstelling dan bij het lezen van het eerste gedicht:

‘Grenspost’

Flarden in visioen gedrenkte wolk reizen in cyclonen rond
Rothonden vermaken zich met zielen in hun kaken malen
Uit het holst van het moeras wellen ongenaakbare vocalen
Dat vervloekte ritme altijd van gerammel & geknor van lege magen

Bij de laatste grenspost (waar ze wisten dat ze onbestaanbaar waren)
staat de felbegeerde oud-gereformeerde Nazidame zich te schroeien
aan de roodroodgloeiende novembermist; pooiers op trompet,
zwijgend groepsportret van singer-songwriters op bloesems en frambozen,
pose met een supersonisch voetbalmeisje in een elfmans-opklapbed

Ze zeiden dat het eigenlijk m’n moeder was
Ze spraken voetstoots af dat ze m’n dochter was
Jullie namen alles aan wat stom en jong en grijs en krom was
O! de grote monitoren, de oren, de motoren, spoorlozen,
al die overrijpe snoevers en vooral die niet te missen
show van honger en vergelding voor de ramen
De vermissing lijkt vooral op de bevrijding uit een ander ongewisse

Vermakelijk, wat er allemaal gebeurt bij deze grenspost van de bundel, die meteen ook over die andere grenspost blijkt te gaan: de dood. Verhagen laat wel zien dat hij kan goochelen met woorden. Dáár kan het niet aan liggen. Aan flamboyante beelden van ontluistering in met name de tweede strofe geen gebrek. En hoeveel oren zijn er bijvoorbeeld niet verwerkt in die zin ‘O! de grote monitoren, de oren, de motoren, spoorlozen,’ (met alle bijkomende associaties: motoren, als mot-oren, oren waar de mot in zit)!
Vermakelijk, inderdaad, maar ik weet niet of dat nu ‘de toverachtige macht’ is waar het in de kunst om gaat. Ik mis iets. Het gedicht laat zich naar mijn gevoel ondanks alle roodroodgloeiende novembermist toch te klaar in één keer lezen: het is te plat, te expliciet. En in die laatste, concluderende zin is de boodschap dat het leven al net zo’n zwart gat kan zijn als de dood wel erg direct-eenduidig opgeschreven. Nee, voor ik de zoveelste veer in iemands achterste steek, moet er meer gebeuren. Ach, een grenspost is er om voorbij te gaan:

‘Storm’

Als hoofddeksels op windkracht 8, vergeten serieus te nemen,
zag ik alles wat ik tot op heden heb gedacht
& iedereen gehavend die ik liefhad
mij ontvliegen in de storm over de Oostenburgergracht

Ik die nog geen in de modder weggezakte bezemkast bezat
had knikkers en een kogelgat en poeders meegebracht
om ons overeind te houden zonder overlast
tijdens windkracht 9

Honderden der onzen raakten maximaal geminimaliseerd
door wat ontbrak – geen tuinen in de tuinsteden,
geen criminelen in de schurkenstraten,
allemaal ontslagen van de plicht te moeten delen

De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering
uit de constellatie teruggetrokken, voor het laatst gezien
in zwarte gaten, contemplerend substantiële decimering
De achterblijvers vlogen ons vooruit op windkracht 13

 

Bij zoveel verbaal geweld zou je haast vergeten waar het in de poëzie om gaat. Leuk natuurlijk: ‘maximaal geminimaliseerd’ en ‘schurkenstraten’, die aan schurkenstaten doen denken, maar toch: typisch een storm in een glas water, dit gedicht. De ironie gaat hier ten koste van de emotie, die de dichter heeft ‘vergeten’ serieus te nemen. Eigenlijk werkt het net als met aandelen: goeie poëzie wil toch eerst en vooreerst serieus genomen worden, anders krijgt ze het vertrouwen van de lezer niet en daalt haar waarde.
Doet deze poëzie dan toch iets gevaarlijks? Inderdaad, maar niet op de manier die Bertram Mourits bedoelt, vrees ik. Verhagen lijkt een beetje op Jim Carrey in de film ‘The Mask’, die van een ballonnetje een mitrailleur maakt. In de film blijkt die mitrailleur dan ook nog echt te kunnen schieten. Maar in dit gedicht ontbreekt helaas de lading die nodig is om het gevoel echt te raken.
Beter vind ik het volgende gedeelte uit ‘aards bestaan’:

Omdat we in de grote droogte dreigden te vergaan
klommen we van lager wal naar grote hoogten
waarvandaan we niets dan water zagen, en de vraag rees
wie of waar de waterdragers waren –
we droomden dat we rode neuzen oogstten
en ijskoud water distilleerden uit de oceaan
en ons bij het doodgaan wisten te bevrijden door de kraan
voorgoed te laten lopen

Soberder van opzet dan de eerder geciteerde gedichten, staat hier toch meer ‘wat er niet staat’, om het maar eens op z’n Nijhoffiaans te zeggen. Mooi, die kraan in de voorlaatste regel. Kan die niet ook worden gezien als een hijskraan om ons ego op te tillen? In de dood kunnen we ons niet langer groter voordoen dan we zijn… En daarmee roert deze tekst een belangrijk thema aan bij Verhagen, die de rebelse neiging maar zelden kan onderdrukken om snoevers en dikdoenerige na-apers te kijk te zetten. Ook in het volgende gedicht, waaraan misschien de titel van de bundel is ontleend (hoewel er meer zwarte gaten in de bundel voorkomen), komt dit thema aan bod:

‘Schoonheid’

Alleen bij heldere hemel
kun je de zwarte gaten onderscheiden,
met heel het naakte bestaan erin

Moet je dat belachelijke kapseizen eens zien,
het schreeuwen van de elementen op het scherm;
de schoonheid van de ridicule dromer
die zijn leven weggooit voor één hartveroverende melodie,
hardhorend bovendien

Wie rood ziet stelt zich tevens bloot aan blauw,
de sloper bouwt;
zij die heilig geloven in de tijd zullen spoedig sterven

Wie onbekommerd in de zwarte gaten stapt
zal zich een heldere hemel verwerven

Niet helemaal origineel, deze tekst waarin tegendelen elkaar zichtbaar maken. ‘De sloper bouwt’ is wel een leuke vondst, maar ik heb dat al eens ergens eerder gelezen (wie weet waar mag het zeggen). Verhagens’ boodschap is duidelijk: wie zich durft te laten zien zoals hij is komt goed terecht. Hij ageert dan ook tegen iedereen die deze boodschap negeert:

Niets liever willen kinderen dan stiekem liefdevol hebzuchtig
de steunzolen heel even aanraken
van de zwetsers die de tover uit de monitoren slopen
en vervangen door hun slaapverwekkend pretaanjagend na-apen

Lekkende gletsjers, de memmen staan op springen
Door een laatste reusachtige klauw boven water gestoten
is een hoek nog zichtbaar van een voetstuk
vol elkaar verdringende, in het trappenhuis uitglijende idioten

Stiekem heulend met de kinderen voel je als lezer die leedvermaak opwekkende laatste regel haast al aankomen. En en passant wordt ook nog even een stukje milieuproblematiek meegenomen! Ja, misschien heeft Ilja Leonard Pfeijffer toch gelijk wanneer hij zegt dat deze poëzie een portret geeft van de condition humaine in de vroeg-eenentwintigste eeuw. Of het een volmaakt portret is weet ik niet, maar Verhagen lijkt als een ware nar de draak te steken met een voor ons tijdsgewricht typisch soort hypocriet gedrag.
Maar is dat gedrag wel kenmerkend voor onze tijd? Mensen hebben zich immers altijd anders voorgedaan dan ze waren, en de machthebbers van vroeger waren niet minder hypocriet dan die van nu. Vroeger waren er koningen en keizers en als ik ene meneer Shakespeare mag geloven werden die belachelijk gemaakt door hun hofnarren. Nu zijn er bijna geen koningen meer met echte macht, maar het lijkt erop dat de rol van de narren nog lang niet is uitgespeeld. Verhagens’ gedichten kunnen mijns inziens heel goed als de monologen van een moderne nar worden opgevat, die zich niet richt tegen een koning, maar tegen de hypocrisie van een gevestigde orde, waarvan hij zelf tenslotte ook deel uitmaakt.

Narren, clowns, jokers, of hoe men ze ook wil noemen, hebben vaak iets triests. Iets dat verborgen blijft achter de schmink op hun gezicht en hun extravagante manier van doen. Ze zijn niet beter (af) dan wie ze plagerig een spiegel voorzetten, ze kunnen het misschien alleen beter verbergen: hun eenzaamheid, hun liefde… ‘Hij was maar een clown, en nu is hij dood’, ging het niet zo? De bekende Januskop komt in beeld; de clown die lacht van buiten en huilt van binnen. Ook bij Verhagen valt een binnenkant te ontdekken:

Die ochtend was zij doodgewoon van huis gegaan
in een metallieke limousine met een rozenkrans van schedels
en trompetten stekend uit edele delen, om ze te bedekken tevens;
en ’s avonds was zij nog niet thuis

Ik heb die nacht in onze gemeenschappelijke stilte rondgewaard
maar ditmaal bleef zij zwijgen
Ze was er wel, ze was zelfs overal
maar ik ben niet meer met haar aan de praat geraakt

Ik kon haar zelfs niet aan het lachen krijgen

Kenmerkend voor een clown, die laatste regel. En zonder nu gelijk te willen beweren dat liefdesverdriet bij Verhagen altijd de beste poëzie oplevert (ondanks die ‘gemeenschappelijke stilte’: een schitterende vondst!), vind ik dat Verhagen hier een opvallend serieuze toon aanslaat. Alsof hij zichzelf in dit gedicht (en enkele andere waarin sprake is van een ‘gestorven geliefde’) meer blootgeeft dan elders. De clowneske laatste regel is al haast een vlucht uit de ernst van het voorafgaande: ‘noodtrappen naar het morgenlicht’, zoals een andere dichter het noemde. Maar meestal lijkt het of Verhagen niet serieus genomen wíl worden… Of toch?

‘o happy maan!’

Lag ik uit de duisternis te koekeloeren in het licht
zag ik haar met franse lichtmatroosjes meegaan,
terwijl ze me passeerde noemde ze m’n naam en lachte
en zei zachtjes ‘Tot strakjes’

Korte opwaartse & voorstoots schokkende impulsen
namen namens haar bezit van mijn lichaam
Ik voelde hoe ik zwol in haar gedachten

Vandaar dat ik niet zomaar weg kon gaan
Ik had haar hervonden
en al moest ik in een kogelregen op haar wachten,
ik wilde haar een klinkend welkom thuis bereiden
Om te slapen was ik toch te opgewonden

Een hypomaan kan zich niet veroorloven lang stil te staan
O happy maan! Maar
thuis kwamen we geen van beiden

Is dit een zelfportret, dit gedicht, waarin de dichter een vrouw nodig lijkt te hebben om zichzelf te kunnen bevestigen? ‘Een hypomaan kan zich niet veroorloven lang stil te staan’. Nee, allicht niet, want dan slinkt alles wat ‘zwol in haar gedachten’ als een leeglopend ballonnetje tot zijn ware proporties terug en valt hij door de mand. ‘Thuis kwamen we geen van beiden’, zegt de dichter er nog fijntjes bij. Hoe moet dat ‘kwamen’ worden opgevat? Zijn de dichter en zijn geliefde letterlijk nooit thuisgekomen (wat ook nog zoiets kan betekenen dat de dichter nooit ‘bij zichzelf’ is gekomen, lees: nooit zichzelf is geworden) of gaat het om een seksuele connotatie? Ik denk vooral het laatste.
Verhagen is en blijft vermakelijk zoals een circusclown vermakelijk is, een hyper ‘hype’ gevoelige hypomaan, die als de Joker uit een vroegere Batmanfilm, zijn pistool trekkend liefst een kanon tevoorschijn haalt. Alles moet theatraal, moet klinkend en opgewonden zijn. En dat verdraagt zich niet zo best met dat thuis-zijn, die toestand van tevreden rust waarin iemand – helemaal zichzelf – niet langer hoeft te doen alsof, en naar geen hoogtepunt (meer) hoeft te streven. Men moet hem niet te langzaam lezen: deze goochelaar en hyperpipo, want hij lijkt wel bang voor stilstand, bang dat dan zijn trucjes niet meer werken en het uitkomt: zijn schromeloze overdrijving, het flinterdunne van zijn plotjes, en dat alles uiteindelijk enkel maar een storm in een glas water is; alle sapperdeflapteksten ten spijt.