Recensie van Koor - Peter Verhelst

Bezieling, beheksing en een beetje flauwekul

Peter Verhelst
Koor
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454670
€ 21,99
144 blz.

Voor ik de inhoud van dit verzamelwerk ga bespreken moet me iets van het hart.
De omslag van een poëziebundel – het visitekaartje ervan – gaat wat het achterblad betreft steeds meer lijken op een reclamefolder voor inferieure spullen: enige ter zake doende informatie, dat nog wel, maar bovenal ronkende oneliners die het ergste doen vermoeden. (Meestal van bekende dichters nota bene).
Ook hier is dat het geval en het stoort; deze van het papier afspattende loftuitingen wekken achterdocht en, naar ik aanneem, niet alleen bij kritische recensenten. Goede wijn behoeft immers geen krans. (Slechte wel!).
Als de uitgever verwacht met deze gratuite promotie de belangstelling en verkoop van poëzie te bevorderen vergist hij zich mijns inziens.
Waarom niet een representatief gedicht of een strofe daarvan van de dichter zelf op het achterblad, dat geeft een reëel beeld en is waarschijnlijk effectiever.

Over Peter Verhulst (Brugge, 1962) valt veel te zeggen. Hij is dichter, prozaschrijver voor zowel volwassenen als voor de jeugd en sinds 2006 is hij als regisseur verbonden aan het theaterhuis NT Gent. Daarnaast geeft hij les in Nederlands en Engels.
Zijn bekroningen vormen een waslijst.
Een kleine greep: de Paul Snoekprijs voor zijn poëziedebuut Obsidiaan (1990), de Jan Campertprijs voor de bundel Nieuwe Sterrenbeelden (2008), viermaal de Herman de Coninckprijs voor vier verschillende bundels, de Ida Gerhardtprijs voor Wij, totale vlam, de Gouden Uil Jeugdliteratuurprijs en een Gouden Griffel voor Het Geheim van de Keel van de Nachtegaal (2009).

Koor is een door Verhelst zelf samengestelde bloemlezing uit eerder werk.
Het eerst gedicht, ‘Voor het vergeten’, zet meteen de toon, die van een rebel, een durfal en ik moest bij het lezen ervan even grinniken, omdat het een doorzichtige pendant is van ‘Tegen het vergeten’ van Hans Faverey.

Voor het vergeten

Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren.

Laten we dus vergeten, maar alleen
zoals we door te praten iets uiterst traag kunnen laten verdwijnen – daar,
zie je het, zie je het nog, nauwelijks, tegen de zon in?

(…)

(De bundel bevat overigens ook een gedicht met de titel ‘Tegen het vergeten’, dat wel de geest van Faverey ademt).

In meerdere gedichten speelt Verhelst met regels van anderen: ‘een totaal witte kamer’ van Kouwenaar wordt ‘een volmaakt gesloten kamer’ en één van de meest voorgelezen gedichten van Remco Campert, ‘Lamento’, weet Verhelst ook wel in zijn ‘Lamento’ te verwerken.
Deze reflecties hebben misschien iets met idolatrie van doen maar van epigonisme is geen sprake, wel van ironie, een zekere spot. Hoewel ze je een ogenblik doen denken aan die min of meer geciteerde dichters, zijn ze zowel qua vorm als inhoud er niet mee te vergelijken.

Verhelst houdt niet van het verhaal met een begin en eind en ook de zinnen, vaak willekeurig afgebroken, hebben dat niet. Al poneert hij hier en daar een volzin aan het slot, de gedichten zijn meestal een vlakke aaneenrijging van herinneringen en flarden van gedachten.

Het beleven van de liefde, de lijfelijke vooral, het hunkeren daarnaar en ook de schoonheid ervan komen expliciet aan de orde: ‘(…) ademend; een tepel uit de borst, een borst / uit een jurk, een hoofd uit een hemd, / het hoofd uit de nek // zo graag had ik me / aan haar mond totaal / opengesneden’. (Uit: ‘Als een tafelblad glanzend’).
De welhaast extatische bezieling die uit deze gedichten spreekt is ultiem in de volgende fragment uit het gedicht ‘Malaria’:
‘(…) De toortsen die we zijn. Het zachte, weke van een ander lichaam. Het hete, natte, wat achter de tong en achter het bonken van het hart en de bezwete bovenlip en de binnenkant van de mond en de keel en nog dieper. Voorbij de taal van vel en slijmvlies en voorbij de taal van lippen en keel, dieper, die mond die zich om ons heen sluit en die benen, om ons heen geklemd, en wat zich tegen ons aan drukt en wrijft en zich tegen ons aan en over ons uit blijft wrijven, dat geoliede, hijgende, zich in elkaar klikkende, likkende, lispelende, happende, zich vastbijtende.(…)’.

Gelukkig is er meer, want deze hallucinerende onstuimigheid gaat weliswaar niet vervelen maar is op den duur wel vermoeiend.
Verhelst schrijft ook over verdriet en gemis en hij doet dat op een meer kalme en tedere toon: ‘(…) hoe je mond zich open droomde nog een keer voorzichtig / om je niet te wekken urenlang roerloos leunend op een hand / lig je te kijken lieve onbestaande / kus die loopt van de mond die er had kunnen zijn in het gezicht dat al uit het kussen weg begint te trekken (…)’. (Uit: ‘Kus’).

Er staan meerdere cycli in de bundel. De liefdescyclus ‘Black hole sun’ verrast door de vorm: vier voldragen sonnetten. (Een vreemde eend in de bijt, maar een mooie!).
Hier het tweede:

We waren nutteloos, juwelen, luxe en verspilling,
Onze liefde heeft zichzelf als vuur verteerd,
We gaven en we namen mateloos, onthouding
Was ons vreemd, we hebben elkaar nooit geleerd

Nooit te zeggen, waarom zouden we, we waren minnaars
Van de overvloed, twee jongens die van vlees en spieren
Goud wisten te maken. Flakkerende vlammen van een kaars
Die aan twee kanten brandt. Iets tussen dier en

God in. Twee trotse koningsslangen
In een paringsdans die eeuwig leek, maar niets
Is eeuwig, liefste, eeuwigheid is dodelijk voor het verlangen

En dat wisten we, dat wilden we vanaf de eerste dag.
Liever uitgeput door ons dan uitgeblust. Alles of niets.
Jij bent mijn alles. Neem mij. Van glimlach tot geslacht.

Fascinerend allemaal, er moeten echter ook enkele minpunten worden genoemd.
Ten eerste de hang om verwrongen en complex te formuleren: ‘(…) Glimlachend, / Nooit eerder / reden we zo traag van ons weg’. (Uit: ‘Zonsverduistering’). En in het gedicht ‘Zwijg’: ‘(…) opduwend zwijg je me op je af. (…)’.
Het slotgedicht ‘Envoi’: ‘Als jij het bent die ik zal missen, / laat mij dan blijven / de herinnering aan wat nooit zal zijn’.

Dat moet eenvoudiger kunnen.

Ten tweede een gebrek aan zelfkritiek bij het samenstellen. Het merendeel van de gedichten is van een hoog gehalte, maar er staan ook enkele in die zo zwak zijn dat je je afvraagt wat Verhelst in hemelsnaam heeft bewogen deze in de bundel op te nemen.

Lullaby

Ik herinner me niets
En zelfs dat niet
Zoals ik de wereld niets meer te zeggen heb
Heeft de wereld mij niets meer te zeggen
En toch blijven woorden uit me stromen
Even nutteloos en belachelijk
Vergeet die woorden nu
Ik wil door niemand herinnerd worden

Stefan Hertmans schreef een doorwrocht en verhelderend nawoord voor dit dichtwerk, dat zonder meer buitengewoon is, iets minder buitengewoon goed.

Recensie van Wij totale vlam - Peter Verhelst

Het onstuitbare verlangen naar eenheid

Peter Verhelst
Wij totale vlam
Uitgever: Prometheus
2014
ISBN 9789044625202
€ 15,00
72 blz.

Ha, impressionist!, dacht ik na lezing van Wij totale vlam, al deed die titel eerder aan het expressionisme denken. ‘Wij vlam’ was niet voldoende, ‘totale’ diende het te versterken. Dacht ik toen nog. Maar impressionistisch dus, met vreemde trekjes. Een soms zelfs beeldloos impressionisme:

HOE VOEL JE JE VANDAAG?

Eigenlijk kun je alleen maar wachten
Elke dag is meegenomen
Je vraagt je elke seconde af of hij het zal halen
Je wilt niet, na alles wat gebeurd is, dat het zo zal eindigen

Hij zal elke dag wakker worden door de zon en nutteloos aan de rand van de krater
staan, duizenden kilometers van huis

We weten het ook niet meer

Er is geen knop die je aan en uit kunt zetten

We blijven geloven dat zijn belangrijkste missie nog moet komen

Wat is er in godsnaam verkeerd gegaan

En toch blijft het een wonder

Wie had dit enkele jaren geleden voor mogelijk gehouden

Dit gedicht is een soort psychogram. Iemand zit ongerust te peinzen over iemand van wie hij niet weet waar die is. Hij is naar binnen gekeerd, maar blijkbaar niet alleen. Ze kunnen niet ophouden met tobben, het maalt maar door in hun hoofd. Maar dan weten ze hun onrust te temperen door de vermiste in de toekomst te plaatsen: ze blijven geloven dat zijn belangrijkste missie nog komen moet. De zekerheid dat de werkelijkheid een mirakel is dat zij nooit voor mogelijk hielden, tilt hen, in ieder geval voor even, boven hun zorgen uit. Het leven is voor een moment weer als betrouwbaar geënt.
Het is het tweede gedicht uit de reeks ‘BLIJF’.

Moet je een bundel als deze niet eigenlijk van A tot Z lezen om te doorgronden wat de dichter bedoelt? Ja, natuurlijk. Maar ik weet dat zo’n bundel niet chronologisch ontstaat. Al is er wellicht een plan, de uiteindelijke bundel wordt pas op basis van een hoeveelheid gedichten samengesteld. En al staat een gedicht binnen een reeks, het moet ook op zichzelf kunnen staan. Dat doen de gedichten van Verhelst zeker.
Ik pikte er werkelijk willekeurig een uit; alleen al door het gedicht dat ik geciteerd heb, en door wat ik nu wil laten lezen, weet je dat deze bundel over de dood gaat; het einde, het verzet ertegen, het gevecht ermee. De dood en de hoop dat er iets voortbestaat, de hoop dat het einde geen werkelijk einde is, en dat je datgene wat je het liefste is, mee kunt nemen – Dat liefde eindeloos is:

ER IS GENOEG

Alles gaat goed met me. Er is genoeg voor maanden.

We roken een laatste sigaret
nu de avond eindelijk mild en met sterren bezaaid en je met je wijsvinger
ijsblokjes raat rinkelen in een glas, alsof je wijsvinger…

Gaan we nog één keer naast elkaar in het gras liggen? Weet je nog?

Wat dacht je de eerste keer dat je me zag?

…alsof je je wijsvinger door een spiegel steekt.

Zo ongelofelijk teder vanavond.

Ik dacht. Hoe glimlacht ze? Hoe zouden haar ogen breken? Dacht ik.
Hoe dun – bijna melkblauw – de huid over de ogen. En ze breken

zoals ik had gehoopt. Alsof je je wijsvinger door een spiegel kan steken
en aan de andere kant iemand je (almaar sneller rennend) achter zich aan
trekt tot je voeten de grond niet langer raken.

Zoveel sterren. Van zoveel sterren. Je gezicht staat van de mogelijkheid
alleen al in brand.

Is dit niet heel erg mooi? Het ontroert me. Verhelst heeft de neiging om de eventuele romantiek die opduikt direct te confronteren met een kwetsbare of onsmakelijke en afstotelijke werkelijkheid. Geweld. De enige manier waarop ik dat kan duiden is als antidotum. Laat je niet door geluk verblinden, het tegendeel is er ook. Maar het gaat verder: er spreekt uit de gedichten van Verhelst zo’n sterk verlangen naar eenheid, naar de opheffing van alle tegendelen, van wat geliefd is met wat aversie oproept, dat dat weleens de drijfveer zou kunnen zijn van zijn poëzie, en de basis van het bewustzijn van pijn dat uit vele gedichten spreekt. Van verdriet.

Ik begin aan het einde van ‘… NOOIT WAS EN ZAL ZIJN’, de voorlaatste afdeling, die in haar geheel bestaat uit het gedicht ‘Welk verlangen of welke gedachte ook‘.
Ho!, dacht ik aan het begin van dit lange gedicht, Holi Phagwa! In een van de eerste regels kwam ik het tegen, en ik had geen behoefte om te gaan uitzoeken wat dat betekent. Daarom sloeg ik de eerste pagina maar over, zocht de laatste op, en was direct geboeid:

Ontroostbaar

De streepvormige pupil van een gems

Het detail waar het op aankomt
Een seconde lang

Een vlies over een oog

Het goedje op je tong

De schokken die door je heen trekken

Het firmament met zijn nieuwste hiërogliefen

Het zachte kermen van de wind
Het klapperen van de deur
Het kleine bloeden van
Het tranen van
Het traag sluitende ooglid van
Het walmen van verlangen naar verlangen naar
Vormen van verlies in een eindeloze zucht

Ik geloof dat we uiteindelijk naar een plek gaan waar het goed is

Liefste
Ooit

(De stilte na de sneeuwstorm, de veelkleurige plassen na de Holi Phagwa, de verkoolde boomstammen na de bosbrand)

Als uiteindelijk ook een zon als die van haar aan zijn einde is gekomen
Zal ook een einde komen aan al onze vragen

Op die laatste twee regels na is het een prachtige ritmische reeks indrukken, die iedereen zich kan voorstellen, ook waar de zin niet wordt afgemaakt, ook al weet je niet wat die ‘Holi Phagwa’ behelst. Dat is wat ik bedoelde met ‘impressionisme’.

Hierna volgen als slot van de bundel nog de twee gedichten van ‘WIJ(2)’:

Stel dat ik, tegen beter weten in, toch de plek vind, de plek waar we de naam nog niet van kennen – misschien duurt het langer dan een mensenleven om er te komen. Maar stel dat ik het ben, dat ik de plek vind, die ene plek, hoe zal ik jou dan laten weten waar die is, en stel dat zoiets lukt, zul je mij dan weten te vinden?
Zal er iemand zijn aan wie ik kan vertellen waar ik ben, hoe het hier is, zo moeilijk om onder woorden te brengen hoe gelukkig ik ben.
Zal er ooit iemand zijn die – alsof hij aan dezelfde ziekte lijdt – zonder woorden zal weten wat ik bedoel?

*

Ik weet niet of ik zal terugkeren, hoe of wanneer dat zal zijn, ik weet niet wie ik zal
zijn geworden, wanneer ik op een ochtend weer thuiskom, en wat er van jou zal zijn
geworden.
Zullen we elkaar na die tijd nog herkennen?
 

Dat het over een innerlijke reis gaat zal duidelijk zijn.
Dit slotdeel sluit aan op de laatste twee regels van het vorige. Hier is een man aan het woord die zijn geliefde, die hem gelukkig maakt, de plek van dat geluk zou willen wijzen. Wij, totale vlam: zo onscheidbaar zijn.
Hij verlangt de begrenzing tussen hen op te heffen, tegen beter weten in. Bij teruglezing blijkt de hele bundel in het teken te staan van dat verlangen naar eenheid: Er wordt door herinneringen gereisd, door hem en zijn geliefde worden tochten door de barre natuur gemaakt, door ruimte en tijd. Een ruimtereis schept de noodzakelijke afstand, ook qua sfeer, om anders naar het aardse, het menselijke bestaan te kijken. De tijd probeert hij op te heffen door indrukken te verzamelen, van haar, van hen; voor altijd. In deze poëzie voert hij strijd met zijn onvermogen om ‘totaal’ compleet te zijn. Een onmachtige maar prachtige poging om vast te houden wat van belang zou kunnen zijn, wat vonkjes schoonheid die het leven zouden kunnen laten oplaaien. Voorgoed, of in elk geval voor lang(er). Deze poëzie is een poging om zichtbaar te maken wat alleen woordeloos uit te drukken is, door te zijn. Maar is de ander daar ook?

In de titel geeft hij de bevestiging. Ik heb Wij totale vlam gelezen als een ode aan het leven, aan de liefde, en aan alles wat daarmee in tegenspraak lijkt.

***

Peter Verhelst (Brugge, 1962) schrijft proza, poëzie en theaterteksten. Hij debuteerde als dichter in 1987 met Obsidiaan, waarna nog een tiental bundels volgde. Zijn bekendste roman is Tongkat (1999), dat hem onder andere de Gouden Uil en een nominatie voor de Libris Literatuurprijs opleverde.
Voor zijn dichtbundel Nieuwe sterrenbeelden (2008) ontving hij de Herman de Coninckprijs en Jan Campertprijs.

Recensie van Nieuwe sterrenbeelden - Peter Verhelst

Verstrikt in het kruisvuur

Peter Verhelst
Nieuwe sterrenbeelden
Uitgever: Prometheus / Bert Bakker , ,Prometheus / Bert Bakker ,Prometheus / Bert Bakker
2008
ISBN 9789044611465
€ 22,95
128 blz.

Na het in 1996 verschenen Verhemelte had het afgelopen moeten zijn met Peter Verhelsts dichterscarrière. Althans, zo dacht hij er toen over: Verhelst kondigde in literair tijdschrift De Revisor aan geen dichtbundels meer te zullen publiceren. Dat je niet uit vrije keuze dichter bent blijkt uit het feit dat de dichtbundels bleven komen. In 1997 kwam Verrukkingen uit en in 2003 Alaska. En nu, vijf jaar later, is er Nieuwe sterrenbeelden, een dik boek vol typische Verhelst-poëzie: complexe gedichten dus.

De bundel zelf is natuurlijk ook weer ingewikkeld gestructureerd. Vijf reeksen zijn er in te vinden met daartussen een aantal losse, veelal meerdelige, gedichten. Ook in de reeksen zijn meerdelige gedichten te vinden zodat een geneste structuur ontstaat. Bovendien worden bepaalde titels steeds weer hergebruikt waardoor ieder gedicht in Nieuwe sterrenbeelden wel op een of andere manier met ieder ander gedicht in verband gebracht kan worden. En dat terwijl de gedichten zelf meestal bestaan uit losse beelden waarbij nauwelijks context wordt gegeven.
Een heel karwei dus, het lezen van de 120 pagina’s poëzie in Nieuwe sterrenbeelden. Niet alleen wordt de lezer continu aan het denken gezet over de relaties tussen de gedichten en de hoofdpersonen ervan, er is ook telkens de martelende onzekerheid of je nou in de maling genomen wordt of niet. Want deze poëzie zit gevaarlijk dicht bij vaagdoenerij, zoals in ‘Getijgerde muur’, een fragment:

Kleine dingen bewegen over het ding, vlekken die we zien
als we dagenlang niet hebben kunnen slapen – of is de tijger ons
uit het vel aan het springen? Hoe we het ook draaien of keren,
het is en blijft een ding, het blijft ons vreemd
te moede, we noemen het een muur en laten ons hoofd ertegen
rusten, al dan niet met volle kracht. En zien we na het beuken
ons persoonlijk sterrenbeeld achter de oogleden
wegdrijven? Hoogstens wil hij een virale vlek zijn,
de eenzame soepele gestalte van de tijger. Bijna
uitgestorven. Het gevoel dat we uiteindelijk niets anders zijn geweest dan
bijvoorbeeld een rare peulvrucht.

Wat moet een mens hiermee? Knap geschreven is het, omdat het twee dingen met elkaar verbindt die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben en dan ook nog iets lijkt te zeggen over onze menselijke toestand. Heel knap geschreven. Maar bij herlezing blijkt er ook een hoop onzin in te staan, zoals de regels: ‘Of droomt de muur ‘s nachts onze wonden / tevoorschijn als we zelf niet meer uit de ogen kunnen kijken? / Of willen we dat alleen maar om eindelijk nog iets te kunnen willen?’ Daarvan kan ruim de helft weg, zou je zeggen. En zo zijn er meer, veel meer. ‘Als iemand de deur ooit opent / vliegen duizenden flamingo’s uit een meer op. // Weldra zal de roze wolk de stad bereiken’ (Uit: ‘Muur na muur’). De woordspeling is aardig, maar gratuit en in de context van het gedicht zijn de flamingo’s moeilijk te plaatsen.
Verhelst laat in Nieuwe sterrenbeelden niet alleen een tijger en een muur in elkaar overlopen, maar kan het ook met een berg en een walvis. Vaak lopen er zoveel dingen in elkaar over dat je er duizelig van wordt. Duizelig word je ook van de enorme hoeveelheid beelden waar Verhelst zijn lezer mee bombardeert. Niet alleen flamingo’s maar ook auto-ongelukken, oorlog, anatomie, platte erotiek (steeds maar weer die ‘twee tepels’) en natuurbeelden. Wat ze willen zeggen blijft onduidelijk.

Deze bundel is teveel van het goede, dat is zeker. Ook loopt Verhelst in zijn liefdesgedichten gevaarlijk dicht langs de afgrond van de kitsch terwijl de erotiek misplaatst aandoet. En, belangrijker nog: het is volslagen onduidelijk wat al dit beeldgeweld, al dit alles-met-alles verbinden ons nu eigenlijk zou moeten vertellen.
‘Verslag van acht weken worstelen met Peter Verhelst’, noemde de recensent van Humo zijn stuk over Nieuwe Sterrenbeelden en hij voelde zich in week acht ‘Moe. Nerveus. Lens.’ Na een maand van dezelfde worsteling begin ik te begrijpen wat hij bedoelt. Het probleem is dat je diep van binnen weet en voelt dat een dichter van het niveau van Verhelst niets zomaar doet. Er wordt iets verteld, er hoort een verhaal bij de beelden en de verbanden hebben een logica. Je komt er niet achter hoe het precies zit maar dat gevoel is wel de reden dat je deze bundel, iedere keer als je hem hebt weggesmeten, weer gaat oprapen en verder leest.
In het licht van Verhelsts pogingen te ‘stoppen’ met dichten zijn deze gedichten ook te zien als een gevecht van de dichter met de poëzie zelf. De clichés, het teveel aan woorden, de vaagdoenerij, ze wijzen er allemaal op dat hier een soort anti-poëzie beoefend wordt. Dat Verhelst heel goed expres-slecht schrijft en dat deze poëzie over de poëzie gaat, wordt op een aantal plaatsen gesuggereerd. Zoals in ‘De ijsvogel vliegt op als zijn moment is gekomen’:

een beeld valt net zo min samen met de werkelijkheid
als de ijsvogel met het meer waar hij over vliegt. Hij brengt het meer
enkel aan het denken en brengt zo tot stand waar het allemaal om begon:
een gedachte van vlees en botten en veren, een lichtspoor. Een zucht van wat
men vroeger god scheen te noemen –

En het laatste gedicht van de bundel zou kunnen worden opgevat als een gedicht over de onmacht van de poëzie en het tot falen gedoemd zijn van de dichter:

Life on Mars

Was zo graag samen
gevallen
maar iedereen viel
apart

was zo graag samen gevallen
maar iedereen viel apart
alleen
wij

was zo graag samengevallen
maar iedereen viel apart
alleen wij
sprongen naar de sterren

Het gaat hier over de dichter en zijn strijd met de poëzie. We zijn getuigen van de oorlog in het hoofd van Verhelst. Wat het ook is dat deze gedichten zouden moeten vertellen of nalaten te vertellen, het maakt niet uit. Het is collateral damage. En de lezer raakt nietsvermoedend verstrikt in het kruisvuur.

*****

Peter Verhelst (Brugge, 1962) schrijft proza, poëzie en theater. Hij debuteerde als dichter in 1987 met Obsidiaan, waarvoor hij drie literaire prijzen kreeg. Inmiddels heeft hij een tiental dichtbundels, acht prozaboeken en een lange lijst toneelstukken op zijn naam. Zijn bekendste roman is Tongkat (1999), dat hem onder andere de Gouden Uil en een nominatie voor de Libris Literatuurprijs opleverde.