Recensie van Vissing - Peggy Verzett

Een aandoenlijke poging

Peggy Verzett
Vissing
Uitgever: Querido
2010
ISBN 9789021437941
€ 17,95
100 blz.

Wat is het leven anders dan een aandoenlijke poging er een verhaal in te zien? Deze aansporing heeft Anton Tsjechov tot een verhalenschrijver par excellence gemaakt. Hij is nog altijd voor vele schrijvers a writer’s writer. Ik denk dat hij met zijn karakterisering van literatuur als het vertellen van verhalen, de spijker op de kop heeft geslagen. Het is een onuitroeibaar fenomeen om met onze verbeeldingskracht de chaotische werkelijkheid in woord en beeld te ordenen. Nu we op het terrein van de romankunst het verhaal zien terugkeren en de poëzie hier en daar zijn geëngageerde en anekdotische gezicht weer laat zien, doet dichter en schilder Peggy Verzett met haar overspannen associatievelden wel een erg groot beroep op het voorstellingsvermogen van de lezer. Zij lijkt zich te willen verbergen achter haar gekunsteld aandoende taalbarrières.

Haar nieuwste bundel bestaat uit vier cycli en een serie losse gedichten, daaraan voorafgaand, tussendoor staand en erop volgend. De cycli dragen de titels: ‘Uit vissen met Sophia Tolstoi’, ‘School’, ‘Lichting’ en ‘Lied van de ezel’. Overwegend vrije verzen, assonerend en allitererend opgetekend, muzikaal van inslag, waaiers van beelden, sommige zijn dynamisch vormgegeven, zoals het allereerste vers uit de bundel dat in ‘fijnbesnaarde’ woorden het sprookje van de verkochte bruid uitbeeldt. Verzett grossiert veelvuldig in eigenzinnige woordbouwsels, zoals bankhuiver, kroosgeslacht, eskimoteren en veelwaterslag. Ze doen geconstrueerd aan en maken de context waarin ze voorkomen nodeloos duister. De bundel is omvangrijk en een samenstel van gedichten uit de laatste vier jaren. Eerlijk gezegd heb ik niet een sterke onderlinge samenhang in de bundel kunnen ontdekken. De natuur in al haar facetten spreekt ons toe, domineert en verheft haar stem, of het nu de vissen van Sophia Tolstoi zijn of de stem van de ezel die weerklinkt tot een man of vrouw, het maanlicht dat verschijnt en ons toelacht.

In het interview met Remco Ekkers uit de Poëziekrant van 2006 zegt zij zelf over het ontstaansproces van haar poëzie: ‘Schilderen is anders dan schrijven. Een gedicht is opgetrokken uit taal en dan heb je het al gauw over betekenis. Ik probeer associatievelden zorgvuldig naast elkaar te leggen – zoals je ook in een schilderij kan gaan schuiven met kleuren en vormen waardoor een beeld kan ontstaan dat je van tevoren niet hebt bedacht. Woorden kunnen de handgrepen van die associatievelden zijn net zoals potten of tubes verf verschillende soorten licht zijn.’ Tot zover kan ik wel instemmen met haar redenering, maar wat ze daarna over het ontstaansproces opmerkt, verdient minder mijn instemming: ‘Ik wil niet achterhalen wat ik via de voordeur te zeggen heb. Ik heb niet zoveel te zeggen. Ik wil via de achterdeur uitnodigen dat ik terloops iets vertel, omdat het geschuif iets gaat opleveren dat verwondert of verrast, ontroert, verbaast of anderszins ontregelt. Ik wil de persuasieve functie van de taal niet alleen maar de hoofdrol te laten spelen. Dat vind ik een mooie manier van dichten.’ Ik krijg de indruk na lezing van haar bundel dat het ‘ontregelen’ van de lezer de boventoon voert. De autonomie van de taal domineert de communicatieve functie ervan. De taak van de dichter is betekenis te verlenen aan de dingen, op welke summiere wijze dan ook.

In het vijfde vers van de cyclus over Sophia Tolstoi lezen we:

dwars door de gemorste dranken hingen mijn koffers in kelen
     en was ik verkeken onaf bij het zien geraakt als vissing
opgebaard, langs oudere grassen
schouwburgies van museale trouw, zijn doeken wond hij

eenmaal niet thuis voor het middageten zongen dichters van de pléiade
weg! verre torentjes van kavel en het O! Van gebreide corsages
zakkend nest met zes witte wezen op een vuile sneeuwrechte dag
we klommen de hoogste top

boel datsja voor de boeg en kloek liepen de eieren op poten terug
frygische toonladders maakten ons oorlogszuchtig, we met de falende
keilers die terugvloeiden in de soort

In deze versregels onder meer geeft Verzett met fris en nieuw taalgebruik – zoals op de achterflap valt te lezen – haar visitekaartje af. Zo gebruikt ze een nieuw woord als ‘vissing’, geeft ze een stapeling van beelden en situaties, hanteert ze een verwijzing naar de literaire geschiedenis en favoriete kunstenaars als Maria Callas, Frédéric Chopin, Edward Hopper, en schetst ze een ogenschijnlijk alledaagse situatie, dicht bij de mens in zijn natuurlijke omgeving, maar creëert ze tegelijkertijd een sprookjesachtige atmosfeer waarin de omgekeerde wereld de boventoon voert: niet de mensen maar de dingen beheersen de menselijke conditie. Mensen lijken aan natuurlijke krachten overgeleverd te zijn. De eigen wil lijkt geen rol meer te spelen. Je krijgt de indruk dat Verzett wil zeggen dat met dezelfde kracht waarmee de taal zich aan haar openbaart, het leven zich in al zijn gewelddadige facetten aan de mens opdringt, zoals de onweerstaanbare stroom van een rivier.

In deze eerste cyclus speelt de liefde op de achtergrond een rol, zonder dat duidelijk wordt om welke partners het gaat, maar het gaat bovenal om de creativiteit van het woord. De ‘ik’ beschildert ‘meisjes zonder voegen’, uit één stuk, vissen vol mercurius. Meisjes vol vuur, vol dualisme in zich waarbij de krachten van het onbewuste en het bewustzijn, het intuïtieve en het rationele om de voorrang strijden. Mercurius oftewel Hermes is bij de alchemisten de scheppende geest in de materie. Verzett beschrijft in deze cyclus een soort alchemistisch schrijfproces. De liefdesscènes staan in het teken daarvan: ‘de knoppen trokken van de dagen af/ we werden wakker met dunne urine en de/ malende haargrens sloeg op de plaats van de kippen// ik heb tekst gekregen – ik had tekst nodig howie/ speld en nog goede stof/ dag lieve trompetgeschalklaroengestotene//’. In dit laatste woord komt even het taalspel zoals dat we kennen van Paul van Ostaijen, om de hoek kijken. Voor Verzett is deze Sophia een inspiratiebron om daarin zonder hypocrisie al haar creatieve ijver neer te leggen.

Alsof de woorden met een overweldigende kracht haar geest binnenstromen, zo staan de versregels ook op papier. Nauwelijks tot geen interpunctie, op een enkele gedachtestreep na, hoofdletters blijven achterwege. Vrije verzen. De cyclus ‘School’ bestaat uit elf korte gedichten. Opening met een herinnering aan school. Het perspectief van een kind. Zang, bord en canon en een blonde buik. Alles lijkt groter te zijn dan het in werkelijkheid was. ‘We weten niets.’ Maar ‘het verre veld zal binnendringen/ volgens hopper:/’. Edward Hopper is de schilder van melancholieke taferelen die hier de wereld van de ik bepaalt. Als er al mensen op zijn afgebeeld, dan bevinden ze zich in een desolate toestand. Verder zijn er de diverse taferelen zonder mensen, zoals verlaten huizen in het kustgebied, vuurtorens en benzinestations: verstilde beelden zonder mensen. Verzett volgt in deze cyclus min of meer de schilderkunstige ontwikkeling van Hopper: van zee, strand naar stad, van natuur naar mensen in de stad. Fascinatie voor het desolate en in de in zichzelf opgesloten mens. Zijn schilderijen hebben haar blijkbaar geïnspireerd en roepen een hang naar geheimzinnigheid bij haar op: ‘steeds minder de zee/ in plaats daarvan schildert hij/ de vuurtorens/ kunnen schilderen de zee/ door vuurtorens te schilderen/ in mij springt het witte wief/’. Ze stelt vast dat ‘bij hopper leeft niemand/ zijn driften uit/ in zijn werken, hij hield/ niet van stierengevechten/ zoals hemingway/’. De symmetrie in zijn beelden, het vreemde licht en de vleesroze gezichten zijn goed voor een gedicht. De innerlijke wereld van de ik uit deze cyclus gelijkt op die van Hopper.

In de cyclus ‘ Lichting’ voert Verzett ons in eerste instantie een schilderij binnen. Een collageachtig doek vol uiteenlopende elementen. De maker ‘breit’ een geheel uit dit alles, in ‘zinnen’ wel te verstaan uit het ‘ opgevouwen lover in mijn verlichte hoofdhut’. Dan volgen er een memento, herinneringen aan een willekeur van dingen en gebeurtenissen: ‘het avondverkeer kruipt met dikke tong langs de romeinse villa/ luna, wat wil je?’ Maanlicht en neonlicht strijden om de voorrang. Niet alleen het licht van buiten maar ook het licht van binnenuit telt: ‘dans je licht?/ dans je vedervoet?/ ’n bredere dynamiek en niet het grandioos van de barok/ mooi in de maat;/’. De ik wil zicht ‘om er doorheen te kijken’ en ‘in een hoge sfeer’ te zien. Hoe keer ik terug uit de herinnering van mijn jeugd? Hoe raakt dat beeld uit mijn hoofd? Om de beelden te kunnen blijven verdragen moet je de sfumatotoets ingedrukt houden. La forza d’ un bel viso. De kracht van de schone blik van de dichter die de dingen aanraakt, waarop de dingen hem aanraken. Telkens speelt er weer het geheim van de inspiratie in het creatieve proces.

In de laatste cyclus ‘Lied van de ezel’ staat het rad van Ixion nooit stil. De ik op zoek naar de Natureingang, op zoek naar de hoefsporen van onze ezelsschedels, het diepste binnenste van de menselijke ziel. Vanuit het perspectief van de ezel trekken de gruweldaden van de mens aan ons oog voorbij. ‘Ik wacht in je voorhoofd het behoedzame landschap af’.

In een interview dat Ramsey Nasr gaf in dezelfde Poëziekrant van 2006, sprak hij over twee zaken die in mijn ogen de moderne poëzie vertroebelen. Als liefhebber van de polyfone muziek van Dimitri Shostakovich wil Nasr de meerstemmigheid in zijn poëzie laten horen, zonder dat hij de verstaanbaarheid in gevaar wil brengen. Hij weigert te pronken met non-communicatie en zweert zoals hij dat noemt het moderne sjamanisme af. Dat zijn nogal statements, maar ze zijn glashelder als gaat om de geëngageerde poëzie waarvoor Nasr wil staan. De poëzie van Verzett daarentegen gaat mijns inzien ten onder aan een kakofonie van geluiden, doordat de lezer te grote sprongen moet maken. Salto mortales. De lezer mag niet te lang op doodlopende dwaalwegen van betekenis achterblijven. Verzett doet er nauwelijks een aandoenlijke poging toe dat te voorkomen.