Recensie van Zwembad de verbeelding - Tom Van de Voorde

Het uitgebroken Zwembad

Tom Van de Voorde
Zwembad de verbeelding
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551063
€ 24,95
79 blz.

Bij alles wat wij ontmoeten zoeken wij in eerste instantie naar het ons bekende. Dat betekent veiligheid. Elk gezicht wordt geijkt op wat ons bekend voorkomt, elk landschap waarin wij ons bewegen, maar ook elk boek dat wij lezen. Sommige mensen houden zich hun leven lang met maar één genre bezig, anderen, nieuwsgieriger, verdiepen zich in alles wat ze tegenkomen en zijn daarbinnen op zoek naar datgene wat hen vertrouwd voorkomt, én naar wat daaraan is toegevoegd: het vernieuwende. Het is de enige manier waarop wij orde kunnen en willen scheppen in de wereld. Tezelfdertijd geeft het een gevoel van beperking, en dat is irritant. Het vertrouwde mag dan veiligheid betekenen, het beperkt je beleving ook en geeft het gevoel niet ten volle te leven. In Rotterdam rijdt een vuilniswagen waarop de dichtregel: ‘Als het nieuwe tussen ons maar niet verdwijnt’ (Ahmed Suwaylim), waarin de samenhang tussen het vertrouwde en het nieuwe prachtig is uitgedrukt. Leven betekent beweging, binnen bepaalde grenzen: verandering.

Tom Van de Voorde (1974) heeft zijn nieuwe bundel Zwembad de verbeelding genoemd. Wat doe je in een zwembad? Je trekt je baantjes of je speelt er. Ernaast blaas je uit, liggend in je strandstoel. Leisure life. Even geen zorgen aan je kop, weg van de dagelijkse discipline. Maar ook verveling. Ook dat hoort bij een zwembad. De eerste reeks gedichten van de bundel heeft als titel: ‘oases van uitgestelde bekommernis’ meegekregen.

Al in het eerste gedicht van de bundel kom je alles tegen waarover ik het hierboven heb gehad:

De lucht is scherp
en de eksters haken
in de takken

Alles staat klaar
om uit een gevel te stappen

Wij verbergen ons
schrikbarend op zoek
naar een vulkaan

Vroeger leek het
groener hier
zeg je – ik streel
als versteend een hond

Een schommel breekt
ongewis muziek

en laat een glimlach diep
openwaaien

Er kleeft honing
aan een zegen

Ik wikkel me in
een toevertrouwd deken
en lig naast je
als een gekneusde pols

Zoeken naar een vulkaan en niet bewegen. (Bewegen doet pijn!) Leven en veiligheid blijken tegenstellingen. Maar ook de vulkaan is natuurlijk bekend, al is het voor de meesten van ons: op veilige afstand.

Tom Van de Voorde voert in de bundel Zwembad de verbeelding een gevecht tegen de bestaande orde. Soms lijkt hij wild om zich heen te schoppen tegen alle verstarde vormen die hij tegenkomt. Dat blijkt onder andere uit de derde reeks van de bundel (hij bevat er zes): ‘het conservatorium van moskou tijdens de koude oorlog’.
Het wordt vaak vergeten dat De Koude Oorlog ook een culturele oorlog was, met de ijzeren discipline van de Sovjet-staten tegenover de zogenaamde vrijheid van het Westen. Zij hadden het klassieke ballet, wij de abstract-expressionisten. Wat Van de Voorde in deze reeks tevoorschijn tovert heeft minder met muziek te maken dan met juist alles wat de muziek verzwijgt. Vooral de lichamelijke aspecten van het menselijke. Het zijn geen mooie, esthetische gedichten, integendeel: het lijkt of Van de Voorde, met terugwerkende kracht, zijn eigen kleine koude oorlog aan het voeren is tegen een esthetiek die het menselijke buiten beschouwing laat. Woede, onmacht, minachting en meedogenloosheid, gericht tegen alles wat het menselijke ondergeschikt maakt aan kunst en ideologie. Seks als belangrijkste wapen. Het is alleen jammer dat je een beetje ingewijd moet zijn in de wereld van de klassieke muziek, om te weten waarover en over wie hij het heeft. Je moet je bijvoorbeeld Sviatoslav Richter voor de geest kunnen halen, zijn kale, melancholieke kop, je moet weet hebben van zijn zelfhaat om het gedicht dat Tom Van de Voorde aan hem wijdde ten volle te kunnen waarderen.

Dat bezwaar kleeft aan meer gedichten, maar ik weet eigenlijk niet of ik dat als bezwaar moet aanmerken. Kennis van zaken schiet per definitie tekort. We kunnen bijvoorbeeld het werk van Van Gogh jarenlang hebben bestudeerd, zijn brieven hebben gelezen, en toch nauwelijks beseffen wat hem gedreven heeft, wanneer wijzelf geen religieuze achtergrond hebben. We kunnen de poëzie van Judith Herzberg waarderen, maar geen besef hebben van haar Joodse achtergrond, en hoe die haar poëzie heeft beïnvloed. We kunnen eerdere bundels van Van de Voorde gelezen hebben, en dan teleurgesteld zijn omdat wij in Zwembad de verbeelding niet de dichter ontmoeten die wij dachten te kennen. Maar moet de dichter niet vrij zijn om zijn hart te volgen en te experimenteren, andere gevoelslagen aan te boren dan welke wij tot nu toe van hem kenden? Is het noodzakelijk de poëzie van Kees Ouwens te kennen om ‘kees ouwens gaat dood’ te kunnen waarderen? Ik betwijfel het. Het lijkt erop dat Van de Voorde in zijn gedichten de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alles wil aantonen. Het lijkt wel alsof hij in de gedichten de grenzen ervan wil overschrijden, ze bij stukjes en beetjes meer in de door willekeurig wie ervaren werkelijkheid wil plaatsen:

(..)
Na je dood kwam ik te weten dat
je, eenzaam bovendien, in je aanschijn
een rusteloze verpozing had gezocht
in zoiets eenvoudigs als het branden
van bladeren in de herfst,
ongedurig in je herderlijke moed
het moment te willen verkennen
waarop het bewustzijn een waarheid wordt
van atmosferische omstandigheden
(..)

Hoe exact kun je vervagende grenzen aangeven?

De onderlinge verbondenheid waar ik net over schreef komt sterk tot uitdrukking in prozagedichten als ‘Het windgat’, dat uitgaat van een foto in een door de Chinese schrijversbond uitgegeven boekje met een tweetalig onderschrift. ‘Licht’, heette die foto, waarvan het Chinese karakter hem doet denken aan een kruiwagen, of liever nog, aan een tuintafeltje met een kromme poot. Daarmee is hij terug in zijn jeugd. Het eindigt zo:

(..) Ik heb niets met dat litteken te maken, maar ik kan nu eenmaal geen littekens zien, zonder te denken aan speelgoedpistolen, kruiwagens, natte handschoenen, mijn broer en nu ook aan het Chinese karakter voor licht, dat eigenlijk op een tuintafel lijkt, maar mij toch vooral herinnert aan het begin van de winter, toen wij vaders melancholie moesten bestrijden door de bladeren in de tuin op te ruimen.

Om daarmee licht te scheppen is zijn vaders betrokken geest.

Hoe langer ik mij verdiepte in de bundel Zwembad de verbeelding hoe meer waardering ik er voor kreeg. Juist het feit dat hij je soms maar weinig houvast geeft jaagt je door zijn gedichten heen, op zoek naar meer houvast. Maar het beetje dat hij je gemakkelijk geeft is genoeg, en bevredigt omdat hij genoeg nieuws biedt, genoeg ruimte schenkt voor associaties. Eén van de bijzondere zaken van deze poëzie: ze is alles, behalve vaag. De dichter heeft exact verwoord wat hij bedoelde, en dirigeert je in de door hem bedoelde richting. Met niet te vergeten de humor waarop hij de lezer regelmatig vergast.
Soms had ik maar één woord in gedachten, waarin alles vervat is waarmee een gedicht als het volgende mij raakte:

Zanger in het trapportaal

Ik verzin een tekst

op een bestaand lied
en zing van de afgebroken tak

de volle zak perziken
die eraan hangt

als ik het raam open zet
en het oudste zicht
groen en vrolijk maak

weigert het stof

weg te waaien
uit de windstreek

die ik trouw
maar moedeloos
bezworen heb

Mooi!

Recensie van Liefde en aarde - Tom Van de Voorde

In de traangasfabriek gegoochelde woorden

Tom Van de Voorde
Liefde en aarde
Uitgever: Poëziecentrum
2013
ISBN 9789056553456
€ 17,50
48 blz.

De dichtbundel Liefde en aarde van Tom Van de Voorde bevat twee soorten poëzie. Ik zal van beide soorten voorbeelden geven. Eerst twee gedichtjes uit de cyclus ‘De moord op Maurice Lippens’ als voorbeeld van de manier waarop de dichter iets uit de werkelijkheid op een gedicht plakt. De ex- topman van Fortis, beschuldigd van wanbeleid en misleiding, leeft nog steeds. En noch de ‘moord’, noch de man zelf komt in de cyclus voor.

Cecilia smeekt me te mogen afzuigen: Ik slik
laat je kwijl langs mijn kin druipen. Verneder me,
stamp je dikke, stijve lul in mijn keel.
Vooraleer ik kan terugmailen
laat mijn assistente haar weten
dat ik vanaf volgende week weer thuis ben.
 
Op maandag
kijk ik naar mijn lievelingsprogramma
als ik in slaap val
kijk ik naar de herhaling op zondag.
Wie wakker wordt krijgt ander nieuws
dan wie wakker was.

Van het andere type gedichten een aantal regels uit het titelgedicht:

Liefde en aarde zitten samen in de traangasfabriek. Ze poetsen hun
werktuigen en eten snoepgoed in de personeelskamer; in de refter
vindt die dag een lezing plaats: Tuinieren in de tropen of hoe Shakespeare
inspiratie vond bij de indianen.
          O, kleur van de aarde, wat is het beste? vraagt liefde.
          Het lidwoord, zegt aarde, bejegent zijn vijanden, maar kan nooit
afdwingend zijn. Of beter: poëzie die misbruikt wordt, kinderpoëzie, over
heropvoeden bij de Perzen, een wees zijn vergelding.

De verschillen zijn opvallend. Waar de eerste vorm voor de doorsnee vmbo’er moeiteloos te volgen is, lijkt de andere vorm slechts geschikt voor de hoger opgeleiden.
In het gedicht ‘Liefde en aarde’ roept de ‘poëzie die misbruikt wordt’, gevolgd door het woord ‘kinderpoëzie’, de associatie op met kindermisbruik. Dat lidwoord zegt in deze ook wel wat.
Het vervolg maakt het mij evenwel niet duidelijker:

Dit allemaal in kwatrijnen verwoord: een gedicht over het bewaken van
tempels; een gedicht dat de onafhankelijkheid voorspelt. In een bloem,
uit het hoofd, van een kind uit de duizend.

We zijn dan iets over de helft. Aan het einde van het gedicht heeft mijn onbegrip gewonnen. Omdat ik toch wel graag begrijp wat ik lees ging ik op zoek naar een redelijk gedicht. Ik vond:

Het ontstaan van een eiland

Voor ik het busstation verliet
en lang naar links keek, bedenk ik
in mijn herinnering, was er niet zoveel dat
ik had kunnen vasthouden, laat staan meenemen.
De namen van rivieren, van dode straten,
jouw handen, wat ik hun zei noch gaf
toen je blik verdween en de mijne viel
op het patroon van vloertegels, niet opgewassen
tegen de slepende gang van jarenlang vertrek.

Ik maakte bijna een luchtsprongetje. Hier las ik een gedicht dat niet volstrekt onbegrijpelijk is, maar ook niet zo simpel dat je jezelf afvraagt waarom de dichter deze notitie of dat grapje heeft opgenomen in zijn bundel.
En ik vond meer van zulke gedichten:

Triptiek van het vertrek

Dat het in stappen gebeurt, was te voorzien.
Maar een zeldzame bruikleen,
niet vijandig jegens een traject over zee,
leerde me pas echt tekenen.
De vorm van een driehoek, om mijn vriendschap
met bergen te camoufleren;
allusies op koningsdrama’s, evenzeer verboden;
de doorkijk van een rouwomslag,
als een raam met kleuraanwijzingen. Chinees wit,
Turks violet, Egyptisch geel, Perzisch bruin.
Een vallende kaars deed contouren vervagen,
pessimisme verdween in vreemde uitdrukkingen.
Toen gebeurde alles met touwen.

Al zou alles met fietskettingen gebeuren; mij een worst. In dit gedicht krijg je nog een beetje het gevoel bij je verstand te mogen blijven. Die driehoek, om des dichters vriendschap met de bergen te camoufleren, vond ik wel mooi, al heb ik geen idee waarom je dat, volledig bij je verstand zijnde, zou doen.

Cosmetica

Toen ik je hals wou versieren, bleek
er een gans aan te hangen. Overkop.

Haar lange nek gehaakt aan de jouwe,
je borstkas een waaier van veren.

Waar bleef de zwaartekracht van dit
alles, dacht ik nog, niet

wetende dat je eigenlijk aan de grond stond
genageld, noch mijn gedachte omarmde

dat vliegkunst een ogenblik is
dat zijdelings wordt aangeleerd.

Er vinden in de zinnen kleine transformaties plaats, die de betekenis telkens verleggen. Woordspel dus, hier en daar geraffineerd, waar je, als je daar gevoelig voor bent plezier aan kunt beleven. Meer moet je er, vermoed ik, niet achter zoeken. Maar deze poëzie heeft iets anders, wat, wanneer je daar gevoelig voor bent, kan maken dat je sommige gedichten, toch keer op keer wilt lezen: klank, ritme; muziek.

Vragen aan Shiva

hoe zinvol het is een vat
vol zeewier en golfslag te vangen,

gesluierd met sterren in
agrarische vlakte te rollen.

Breng me een gehavende fontein,
een touw aan een handvol paarden,

de zon op een veld vol tegels
in goudkleurig zand gelegd. Welke

richting geeft olie aan een vaas
eer een bloem haar kleur

verzint, een dam zijn vrijheid wint.
Al die oplichtende vrienden, schuilend

tussen zo veel netten. Tel ze en bereken.
Vraag of ze zelf haar naam mocht kiezen,

wat het dan was: een paar uitgesneden stenen,
een dak, geschaard tegen vergissingen,

als rijzende vlakte, geografisch naïef.
Misschien was het wel genoeg Ahmadi,

de geschiedenis van je land te borduren
met edelmetalen, necrologieën

als schelpen naast elkaar te leggen,
er ledematen bij te verzinnen.

Mijn postbode vraagt me wat
koninklijk betekent in het Hebreeuws

Als ik haar de voor- en nadelen van
het lijfeigenschap wil opsommen

fietst ze de heuvel af en roept
de laatste woorden van Hadrianus

ze blijken niet in de Brittannica te staan
bij onze volgende ontmoeting

wijst ze naar een hoop stenen die
allang op een toren wachten.

Hardop lezen, een aantal malen, dan ontsluiert zich wellicht iets dat niet in woorden is te vangen.

***
Tom Van de Voorde (1974) publiceerde in 2008 de dichtbundel Vliesgevels filter (nominatie C. Buddingh’-prijs 2009). Hij vertaalde werk van de Amerikaanse dichters Wallace Stevens en Michael Palmer en werkt als programmator literatuur bij Bozar in Brussel.