Recensie van In de ogen van de god - Henk van der Waal

Een dichter als filosoof, een filosoof als dichter

Henk van der Waal
In de ogen van de god
Uitgever: Querido
2014
ISBN 978902145617
€ 17,99
68 blz.

 
De filosoof Van der Waal zit de dichter vaak in de weg. Hij heeft een boodschap: je kunt alleen een volledig mens zijn als je het ‘onbestemde’ in je toelaat. De filosoof bepleit dat in zijn boek Denken op de plaats rust (2012) en daar is natuurlijk niets mis mee. Ook de dichter draagt die boodschap uit en dat is jammer, want dat gaat ten koste van zijn poëzie – ondanks zijn onmiskenbare talent.
Het onderzoek en het ervaren van dat onbestemde is het centrale gegeven in de bundel. Deze bestaat uit tien afdelingen met telkens een cyclus van drie gedichten. Het gebruik van ‘je’ speelt een belangrijke rol; in vrijwel ieder gedicht komt deze vorm terug. Gaat het daarbij om een verhuld ‘ik’ of een aangesproken persoon? De lezer? Of alle ‘medelevers’, zoals de dichter ons noemt? Het is niet altijd duidelijk en dat wilde de dichter ook niet, denk ik. Het onbestemde komt volgens hem namelijk voort uit een gemeenschappelijke grond en heeft daarom niet alleen met onszelf te maken. De overgang van het individuele naar het gemeenschappelijke (en vice versa) is rafelig.
Vroeger was het onbestemde voor hem god, maar na als een Ikarus van het geloof te zijn gevallen en vervolgens
 

wachtend tot een engel de
verbijstering van je lippen pelt, je
de taal toestopt en je licht verschoven
terugwekt in je zelf.

 
werd hij ‘keerling’ die weer verder kan, die ‘de zelfonthulling / in de ogen van de god / weerspiegeld heeft gekregen’.
 
Degenen die het onbestemde in zich niet koesteren, zijn er slecht aan toe. Zij zijn lege consumenten. Een mooi voorbeeld daarvan vind je in het gedicht ‘Dat je op een dag’, dat Van der Waal schreef ter gelegenheid van het vierhonderdjarig bestaan van de Amsterdamse grachtengordel. De bewoners waren na de voltooiing harde egoïsten die ‘nog slechts ter kerke /[gingen] om te horen: het is oké, / de zwarte handel overzee’.
Dat kan ‘de burger van de gordelstad’ met ‘de woekerende koopmansgeest’ niet straffeloos doen.  De gordelbewoner (ook hier aangesproken met ‘je’, waardoor deze burger algemener opgevat kan worden ) besefte weliswaar dat hij
 

het midden van de wereld was
wat niet wegneemt dat je nu niet meer snapt
wat je aan moet met dat ik, dat je vier eeuwen lang
door pochen en door strijd hebt aangedikt, en dat je
eigenlijk niets beters met hem weet te doen dan hem uit
te dossen met piercings en tattoos en dan hem onverholen
rond te varen door de geulen van genot en dan hem
eindeloos op te blazen tot hij knapt en ploft.

 
De leer van het onbestemde is postreligieus en onbedoeld streng.
Ook in het woordgebruik schemert de filosoof soms door de dichter heen. Begrippen als ‘je wezenlijkheid’, en ‘je zelfheid’ storen me, want ze halen mij uit de gedichten waarin die staan. Nog een voorbeeld: de dichter spreekt over ‘de haast die je / genereert om te vermijden / dat je je laaft aan / de bekoring die zich steevast / en belangeloos aan je opdringt’. ‘Genereren’ is een modewoord van consultants en hippe beleidsmakers: winst genereren, kansen genereren, aanhang genereren, energie op de werkvloer genereren. Er bestaat natuurlijk niet zoiets als een poëtische woordenschat, maar het juiste woord op de juiste plaats is wel wenselijk. In de context van dit gedicht lijken me deze associaties niet op hun plaats.

Sterk vind ik de relatie die Van der Waal legt tussen het onbestemde en de taal.
Het onbestemde, ‘de afgrond / die de spraak niet ophoudt in je uit te spreken’ wordt door taal opgeroepen, maar is niet te vangen. Het muzikale maakt het onbestemde voelbaar en zijn gedichten liggen goed in het gehoor. Ze zijn sterk ritmisch. Ter illustratie citeer ik het eerste gedicht.

O zoete kunst / 1
 
Als het suizen van stilte
 
dan water dat liefdesliederen lispelt
boven de klacht van een hart
 
je bestaat
je houdt het jouwe uit
je sleept de onverkwikkelijke lengte
van je verblijf achteloos de kombuis
van je taalregister binnen
 
maar het zeuren van de pijn trekt zich
niets aan van die lamlendige tekens
die persen geen angst uit een lijf
en weken deernis niet los
om aaibaar te zijn
of vreemd
of zo onteigend dat je
er van een afstandje naar kunt kijken
op een druilerige middag in december
 
als dat wel wordt gewild
moet je dwars en stug uit het lood
opengekerfd uitwieken boven de
branding die jou bespat en besprenkelt
en je overleveren aan het naderen
van de onverschillige wijdte die als bij
toeval de poel van je zelfheid
laaft en bemint

 
De cycli ‘Stabat mater’, ‘De Loopgraaf’ en, in mindere mate ‘Vestigingen’ vind ik het best. Niet omdat ze in technisch opzicht beter zijn dan de andere en ook niet omdat de thematiek hier afwezig is, maar omdat de filosoof zich meer op de achtergrond houdt. Opvallend is, dat deze cycli op verzoek zijn geschreven, maar Van der Waal slaagt er in, waar nodig, het particuliere algemeen te maken.  ‘De loopgraaf’ bevat drie schrijnende evocaties van de ervaringen van soldaten in de Eerste Wereldoorlog  en de constatering van de dichter dat onze wereld nooit meer zal zijn wat zij was. Twee gecursiveerde tussenstrofen vind ik veruit de beste van de hele bundel en zullen mij bijblijven:  
 

een verdwaalde hand, een kaal bot waar merg uit loopt, een star
oog zonder kas, een hart dat klopt in een opengesperde borst
 
het geeft zich alles over aan de koelte van de aarde, die al het
kruipend gedierte troost in de barre kringloop van haar schoot.

 
Tot slot zet ik mijn overtuiging tegenover die van Van der Waal. Die overtuiging is verre van uniek.
Poëzie in dienst van een ideologie, religie of andere boodschap is, als je de lat hoog legt, tot mislukken gedoemd. Kunst is het gebied van de vrijheid en staat los van de dienstbaarheid  aan verheffing of verlossing – wat natuurlijk niet betekent dat je de wereld om je heen met rust moet laten. De dichter Gorter ging aan de ideoloog ten onder; de dichter Van der Waal zou beter kunnen vliegen als de filosoof hem met rust liet. In het gedicht ‘Beducht de machteloosheid’ schrijft de dichter over het onbestemde:  ‘het onnoemelijke // ( … ) dat eigenlijk geen streving kent / buiten zichzelf.’ Vervang het onnoemelijke door kunst  en je bent er. Oscar Wilde heeft deze opvatting kernachtig geformuleerd in zijn prachtige aforisme ‘All art is quite useless’.

***
Henk van der Waal (1960) studeerde filosofie in Amsterdam en Parijs. Voor zijn debuut De windsels van de sfinx (1995) ontving hij de C. Buddingh’- prijs. In 2000 verscheen Schuldsanering. De aantochtster (2003) werd net als Zelf worden (2010) genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Die laatste bundel werd tevens bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Daartussen verscheen in 2007 nog de bundel Vreemdgang.
In 2012 verscheen het filosofische werk Denken op de plaats rust.
Sander de Vaan had in 2007 een uitgebreid interview met hem.

Recensie van Zelf worden - Henk van der Waal

Vloeiend en visueel

Henk van der Waal
Zelf worden
Uitgever: Querido
2010
ISBN 9789021437958
€ 17,95
64 blz.

Ach, wat zijn er toch ontzettend veel goede dichters in ons taalgebied. Valt daar Zelf worden op mijn deurmat, de vijfde bundel van Henk van der Waal, die in 1995  debuteerde met De windsels van de sfinx waarmee hij de C. Buddingh’-prijs won. In 2003 verdiende hij met De aantochtster, zijn derde bundel, een nominatie voor de VSB-Poëzieprijs.

Wat opvalt aan Van der Waals schrijfstijl zijn de lange, vloeiende zinnen. In Zelf worden bestaan alle gedichten uit één zo’n zin, door enjambementen in zestien regels geknipt, kennelijk gedaan omdat de vormgeving dat eiste.
Die vormgeving valt bij deze bundel trouwens onmiddellijk op. Van der Waal is naast dichter ook kunstschilder en dat zie je. Over de gedichten en over de bundel als geheel is niet alleen inhoudelijk nagedacht, maar ook visueel. De gedichten zijn vormgegeven als twee strofes, visueel blokken, van zeven regels. Er boven staat de titel in licht grijs. Die titel wordt na het eerste ‘blok’ en dus midden in het gedicht herhaald in dik zwart. Tekstueel is hij daar opgenomen in de zin waarin het gedicht bestaat.
De meeste gedichten zijn per twee gerangschikt, tegenover elkaar op de pagina, en vormen zo een eenheid, aangekondigd door een pagina wit en een pagina met de titels van de gedichten in verschillende grijstinten. Dit alles geeft de bundel een rustige, zeg maar gerust luxe, uitstraling. Maar het zorgt ook voor spanning. Het mag duidelijk zijn dat de vormgeving hier de betekenis beïnvloedt en dat dat ook de bedoeling van de auteur is geweest. Die lichtgrijs gedrukte titel bijvoorbeeld, die geeft het eerste gedeelte van het gedicht iets tentatiefs, alsof het nog niet echt begonnen is. Alsof pas in de tweede strofe, na de titel in het zwart zoals we gewend zijn, het ‘echte werk’ begint.

Al meteen in het eerste gedicht weet Van der Waal ook met de tekst zelf de aandacht te trekken.

cirkel

als het laat is, als de tijd zich
kromt in de schemer, als de
mist de velden bestookt met witte
wijven en de rimpels van het
land langzaam vollopen met een
zilverpapieren zwaarte, trekt de
taal zich terug in zijn doofstomme

cirkel

je speelt nog de troefkaart van
uitstel en lust, vlucht nog in tennis
en voetbal, maar eigenlijk draai je
al rond in de jubel van het totale af
laten weten: kijk maar hoe jij je kijkt
en hoe je al kijken verhevigd raakt
in de staar van je zuiverste droom

‘De troefkaart van / uitstel en lust’, ‘de jubel van het totale af / laten weten’. Dat maakt nieuwsgierig. De titel van de bundel suggereert dat het voornamelijk over de dichter zelf zal gaan. En dat lijkt het meestal ook te gaan. Daarom is het des te interessanter om de bundel in de tweede persoon te openen.
Van der Waal blijft overigens de hele bundel dicht bij het thema. Wie ben ik? Hoe ben ik geworden wie ik ben? Hij behandelt daarbij belangrijke zaken als vriendschap, jeugd en de liefde in zijn fysieke en zijn meer bekoelde gedaanten. In het gedichtenpaar ‘Transcendentie/Overgave’ raakt hij heel even subtiel aan het religieuze. Vaak gaat het, zoals vaak in poëzie, ook over de taal zelf.

Stilistisch is het Van der Waal in Zelf worden niet om ontregelend vuurwerk te doen. De nadruk ligt in zijn meanderende zinnen op de vloeiende melodie van de woorden. Het aankondigen van een vergelijking met ‘als’ staat mij vreselijk tegen, maar is wel een manier om het de lezer niet te moeilijk te maken. De formuleringen zijn niet altijd even origineel: ‘de moerasdelta / van je mislukte jeugd’ lezen we in ‘Vriendschap’. Of ze staan vol met grote woorden:

bijna niemand laat je toeven in de alleenheid
van je oorsprong, bijna niemand zet je aan
te wijlen in je waarheid, want alles en iedereen
lokt de openbaarheid in je uit…

(Verdichtsel)

Maar daar staat in ‘Spiegel’ bijvoorbeeld deze rake beschrijving van naïef jeugdig idealisme tegenover:

…vrienden, vonden wij, zijn
alleen vrienden als zij zich verwonden aan
een en hetzelfde onbereikbare idee

De bundel sluit af met het gedicht ‘Het wufte van je zaaisel’, waarin de regels niet onder elkaar, maar elk bijna onderaan op een eigen pagina, zijn afgedrukt. Het gedicht beslaat daardoor vierentwintig pagina’s. Onder de dichtregels zijn in driehoekvormen krioelende lijntjes afgedrukt, die volgens het achterplat een wortelstelsel verbeelden. Ik begrijp het niet helemaal en het gedicht heeft ook nog die wat pompeuze stijl die in de rest van de bundel ook vaak de kop opsteekt. Niettemin, doordat het gedicht in een soort vraag-antwoordvorm staat en het leestempo (vraag-antwoord-pagina omslaan) daardoor erg prettig wordt, is het toch een gedicht dat je nog een keer wilt lezen. Net als de rest.