Recensie van Ik heb de wereld geschapen - Alex van Warmerdam

De kunst om kunst te maken

Alex van Warmerdam
Ik heb de wereld geschapen
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2014
ISBN 9789046817841
€ 19,95
56 blz.

Alex van Warmerdam is schilder, dichter, film- en theatermaker, lees ik op de achterflap van zijn tweede bundel Ik heb de wereld geschapen. De term homo universalis schiet me even te binnen. Wie zoveel tegelijk doet heeft wel erg veel talent. En dan zo’n pretentieuze bundeltitel. Goed, men moet natuurlijk altijd wat vooroordelen overwinnen, maar een beetje argwaan lijkt me bij deze poëzie wel op zijn plaats. Dringt zich bij het lezen van de gedichten een andere mening op?


Ik heb de wereld geschapen
maar niet alles
de inktvis, uien
de hond, de vrouw
allemaal van mij
de woestijn natuurlijk
de duinen was een makkie
vuur en water was een klus
de rest is van een ander

die ander dat ben ik
van mij de wind, de basgitaar
het achterland, de klei
de kapsters in de dorpen
de jaloerse onderwijzer
de steiger met de lekke boot
maar ook, vergis u niet
heimwee en de tractor

ik ben de derde
hij die zelden wordt genoemd
er is nogal wat onafgemaakt gebleven
en het nodige waar ik mij voor schaam
maar met voldoening kijk ik terug
op de driftaanval, het sluwe vosje
en het opgestoken haar

Als een echte theatermaker laat van Warmerdam zijn acteurs opkomen. Achter elkaar staand, poppen ze op en vullen ze elkaar aan als een soort van moderne drie-eenheid. Of gaat het om één persoon, met een meervoudige persoonlijkheidsstoornis? Wie zal het zeggen. We kunnen het ook zien als een drie lagen diep graven in het eigen ik. Hoe dieper we in onszelf kijken hoe meer we tegenkomen wat ons niet bevalt! En als we het toch over acteren hebben: wie zijn we eigenlijk zelf? Hoe diep in ons lijf zit de huid van de ander die wij spelen?
Poëzie is theater op papier: ze prikkelt net als toneel onze verbeelding. En verbeelding, ja, dat is (misschien wel het enige) wat ons bezighoudt. Van Warmerdam weet dat. Hij maakt er dankbaar gebruik van door ons – zoals alle kunstenaars – de zaken die zijn eigen verbeelding prikkelen voor te schotelen. Iets waarbij hij opvallend veel blijk geeft van ervaringen in de natuur: men hoeft er alleen op te letten hoe vaak er boten, tractors, vennen, vosjes, rivieren en duinen in deze poëzie voorkomen. Een heel Hollands landschap dat opdoemt! Maar dat terzijde. Ik had het over verbeelding. Dat is wellicht wat de dichter bedoelt met de titel van zijn bundel: hij heeft met zijn verbeelding een wereld geschapen: zijn wereld.

Dus toch niet zo’n (heel erg) pretentieuze bundeltitel? Misschien. In het bovenstaande gedicht wordt de uitspraak van de ik-persoon wel gerelativeerd, maar in de bundeltitel niet. Daar blijft toch echt staan dat hij de wereld geschapen heeft. En dan moeten voor mijn gevoel de gedichten wel van zeer hoge kwaliteit zijn, anders geloof ik er niet in. En dat maakt me toch wat kritisch: de meeste gedichten lijken me metaforisch helemaal niet zo sterk. Metaforisch in de zin van meerduidig, niet van illustratief: ze beschrijven vaak wel een voorstelbare, uit het leven gegrepen scène met diverse personages waaraan op het eind een aparte, ‘bevreemdende’ wending wordt gegeven. Het volgende gedicht kan als voorbeeld dienen:


Mijn vader is al acht jaar op de grote oceaan
soms denk ik aan zijn stompe neus
aan zijn suède schoenen
aan hoe hij zat
als hij de aardappelen schilde

zwart, toch nog blauwe nacht
was ik in een kamer in de stad
met de jonge mensen en de windhond
die zich voordeed als een choreograaf
er werd gedanst op tyfusherrie

het eerste licht, de vogels zongen
mijn vader kwam de kamer binnen
vroeg om een glas jenever
liet zich zakken op de bank
hij had zijn best gedaan
maar dood zijn was hem niet bevallen

Was hij nou echt dood of niet? Misschien alleen in de verbeelding, die tenslotte maar heel weinig nodig heeft om los te komen. Blijkens het volgende gedicht:


Ze heeft maar een beetje nodig
om los te komen van haar nare dromen
van de bittere inkt, de slechte huid
van de zweren die zij tegenkomt

ze kan haar benen onweerstaanbaar spreiden
zwijgen als u thuiskomt in een stroef humeur
zij is uw minnares
maar ook uw voetveeg als het moet
omarm haar
de honger vreet aan haar verbeelding

De verleiding is groot om in de laatste regel tussen ‘haar’ en ‘verbeelding’ een komma (of streepje) te plaatsen, waardoor verbeelding zelf het onderwerp wordt en los komt van de ‘bittere inkt’, die een woord niet meer dan een woord laat blijven. Maar het gedicht gaat over een minnares, en ik heb geen reden om aan te nemen dat de dichter meer bedoelt dan hij zegt.

Veelzeggend voor deze theaterpoëzie is de voorplaat van de bundel, waar men in een van planken gemaakt gedrocht ‘een vrouw’ kan herkennen. Van Warmerdam schijnt het beeld zelf te hebben gemaakt (als je de wereld kunt scheppen lijkt me dat ook niet al te moeilijk). Is het kunst? Vestdijk heeft ooit geschreven dat kunst komt van ‘kunnen’. En daar ben ik het mee eens. Maar wat is ‘kunnen’? Iedereen kan feitelijk zo’n beeld als op de voorplaat is afgedrukt maken. Je hoeft er alleen maar op te komen! Ging het om de David van Michelangelo, bijvoorbeeld, dan was het een heel ander verhaal. Zelfs al had ik dat beeld in gedachten (wat ook niet één, twee, drie het geval is), dan zou me het nog niet lukken. Dat is dus inderdaad een kwestie van kunnen. Dat is kunst – in de zuiverste zin van het woord. Maar wat is het beeld van van Warmerdam dan? Kunst waarvan de kunst vooral zit in het idee, waarschijnlijk. Inderdaad: in het er op komen.
Iets dergelijks bij de gedichten. Ik vind de kunst ervan niet zo groot. Het zijn meer teksten waaraan een leuk idee – of schema – ten grondslag ligt dan (knappe) gedichten met een metaforische werking die mij blijvend boeit.
Ik chargeer (en chagrijn) een beetje. Ik weet het, ja, het blijven appels en peren. En tegen welk standpunt is niet wat in te brengen; en al helemaal als het over kunst gaat! Men zou zelfs kunnen beweren dat Van Warmerdam beter dan sommige andere ‘knappere’ dichters de lezer tot kunstenaar maakt. Ook met zijn houten beeld: hoeveel fantasie is er niet voor nodig om in die paar planken een vrouw te zien. Meer zelfs – op het eerste gezicht – dan voor het (h)erkennen van de David. Maar dat maakt van die paar planken nog geen echte kunst. Bij de David gebruiken we onze fantasie anders: meer gericht op het gevoel dat het beeld uitdrukt; meer gericht op een subtielere, onzichtbare realiteit (die veel moeilijker te kopiëren is). Kortom: het beeld van van Warmerdam probeert het uiterlijk van een vrouw te kopiëren; het beeld van Michelangelo een levende mens.

Ach, natuurlijk staan er hier en daar ook heel aardige dingen in deze bundel:


Ik zal ongezien ter wereld komen
per ongeluk
een slak vertrappen
en een vis
naar lucht zien happen
ik zal stiekem doodgaan
als iedereen televisie kijkt

Een raar gedicht. Geschreven vanuit het perspectief van iemand die (nog) niet bestaat en zichzelf ongezien op ziet komen, om na een wat onhandig bestaan even stiekem weer van het wereldtoneel te verdwijnen. Alsof de ik-persoon een bijrol heeft in dit ‘stuk’ van zijn eigen leven! Zo op het eerste gezicht een heel wat bescheidener ‘ik’ overigens dan de ik-persoon van de bundeltitel. Ook veel herkenbaarder: de meesten onder ons zullen er niet aan ontkomen grijs de geschiedenis in te gaan.
Maar we kunnen het gedicht ook op een andere manier interpreteren als we ons de rol van een regisseur of theatermaker voorstellen. De invloed van de genius achter de coulissen is weliswaar niet direct waarneembaar, maar zeker wel merkbaar op het toneel. Men zou zelfs kunnen zeggen dat een theatermaker – stiekem en onzichtbaar als hij is – de belangrijkste rol op de bühne heeft. Iets wat hem een beetje doet lijken op God. En tenslotte: wat is geestdodender dan televisie kijken?

***
Alex van Warmerdam (1952) regisseerde zeven speelfilms, waaronder Abel, De Noordelingen, Kleine Teun en Ober. Daarnaast was hij medeoprichter van het theatergezelschap Hauser Orkater en bracht hij theaterstukken uit voor theatergezelschap De Mexicaanse Hond. Hij schreef de roman De hand van een vreemde en de dichtbundel Van alle kanten komen ze (2006). In 2010 won hij de Johannes Vermeer Prijs (de Nederlandse staatsprijs voor de kunsten) voor zijn hele oeuvre.