Recensie van Voor jou, van jou - Nachoem Wijnberg

Telkens opnieuw leren lezen

Nachoem Wijnberg
Voor jou, van jou
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451523
€ 21,99
102 blz.

In de fabelachtige verhalen van Toon Tellegen lopen dieren rond die op de rand staan van besef maar net het laatste stapje van het echt begrijpen niet kunnen zetten. Zo’n mier, krekel of nijlpaard voel ik mij als ik het werk lees van Nachoem Wijnberg. In elk interview met de zeer productieve dichter, romancier, wetenschapper steekt het onderwerp even de kop op: hoe ondoorgrondelijk is Wijnbergs dichtwerk? En in al die interviews lezen we dat Wijnberg daar verwonderd en geprikkeld op reageert, zoals in de NRC: “Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.” Wie een krant kan lezen, zou klaar moeten zijn voor zijn dichtkunst. De verbazing, verwondering, zelfs teleurstelling bij Wijnberg lijkt oprecht. Hij is ervan overtuigd dat hij de mensheid zeer helder toespreekt. Hij wil graag een grotere lezerskring hebben, met betere verkoopcijfers om na zijn dood te kunnen rusten in een door de lezers bekostigd praalgraf. Ik gun het hem. Ik gun het iedere dichter; niet dat praalgraf, wel de lezers.

Misschien is zijn zeventiende bundel, getiteld Voor jou, van jou, wel de doorbraak voor het grote publiek. Het gaat over alledaagse herkenbare zaken: verliefdheid, verlaten liefdes, herinneringen, lichtheid en zwaarte. Er staan geen moeilijke woorden in en geen ingewikkelde economische theorieën. Wijnberg zegt het zelf al in het eerste gedicht: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, / en niet van anderen wil leren. // Daarna word je enkel / om wat zwaar is gevraagd / en je hoopt dat je ondertussen / – je kan niet zeggen hoe- / beter zal worden in het lichte.’ En die ‘je’, wie is dat dan? De lyrische ik spreekt vooral zichzelf toe. De dichtende ik wil zó graag lichter worden, maar wat dat betekent in een universum waar boomtakken doorbuigen onder het gewicht van vlinders, blijft als een mysterie tussen de regels hangen.

De krantenartikelen van de afgelopen maand zijn gevuld met aandacht voor herinneringen en de feilbaarheid van het menselijk geheugen. We lezen over getuigenissen van mariniers die niet overeenstemmen met wat er te horen is op bandopnamen bij hetzelfde incident veertig jaar geleden. En hoe staat het met de betrouwbaarheid van wat getraumatiseerden zoals incestslachtoffers zich herinneren? Herinneringen kunnen vervalsingen zijn van wat we hebben meegemaakt, vervormingen van wat we denken te hebben meegemaakt. In Voor jou, van jou komt de herinnering vaak voor. Maar zijn dat wel altijd ‘echte’ herinneringen? Bij Wijnberg kun je zelfs geschiedenis beleven waarvan het onbelangrijk is of je ze hebt meegemaakt: ‘dat is als herinnerd worden / aan waar je nooit bij was’.

Dat vervormen van wat we hebben meegemaakt, blijkt noodzakelijk om te kunnen leven met het onbegrijpelijke wat je overkomt. Onze geest zoekt via de eigen logica naar vormen om het verhaal rond de herinnering passend te maken tussen de andere vervormde verhalen van de menselijke belevenissen. Wijnberg ziet dat we daar zelf invloed op hebben, iedereen heeft een ‘heer der herinnering’ die, als een kasteelheer, waakt over wat er zoal rondspookt in ons geheugen. Deze heer der is zodanig machtig dat hij herinneringen naar zijn hand kan zetten.

In het gedicht ‘Avond’ zijn de herinneringen eerder gedachten aan verliefde wensdromen dan aan wat er werkelijk is voorgevallen. Het hopeloze verlangen is ook nog eens eindeloos, het vuur is nodig om in het donker naar gevallen parels te zoeken. Wie op het versierderspad is, neemt sigaretten mee om een meisje iets aan te kunnen bieden. Vuur meenemen is er niet van gekomen, dat moet van een ander komen, maar het vuur aan de praat houden kan heel stoer met het aansteken van bankbiljetten. Voor jou, meisje, van jou, smachtende ik.

AVOND

In plaats van een sigaret 
aan te steken met een brandend bankbiljet 
steek je een biljet aan 
met een ander, 
als iemand je vuur geeft.

Je bestelt porties 
die groter zijn dan je op kan, 
als je bijvoorbeeld water wil drinken 
bestel je een fles zo groot als dat meisje 
dat haar ogen dichthoudt.

Wil je een sigaret?

Je rookt zelf niet, maar hebt er wel een bij je.

Herinner je je, 
kijk hoe zij danst, 
met een brandende sigaret 
in haar hand 
alsof dat straks het enige licht is?

Wat is de kans 
dat een meisje 
je vraagt te helpen zoeken 
naar haar parels, 
op straat, in het donker?

Brak de parelketting 
om je hals?

Ja, zoiets, je hebt niet toevallig 
een zaklantaarn bij je 
of een paar lucifers?

Voor jou, van jou kent een sterke samenhang. De gedichten in Voor jou, van jou hebben zeggingskracht als losse gedichten, maar versterken elkaar door onderlinge verwijzingen. Eigenlijk kunnen we spreken van één groot gedicht in onderdelen. Veel gedichten dragen dezelfde naam: vijf keer is er de titel ‘Avond’, vier keer de titel ‘Je dochter’ en twee keer ‘Je dochters’. Heel associatief dansen de gedichten om steeds terugkerende motieven heen. Dat helpt bij het zoeken naar betekenis maar schept daarbij ook steeds weer nieuwe betekenissen.

Natuurlijk heeft Wijnberg gelijk als hij zegt dat hij helder taalgebruik hanteert in zijn dichtwerk. Er staat geen woord Spaans tussen, we hoeven niet bang te zijn voor onbekende symbolische onderlagen: wat er staat is wat er aan de orde is. Maar wat er staat moet uiterst zorgvuldig worden gelezen. Als Wijnberg een bundel Nog een grap noemt of Liedjes, gebeurt er iets met de betekenis van respectievelijk ‘grap’ of ‘liedje’. Woorden krijgen een nieuwe geschiedenis, een nieuwe herinnering. De titel Voor jou, van jou lijkt te gaan over de aangesproken lezer, de eerste ‘jou’ is misschien een andere ‘jou’ dan de tweede. Dat weet je niet, je zult de keuzeboom af moeten lopen om alle verbanden te zien. Wie heeft gekozen voor de ene betekenis, loopt het risico een andere laag te missen.

Wijnberg wil begrepen worden, voor Nachoem (Hebreeuws voor degene die troost komt brengen) is het dichten een roeping. Zijn dichtwerk bestaat om de mensheid verlichting te brengen. Als een profeet creëert hij heel productief gedicht na gedicht om ons lezers te verheffen en misschien zelfs te troosten. In heldere taal, maar niet de taal die we gemakkelijk verstaan. Niet de taal van de lyrische dichter met muzikale elementen als metrum en rijm en herhaling. Het is zijn eigen idioom en wie het aandurft om zich daarin te verdiepen die ervaart zoals Wijnberg schrijft:

De vreugde van het plotseling dieper 
kunnen zien, wat 
het lichte is.

***
Nachoem M. Wijnberg (1961) is romanschrijver, hoogleraar in de economische wetenschappen en dichter. Zijn eerste tien dichtbundels werden verzameld in Uit tien. Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzieprijs, Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs kreeg toebedeeld, Divan van Ghalib, Waaraan de Gedichtendagprijs toeviel, Als ik als eerste aankom, Nog een grap en Van groot belang (genomineerd voor zowel de VSB Poëzieprijs als de Herman de Coninckprijs). Wijnbergs werk is vertaald in het Italiaans, Duits en Engels; in de VS verschijnt in 2018 een vertaling van Van groot belang.

Recensie van Van groot belang - Nachoem M. Wijnberg

Een onderzoek

Nachoem M. Wijnberg
Van groot belang
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789025446475
€ 34,99
256 blz.

‘In Van groot belang staan gedichten over belastingen en overheidstaken, voorraden en schulden, notarissen en accountants, fabrieken en stakingen, vrijheden en grondrechten, hoe geld te verdienen en hoe verkiezingen te winnen, wanneer een oorlog te verklaren en wanneer een nieuwe staat op te richten.’
Dit citaat staat op de site van Atlas Contact over de bundel Van groot belang. Wie zich door deze onderwerpen laat afschrikken doet zichzelf tekort, al telt de bundel 256 bladzijden. Wie de nodige moeite doet zal ervaren dat het een zeer goede bundel is.

Wijnbergs nieuwe bundel bestaat uit gedichten en prozagedichten. Die laatste kunnen naar de vorm lijken op aantekeningen en een enkele keer op essays; ze eindigen regelmatig met een of meer envois in dichtvorm (het omgekeerde komt ook voor). Vaak zijn het redeneringen volgend op een vraag; die redeneringen roepen weer nieuwe vragen op. Ze kunnen ook het karakter hebben van gelijkenissen. Twee titels van prozagedichten: ‘De voorraad aan keren waarvan je je kunt herinneren dat iets gebeurde én dat je daarbij was, en dat die twee dicht bij elkaar kwamen en weer van elkaar weggingen’. En een heel praktische vraag: ‘Waar kun je nog meer belasting over moeten betalen en op welke manieren kun je belasting betalen of wat kun je verder doen in plaats van belasting betalen?’
De formuleringen in de prozagedichten zijn ingewikkeld. Het begin van ‘Il catalogo è questo’: ‘Stel, een dag waarop jij de beslisser bent, je bedoelt dat je in één keer voor iedereen beslist, zoals wanneer jij de enige kiezer bent, of bedoel je dat je voor elk van hen in een keer beslist alsof je hem bent, zoals wanneer je van elk van die kiezers een volmacht gekregen hebt?’ Er zijn veel van dat soort zinnen, het zijn breinkrakers die je snel uitputten; gedachtesprongen maken het nog lastiger. Het kan eenvoudiger en dat weet Wijnberg ook. Waarom doet hij het dan zo? Om de lezer te dwingen langzaam en zeer precies te lezen om de inhoud goed tot zich door te laten dringen?
De vorm intrigeert mij: de combinatie van gedichten en prozagedichten, de afwezigheid van afdelingen, de golfbewegingen van onderwerpen. Nog een citaat uit de tekst op de site (de stijl lijkt op die van Wijnberg): ‘Economie, politiek of geschiedenis gaan over hoe mensen met elkaar zijn. Poëzie is de krachtigste manier om iets te begrijpen van hoe mensen met elkaar zijn. Daarom is poëzie ook de meest geschikte vorm om het over economie, politiek of geschiedenis te hebben, uitstaande vragen te herkennen en redelijke voorstellen te doen.’
Een stevige claim. Wat maakt dat juist poëzie beter werkt dan wetenschappelijke artikelen of essays? Een tipje van de sluier licht de dichter op in het lange gedicht ‘Kun je nog een keer uitleggen wat je probeert te doen of wilt doen, bijvoorbeeld, wat kun je over Irak zeggen?’ De eerste en vierde strofe:

‘Soennieten, Sjiieten zijn hún categorieën,
en dat is nóg een reden om een dichter te vragen
(alsof je verder iedereen
al gevraagd hebt)
hoe de oorlog in Irak te winnen.

( … )

Maar misschien kun je
andere of nieuwe categorieën voorstellen,
om daartussen en daarbinnen te kiezen.’

Op grond van de titel en de eerste regel kun je aannemen dat het hier gaat om een gesprek of monoloog waar je middenin valt. Er zijn kennelijk al meer redenen gegeven om een dichter te vragen en nu gaat het om het formuleren van andere of nieuwe categorieën als middel om – bijvoorbeeld – de oorlog in Irak te winnen. Maar die regels tussen haakjes: ontkrachten die de extra reden niet? Poëzie mag dan de meest geschikte vorm zijn voor het herkennen van uitstaande vragen en het doen van redelijke voorstellen, maar het blijft een ingewikkelde en nooit aflatende zoektocht.
Als ik het volgende gedicht goed lees, maakt het veel uit als je weet bij welke dichter je voor zo’n onderzoek moet zijn. Het gedicht ‘Naar de markt kijken als naar de sterren en naar de staat als de maan in de herfst’:

Je staat op een leeg toneel
en moet uitleggen wat je ziet.

Zoals: Ik sta nu in een hoek
van een drukke markt.

Nu kun je tot vertegenwoordiger
van de staat op deze markt benoemd worden.

De opzichter die kan zeggen of de gewichten juist zijn
door ze in zijn handen te nemen.

Want je hebt je nooit vergist
in van wie een gedicht was.

Toneel is een belangrijk motief in de bundel, met name de tragedie. Is het een middel om het samenleven beter te begrijpen of te hanteren? Niet altijd. Een tragedie kan mensen een loutering laten meebeleven, zonder de voorafgaande kwelling te hoeven meemaken. In ‘Toespraken’ spreekt de dichter ‘burgers van een van de Alexandriës’ aan. Oude mannen gaan een keer per jaar naast elkaar staan ‘en zeggen toespraken op / uit vier of vijf toneelstukken / (die toespraken hebben jullie nog, / de rest kunnen jullie / alleen raden).’ Dat is goed, ‘want waar jullie naar luisteren / laat jullie niet meevoelen / met wat moeilijk is / en geeft jullie niet de hoop dat het daardoor / makkelijker zou worden als het jullie in het echt / gebeurde.

In het laatste gedicht spreekt Wijnberg zich ook uit over toneel. Het is te mooi om niet te citeren. Het heeft de langste titel ooit:

‘In een gedicht van Kavávis zegt een jongeman uit Sidon dat Aeschylos iets opgaf toen hij niets anders op zijn grafsteen liet zetten dan dat het veld van Marathon getuige van zijn dapperheid is, en de langharige Pers is er ook achter gekomen – ik lees eerst dat de jongeman uit Sidon vindt dat Aeschylos had moeten blijven spreken zoals in zijn toneelstukken en niet plotseling als iemand die in een café vertelt hoe hij de man die dacht dat dat hij klein en zwak was een lesje geleerd had, maar daarna zie ik dat de jongeman enkel zegt dat hij ook op zijn laatste dag aan zijn toneelstukken had moeten denken en niet enkel aan die middag in de zon, met de Perzen tegenover hem

Je geeft iets op
als je zegt dat je dapper was,
niet enkel dat je meeliep
in een leger dat een halve dag nodig had
om voorbij te lopen.

Maar je hebt vaker iets opgegeven,
als op een schaakbord,
en je tegenspeler
merkte pas aan het einde van de dag,
dat je er meer voor terugkreeg.’

Van groot belang is een bundel die het verdient om nauwkeurig te worden gelezen. Dan moet je die regelmatig wegleggen, het gelezene laten bezinken, weer oppakken, herlezen of verder lezen. Ik ga daar mee door, ik ben er nog lang niet mee klaar. De econoom Wijnberg kan tevreden zijn: deel de prijs eens door het aantal leesuren, dan zie je dat je kwaliteit krijgt voor een extreem lage prijs.

***

Nachoem M. Wijnberg debuteerde als dichter in 1989 met de bundel ‘De simulatie van de schepping in poëziereeks De Windroos. Sindsdien volgden andere dichtbundels en romans. In 2004 kreeg hij de Jan Campertprijs voor Eerst dit dan dat. In 2008 kreeg hij de Ida Gerhardt Poëzieprijs voor Liedjes. Een paar maanden voor Van groot belang verscheen zijn roman Alle collega’s dood.

Recensie van Als ik als eerste aankom - Nachoem M. Wijnberg

Eigenzinnig en on-Nederlands

Nachoem M. Wijnberg
Als ik als eerste aankom
Uitgever: Contact ,Contact ,Contact
2011
ISBN 9789025437619
€ 21,95
84 blz.

Nachoem M. Wijnberg publiceerde met Als ik als eerste aankom zijn veertiende bundel. Een zeer aparte en, helaas, nog altijd weinig gekende dichter. Een dichter wiens poëzie een gebruiksaanwijzing behoeft, maar die zeer, zéér de moeite waard is.

Beweging staat centraal in Als ik als eerste aankom, te beginnen bij de titel. Maar misschien nog belangrijker: de plaatsbepaling van de ‘ik’, de beelden, de poëzie zelf wellicht. De plaatsbepaling van de ‘ik’ komt nadrukkelijk naar voren in het titelgedicht:

Als ik als eerste aankom
neem ik wat
iedereen wel zou willen,
zoals het enige bed in huis
en ik zou het snel kunnen ruilen met
de eerste die er iets voor wil geven.

Dan heb ik misschien
nog een kans
op een plaats op de vloer,
tegen een muur aan,
zodat ik niet tussen
anderen in hoef te liggen.

Ik herinner mij hoe het was
toen ik voor het eerst binnenkwam,
voordat het terugvinden begon
van de vloer en het plafond
en de muren
die er waren.

We zien een ‘ik’ (de dichter?) die een plek kiest waar hij zich niet tussen anderen bevindt – en dus des te beter naar de anderen kan kijken. De dichter als observerende buitenstaander is een weinig verheffend onderwerp, maar voor Wijnberg is dit gegeven slechts het vertrekpunt voor een reis door zeventig gedichten.
De poëzie is tamelijk abstract: er is geen verhalende lijn in te ontdekken, geen engagement, en vooral (vrijwel) geen emotie. De met een sobere taal geschreven tekst bestaat uit vragen die Wijnberg stelt bij situaties, en de associatieve opeenvolging van overwegingen. Het lange gedicht ‘Maar heb je er zelf iets aan?’ is een treffend voorbeeld van het karakter van deze bundel. De derde strofe:

Toen je een keer
een koe geslacht had
vertelde je dat het geen triest werk was,
het was kalm en warm
misschien ook omdat het dier groot was.

Het nare beeld van een geslachte koe komt hier buitengewoon neutraal naar voren. Waarom kende de slacht geen emotie? Omdat het beest groot was – een feitelijke constatering, geen beroep op gevoelens of persoonlijke waarnemingen. Het maakt de poëzie van Wijnberg heel eigenzinnig en vooral on-Nederlands (wat uiteraard als een neutrale constatering is bedoeld). In taalgebruik is de bundel kraakhelder, inhoudelijk is het vanuit Nederlands, of zelfs westers begrip, echter veel lastiger te doorgronden.
Wat ik nog het meest in het oog vind springen, is de vanzelfsprekendheid van de eigenzinnige beelden en zinnen, en de vanzelfsprekendheid van de opeenvolging ervan. Het is zoals Wijnberg het zelf in dit gedicht omschrijft: ‘Je hoorde iemand muziek maken en het was alsof je die zelf maakte, al zou je niet weten waar te beginnen.’

De bundel heeft een bezwerend karakter. Dat bezwerende zit ‘m in de formulering van de beelden en zinnen, in het dwingende van de vragen, in de opeenvolging van associaties. Het levert een overtuigend geheel op waarin de samenhang (of het bevragen daarvan) niet aan de orde komt, en er ook geen ruimte voor de lezer overblijft voor relativering van, of twijfel aan het woord van de dichter. Dat maakt trouwens niets uit: de bundel loopt over van taalvreugde, taaldronkenschap, die geen relativering behoeft. Dat zou het feest dat deze bundel is, maar bederven.
Als ik als eerste aankom kent daarmee twee eigenaardige tegenstellingen: ten eerste het bezwerende karakter van de tekst tegenover de emotieloosheid van de tekst, ten tweede de taaldronkenschap van de dichter tegenover de emotieloosheid van de tekst. Die twee tegenstellingen roepen een spanning op, vergroot door het uitblijven van de persoon(lijkheid) van de dichter zelf. (Zoals hij het formuleert in het gedicht ‘Troje’: ‘Nog maar een keer de Odysseus-truc, niemand heeft mij gestuurd.’)
Eigenaardig genoeg hebben sommige gedichten ondanks alles nog de schijn van emotie, juist door hun onderkoelde taal. Zoals in het relatief concrete gedicht ‘Afspraak’:

Ach jij, jij
kunt midden op een warme dag
een bad nemen.

Je bent vroeg opgestaan
om op tijd te komen
en je bent alweer terug.

Je hebt geluisterd,
soms met je ogen dicht,
maar niet in slaap.

In alle kleren die je aanhad
was het zo warm
en je wilde zo weinig mogelijk bewegen.

En straks, als
het avond is
drink je thee met wie je
dat afgesproken hebt,
half in de tuin, half ergens anders.

Niets wat naar emotie ruikt, in dit gedicht. ‘Je bent vroeg opgestaan’ kan veel inhouden, maar wie verwacht het droge ‘om op tijd te komen’ als reden? En het theedrinken, dat klinkt als een gezellige avond met vriendinnen, wordt koel en afstandelijk door het ‘met wie je dat afgesproken hebt’ – als een vinkje op een te-doen-lijst.
En toch is het een gevoelig liefdesgedicht. Wijnberg lost enkele grote tegenstellingen, die ik eerder opmerkte, niet op: hij gebruikt ze om een sterke en volstrekt onafhankelijke poëtica op te bouwen. Hijzelf lijkt geen deel te zijn van de tekst, en ook de lezer is een genegeerde factor: hij staat erbij en kijkt ernaar – maar dat is in dit geval beslist een compliment.

(Nota bene: de uitwaaierende vormgeving van de meeste gedichten uit Als ik als eerste aankom is van dien aard dat het onmogelijk is deze hier over te brengen. Wie de correcte weergave van de citaten wil zien, schaffe de bundel aan.)

******
Nachoem M. Wijnberg (1961) studeerde Rechten en Economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 1990 aan de Rotterdam School of Management en werd in 2001 benoemd tot hoogleraar Industriële Economie en organisatie aan Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2005 werkt hij aan de Universiteit van Amsterdam. 
Wijnberg is dichter en romanschrijver. Hij schreef vier romans (meest recent: De opvolging, 2005) en dertien dichtbundels. De eerste tien werden in 2009 verzameld in Uit tien.  Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzie Prijs 2008,  Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs 2009 kreeg toebedeeld, en Divan van Ghalib, waaraan de Gedichtendagprijs 2010 toeviel. 

Recensie van Divan van Ghalib - Nachoem M. Wijnberg

Spreken alsof het een oplossing is

Nachoem M. Wijnberg
Divan van Ghalib
Uitgever: Contact
2009
ISBN 9789025432331
€ 24,95
166 blz.

Je kunt geen bundel van Nachoem Wijnberg recenseren zonder eerst toe te geven dat je geen idee hebt wat de man eigenlijk wil zeggen. Sterker nog, een te analytische leeshouding kan je bij Wijnberg, zo merkte ik toen ik drie weken doorbracht met zijn Uit Tien, tot de rand van de waanzin brengen. Toch is hij een van de allerbeste dichters die we hebben. Hij onderscheidt zich namelijk van andere ‘moeilijke’ dichters door zijn heldere, dagelijkse taalgebruik. In zijn meanderende, altijd logisch beginnende en pas later ontsporende zinnen zit altijd het gevoel van waarheid. Ze geven je het idee dat je ze, de volgende keer dat je ze leest, wél zult begrijpen. En dat is precies waarom je ze niet onmiddellijk moet willen overlezen. Nee, bij Wijnberg moet je dóórlezen, het overkoepelende verhaal proberen te zien of de muziek van de taal proberen te horen.

Overigens is het maar de vraag of Wijnberg überhaupt iets wil zeggen met zijn gedichten. Wijnberg is een zoekende dichter, een denker die het schrijven gebruikt om duidelijkheid te krijgen over wat er zich in zijn eigen hoofd afspeelt. Schrijver, schrijven en het geschrevene zijn onontwarbaar met elkaar verweven en het schrijven is, hoewel vaak in metaforen verborgen, een belangrijk onderwerp voor Wijnberg.

Wijnberg is ook een dichter die altijd op zoek is naar nieuwe inspiratie. Eerder bestudeerde en verwerkte hij al veel Japanse en Chinese poëzie en voor Divan van Ghalib heeft hij de Indiase dichter Mirza Ghalib als inspiratiebron genomen. Als recensent hoor je dan trouw aan het googelen te gaan en te vermelden dat Ghalib leefde in de zeventiende eeuw en in het Perzisch schreef maar ook in het, toen als literaire taal nieuwe, Urdu. En dat zijn vaste dichtvorm, door Wijnberg hier min of meer nagebootst, de ghazal was. Maar dat interesseert mij allemaal weinig. Als ik Wijnberg lees, wil ik Wijnberg. En er is heel veel Wijnberg in deze bundel die met zijn 162 pagina’s in de buitencategorie valt. Een slordige 140 gedichten die allemaal iets te maken hebben met het scheppen en de relatie schepper-geschapene. Vanaf het begin zit je er als lezer midden in:

Begin

Wat is dat ook alweer, dat waarover gesproken wordt alsof het een
oplossing is,
wat wordt ook alweer gemaakt in de werkplaats van donker
en licht, dat als het begin is.

Hoe hoog moet ik zijn om de aarde heel te zien en iets van de hemel
daaromheen,
zoals iets wat gebeurt heel zien, net ver genoeg om het begin
en einde te zien en iets daaromheen.

Subtiel schuift de dichter hier het schrijven en de schepping, het gedicht en het heelal over elkaar heen. En meteen ben je verloren. Je weet niet meer wie de ‘ik’ is, God, Ghalib of Wijnberg en je komt er ook nooit achter. We zien datzelfde, door Wijnberg bewust gecreëerde, vervloeien van personen de hele bundel terug. Dat geldt ook voor de verraderlijk eenvoudig ogende, kabbelende zinnen die zo karakteristiek zijn voor de stijl van deze eigenzinnige dichter.

Maar vaker dan in eerdere bundels lijken de zinnen verward, worden ze ongrammaticaal. Wijnberg is altijd een zoekende dichter geweest, een dichter die al schrijvende zelf wil leren en begrijpen, maar in deze bundel is dat gevoel op zijn sterkst. De zinnen vloeien nog, maar soms kraken ze ook: ‘Je moet zelf te weten komen wat ik zou moeten weten / om te kunnen zeggen wat je moet doen, ik kan zeggen waar / ik langer naar zou willen kijken als ik je zou kunnen zien.’

Illustratief voor een aantal andere aspecten van Divan van Ghalib is een van de twee gedichten die de titel ‘Brieven’ dragen.

Brieven

Ik lees brieven waarop ik gewacht heb,
ik weet hoe het afloopt en ik zou het willen veranderen,
omdat het niet genoeg brieven zijn.

Ik wil mij op de trap tegenhouden,
als ik een dag eerder wegging om een brief meer te krijgen.

Ik geef een te grote fooi aan de krantenbezorger,
wil ik twee kranten omdat ik bang ben dat hij plotseling niet
meer komt?

Of bedoelde ik niet de krantenbezorger, maar de postbode,
maar hoe kan de postbode mij twee keer zo veel geven?

Wat ik krijg als ik niet hoef te kijken,
ik word als de krantenbezorger en de postbode die allang
niet meer komen, omdat ze ander werk hebben gekregen.

Wie vandaag de post rondbrengt mag twee of drie brieven voor
zichzelf uitkiezen;
een postbode kan worden wat hij wil, liever postbode dan
advocaat.

Vanmiddag sprak ik met een advocaat, liever postbode dan advocaat;
ik doe alle lampen aan omdat je niet binnen wil komen in
een donker huis waarin iemand is.

Dit staat in brieven om te lezen als ik vandaag nog naar huis terug
wil, wat niet kan omdat ik ver van huis ben;
waarom zo veel brieven, was één niet voldoende?

Mijn precieze adres brengt de postbode alleen maar in de war;
schrijf: Ghalib, Delhi, en je brieven komen aan, dat beloof ik.

Het eerste dat opvalt in dit gedicht is dat de tijd door elkaar gegooid wordt. Eerst wordt er gewacht en gelezen, dan gaat de ik weg, terwijl hij tegelijkertijd de krantenjongen een fooi geeft. Om de verwarring te vergroten wordt de tijdsaanduiding dan in de zevende strofe weer heel concreet: het is middag geweest en het wordt donker. Maar dan kloppen de plaatsen weer niet. De ik krijgt brieven, maar hij is niet thuis. Ook die verwarring – op de één of andere manier voelt het bij Wijnberg niet goed om van ‘verwarring’ te spreken omdat ik er van overtuigd ben dat er in zijn gedichten juist naar orde gezocht wordt en niet naar verwarring. Laten we het dus ‘vervloeiïng’ noemen – ook die vervloeiïng dus wordt bevestigd: ‘Mijn precieze adres brengt de postbode alleen maar in de war.’ En dat is nog maar één van de paradoxen in dit gedicht.

En die brieven? Waarvoor zijn die een metafoor? Geld is een mogelijkheid, omdat de ik er ‘niet genoeg’ krijgt en vanwege de zin ‘als ik een dag eerder wegging om een brief meer te krijgen’, die een parafrase is van de Amerikaanse uitdrukking ‘a day early, a dollar extra’. Ook de krantenjongen (die immers ander werk krijgt en misschien uiteindelijk wel miljonair wordt) is een aanwijzing in deze richting. Maar je weet het nooit zeker en het is nooit eenduidig. Bovendien wordt het beeld, hoe kan het ook anders, op zijn kop gezet aan het eind van het gedicht.
Strikt genomen is er ook geen reden waarom het gedicht niet gewoon over brieven zou kunnen gaan. Maar de combinatie van de dagelijkse taal, weer dat vloeiende, rustige, met het alsmaar noemen van dat woord ‘brieven’ doet de lezer vermoeden dat er meer aan de hand is. Vermoeden, want je krijgt er nooit je vinger achter. En de volgende keer dat je het leest zie je weer andere dingen, verwonder je je over een ander woord.
Je weet dus ook nooit wat nu van Wijnberg komt en wat van jou. Is de dichter verward geweest of was jij het toen je het gedicht las? Heeft Wijnberg het over geld of lijkt dat maar zo omdat jij daar in gedachten mee bezig was? De poëzie van Wijnberg verandert constant. Bij het herlezen van een hoogst ontregelend gedicht vind je vloeiende, muzikale zinnen en bij het nog eens opslaan van die prachtig lopende strofe merk je dat ook daar allerlei haken en ogen aan zitten. De gedichten spiegelen de lezer. Ze ontlenen een groot deel van hun betekenis aan het moment en de manier waarop ze gelezen worden.
Zoals dat hoort bij goede poëzie.