Recensie van Nog houdt het schip zich recht - Michaël Zeeman

Dagenlang een weg gehakt

Michaël Zeeman
Nog houdt het schip zich recht
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023488743
€ 24,90
192 blz.

Bij leven publiceerde Michaël Zeeman (1958-2009) twee dichtbundels. In 1991 was Beeldenstorm zijn met de C. Buddingh’-prijs bekroonde debuut (jury Miriam Van hee, Bert Schierbeek, Hans Tentije) en in 1995 volgde Verhoudingen, bij elkaar 77 gedichten. Voor de ‘Verzamelde gedichten’ Nog houdt het schip zich recht wist tekstbezorger Maarten Doorman, die ook tekende voor de mooie inleiding, uit de ongebundelde en nagelaten gedichten nog een kleine veertig gedichten bijeen te brengen.
Ruim honderd gedichten, dat is dus het poëtisch oeuvre van Michaël Zeeman, en misschien dat dit verdienstelijke ‘kleine’ werk zijn naam zal doen voortleven, lang nadat de schrijver, journalist, interviewer, columnist, criticus en televisiemaker die hij was, vergeten zal zijn. Want al bestreek deze erudiete, ambitieuze veelschrijver nog zoveel terreinen, van literatuur, beeldende kunst, geschiedenis, theater, wetenschap tot filosofie, en was hij – de ‘geweldenaar’, de ‘kunstpaus’ – daarmee ‘de meest complete intellectueel van zijn generatie’, een schrijver van krantenstukken levert in feite toch altijd niet meer dan tijdgebonden werk en daar helpt latere bundeling van de artikelen zoals in Aan mijn voormalige vaderland en Zo las hij, zo leefde hij (een bundel necrologieën) weinig aan. Het moet gezegd dat Doorman er wat dit betreft duidelijk anders over denkt.

De dichter Zeeman, die op Marken geboren en in Friesland opgegroeide domineeszoon (vandaar de aandacht voor Harlingen en Oostmahorn in zijn poëzie), doet opmerkelijk weinig denken aan de kosmopoliet die aan het Bildungsideaal van de homo universalis probeerde te beantwoorden – de 40.000 duizend boeken die zijn bibliotheek uiteindelijk telde brachten hem een eind op weg – en daarbij zo zelfverzekerd en dominant aanwezig was. Uit de gedichten rijst regelmatig het beeld op van een heel andere man: kwetsbaar, onzeker, zoekende, al duidt het kader waarin hij zijn eerste gedichten aanbiedt erop, dat hij direct een bepaald niveau nastreeft. De eerste afdeling van Beeldenstorm heet ‘Leçons de ténèbres’, en wat ‘ex tenebris’ tot hem komt – grootvader, vader vooral, het landschap van zijn jeugd – vangt hij in feite in de eerste strofe van het gedicht waarmee de bundel opent: ‘Fossiel’.

Te vinden wat er niet meer is:
een luchtbel in de steen. En
dagenlang een weg gehakt in deze
rots, die al die tijd geduldig bleef
en zweeg in al die eeuwen dat
een doorn haar vlees weerhield.

Ik moest vanwege de rots denken aan het bekende ‘Credo’ (uit Berchtesgaden, 1953) van Remco Campert, die schrijft hoezeer hij gelooft ‘in een rivier/ die stroomt van zee naar de bergen’, en hoe hij ‘geen water uit de rotsen [wil] slaan/ maar […] water naar de rotsen dragen’. Bij Campert de ongebreidelde dynamiek van het toekomstvolle leven, bij Zeeman het contemplatieve stilstaan bij het verleden, maar wel zodanig dat het als het ware programmatisch de toekomst duidt: het moeten vinden en vastleggen van een vergane werkelijkheid. Het gedicht is daarbij in zekere zin ook een geloofsbelijdenis, omdat de dichter met dat te vinden ‘fossiel’ ook heel goed op zichzelf kan duiden.

De persoonlijke grondtoon bepaalt Beeldenstorm voor een groot deel. In de kleine cyclus ‘Wad’ bijvoorbeeld, met de mooie laatste strofe:

Ik keer er weer, groet er
als telkens mijn vergrijzende doden
zoek in de striemende soms
strelende wind naar wat me
rest van hun adem.

Even verder meldt de dichter te lopen ‘over de rand/ van [m]zijn hoofd’ een sterk beeld voor het gaan tot de grenzen van het voorstellingsvermogen. Daarvan is ook hier sprake van:

Het onbehouwen beeld

Ik liet een foto maken
als ik jarig was: voorstudies
voor mijn vaders portret.

Steeds meer te zeggen
in steeds minder tijd,
in sprakelozer staat.

Zo oud als hij toen hij
mijn vader werd. Als ik
sterf lig ik kinderen achter.

Beeldenstorm heeft als kwaliteit ook de gevarieerdheid. Naast de jeugdherinneringen zoals in ‘Marken’ zijn er drie opvallende ‘zinloze liefdesgedichten’, die – een vondst! – beginnen met de woorden ‘Onvindbaar’, ‘Onbereikbaar’, ‘Ongrijpbaar’, en is er – voor mij het hoogtepunt van de bundel – de indringende cyclus ‘Vespers voor Maria’: ‘wijsheid is een ijdel spel dat tijd verdrijft’ en ‘wie veel heeft gezocht ziet zelfs wat hij vindt/ wantrouwend aan betwijfelt zijn herinnering aarzelt/ ten slotte te vinden wat zo bezeten werd verbeden.’
In het titelgedicht van de bundel lijkt de dichter erop te zinspelen dat van alle intellectuele en creatieve arbeid uiteindelijk niets overblijft. Het is, ‘Zoals een duif wordt doodgereden/ in het stadsverkeer, binnen een dag/ van vogel vlek wordt, een schaduw/ onherleidbaar in het natte asfalt.’

Er dringt zich in Zeemans poëzie voortdurend een ‘waarheid’ op, en daarom roepen deze gedichten een gevoel van urgentie op, blijven ze verre van obligaat maakwerk. Dat had de Buddingh’-jury dus goed gezien.

Het vier jaar later verschenen Verhoudingen houdt dit niveau vast, al lijkt de invalshoek veranderd. Suggereert de auteur in Beeldenstorm vanuit de duisternis te komen, deze bundel heeft als motto ‘Ook dingen sterven, vriendlief. En omdat ze moeten sterven, is het beter hen met rust te laten. Het is in ieder geval stijlvoller, vind je ook niet?’ Het is een uitspraak van Micòl Finzi-Contini, personage uit een beroemd verhaal van Bassani, die een zekere rust, onaangedaanheid, afstandelijke superioriteit lijkt aan te duiden, altijd een prima houding om relaties, van welke aard dan ook, tegen het licht te houden.
In de cyclus ‘Bevindelijkheid’ gaat het om een positiebepaling ten opzichte van de met ‘je’ aangesproken god van het christendom. In de slotregels is het als je Kopland afscheid van het geloof hoort nemen: ‘Maar je was er niet. Niet meer dan/ een naam, wat verhalen, wat heimwee.’

Veel gedichten hebben betrekking op liefdesrelaties, maar de invalshoek is nooit nadrukkelijk erotisch of seksueel; Zeeman is een opvallend kuise, prudente dichter. Bij borsten blijft het bijvoorbeeld bij kijken, want ‘Ik/ kon ze niet beroeren uit schaamte/ voor een hoofd vol ongepaste beelden.’ (Uit ‘Verloren jaren’.) Slechts een enkele keer is hij wat explicieter en dat is dan geen succes, zoals in het sensuele ‘Maartse buien’. Ik citeer de derde strofe eruit:

In mijn bloed suist week het verlangen
naar de bedwelmende geur van de morgen
die zich niets, niets aantrekt
van een verslapen dronkenschap,
van het rulle zweet op je voorhoofd,
de late flauwte in een handvol schaamhaar.

Verhoudingen leverde Zeeman niet nog een prijs op; er was zelfs opvallend weinig respons. Misschien dat de postuur van de essayist al het zicht op de dichter belemmerde?
In de ‘Nagelaten gedichten’ neemt de cyclus ‘Halverwege, de liefde’ de voornaamste plaats in, acht gedichten die geplaatst werden op de website van de DBNL.

Hoe vaker ik Nog houdt het schip zich recht doornam en hoe vertrouwder de dichter Michaël Zeeman me daardoor werd, des te meer waardering ik voor zijn poëzie kreeg. Ondermaats werk heb ik niet aangetroffen (hoogstens een enkele mislukte regel), zeker de helft is goed tot zeer goed. En wat door herlezing alleen maar beter wordt, is dus écht goed.

***
Zie voor meer info over Michaël Zeeman o.a. de Wikipediapagina, de recensies die Ron Elshout en Remco Ekkers schreven over Beeldenstorm (in respectievelijk Ons Erfdeel jrg. 34, 1991 en Poëziekrant jrg. 15, 1991) en Kees van Domselaars bespreking van Verhoudingen (Ons Erfdeel jrg. 39, 1996).
Zeemans gedicht ‘Halverwege, de liefde’ werd door Lambert Wierenga besproken voor Meander Klassiekers; deze analyse staat ook in zijn boek Zo werkt poëzie, Kok 2011.