Recensie van Een heel nieuw orgel - Ad Zuiderent

Bestendiging van je bestaan

Ad Zuiderent
Een heel nieuw orgel
Uitgever: Querido
2015
ISBN 9789021400778
€ 17,99
108 blz.

In de nieuwe bundel van Ad Zuiderent reist de dichter in negen afdelingen van uiteenlopende thematiek en vormgeving achter personen, beelden en ideeën aan. Hij laat zijn alter ego ontdekken wat van een blijvende betekenis voor hem is. Deze aandacht strekt zich uit over herinneringen aan de jeugd, reis- en leeservaringen, bewondering voor schrijvers, componisten en beeldende kunstenaars. De achtste afdeling is verlucht met illustraties van de hand van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge.

Wat vanaf het begin in het oog springt, zijn de momenten waarop de ik een roep om aandacht en gekend willen zijn laat horen, zoals in het eerste gedicht ‘Precies daar’ uit de eerste afdeling ‘De adem op je bovenlip’ het geval is: ‘Je ogen, je stem, je geliefde/ stem aan de/ telefoon/ dat ik je hoorde als iemand/ die mij miste’.

Bovenal schuilt in dit eerste gedicht het verlangen te verwoorden naar wat blijft en duur bezit. In dit gedicht tast de ik achtereenvolgens met zijn aanstippende beschrijving de ogen, het haar, de nek, het schouderblad, de stem en de beweging van de ander af, zonder er echter achter te komen wie de ander nu werkelijk is:

En hoe je beweegt,
geen minuut gaat verloren
aan stilstand geen onbevangen foto
laat zien wie je bent

Dat je er bleker uitziet
dan je zou willen,
dat is die avond

Blijkbaar is datgene wat de ik ziet, niet toereikend om te weten wie de ander is. Beeld, geluid, beweging vervluchtigen. Zelfs de vermeende notie dat de ander de ik zou missen, laat zich niet precies duiden. Alles beweegt, niets ligt vast. Zuiderents alter ego ondergaat de veranderlijkheid der dingen. In het gedicht ‘In één adem’ zegt hij daarover: ‘Was het wat je noemt een blijvende ervaring – ja,/ het was iets wat voorbijging in één adem.’

Om deze twee elkaar aanvullende een versterkende noties van bevestiging van de eigen identiteit en de veranderlijkheid der dingen dient Zuiderent net als de componist Oliver Messiaen steeds opnieuw achter zijn ‘imaginaire orgel’ te gaan zitten om hetzelfde anders en eender in woorden te vatten. Hij kiest daarvoor uiteenlopende versvormen, ritmen en klankkleuren. In die zin is zijn kleurenpalet even veelzijdig, verrassend en afwisselend als dat van de Franse ‘orgel’meester.

In vijf berceuses, laat de dichter zijn lyrisch subject wegglijden in ‘een stromende droom’. In een werveling van waken, slapen en dromen gaat de ‘je’ op in ander gedierte tot ‘hoog boven het dorp/ hoe je uitstijgt boven/ wat je jezelf noemt.’

In deze wonderbaarlijke wiegeliederen zingt de dichter zich naar een overgave aan het leven dat groter is dan hijzelf, richting de aarde, maar tevens los van diezelfde ‘aarde en haar brandhaarden’.

De Ligthart-gedichten vormen de afwikkeling van oorlogsherinneringen die de jonge Lighart met zich meedraagt. Zijn jeugd was ermee doordrenkt, maar hij zet zich ervoor in de oorlog van zich af te zetten: ‘Zie af van die oorlog, Ligthart, dat thema/ is voor jou toch geen doen, je hart ligt// onklaar’.

Ga de strijd aan met de oorlog in jezelf: ‘verander van level, maar schrijf oorlog goed af.//’. Hij schrijft het van zich af. Door het aanschouwen van het Isenheimer altaar van Matthias Grünewald te Colmar overleeft hij de beeldenstorm in zichzelf. Hij kan dan pas ‘de levende Ligthart van later’ worden.

Zowel het zoeken naar (erkenning voor) zichzelf als het verlangen naar stilleggen van de verandering benadert hij door zijn verbeelding te gebruiken. Naast inspiratie door literatuur en beeldende kunst speelt de muziek een voorname rol in deze bundel. Een dergelijke ervaring bereikt Zuiderent in zijn omvangrijke gedicht ‘matinee’. Wat een muziek met een luisteraar vermag, lezen we in dat gedicht. De muziek voert de luisteraar mee

met een koets
halfvol Onsterfelijkheid, de hoofdletters klonken,
het was zaterdagmiddag, wij waren vrij om iets anders
te doen, vreemdeling te zijn onder vreemd volk,
maar wij werden wat ons werd voorgespeeld, een wild hart

Die werveling krijgt ook prachtig gestalte in het gedicht ‘In het rond’, gewijd aan de wervelende film van de Duitse choreografe Pina Bausch. Iemand kwam uit de zweefbaan van Wuppertal: ‘het trilt in de lucht/ het grijpt als muziek/ in het rond, stormbal/ een vuist op de borst//’. Het terugkerend refrein in dit gedicht verbeeldt de rondcirkelende muziek die de dans omvat.

In de afdeling ‘Tussen stillevens’ vinden we herinneringen die zich vermengen met gevolgtrekkingen, geldig voor het hier en nu. In het gedicht ‘Stilleven met scrabbleletters’ schemert de vergankelijkheid tussen de scrabblewoorden door. Overigens niet zonder enige hoop vervolgt hij met: ‘En ik hoorde iemand zeggen dat als het leven een wonder is,/ dat dat ook geldt voor de dood.//’ Op ‘sentimental journey’ door de straten van vroeger is er nog even de glimp van herkenning. De tijd heeft onmiskenbaar zijn werk gedaan. Weer even keert het besef terug dat je in je jeugd geen idee hebt wat er nog zal komen, maar ouder en wijzer geworden besef je:

Het leven zoveel plus dus
ver voorbij het bos waarin
je alle kanten op maar niets
kon zien voorbij de bocht
in elke stronk een beeld
wel zonder hoofd en soms
een kei als ene klassieke tors
geen richting dan je benen
en uiteindelijk het licht
achter de rand verandering
van lucht steeds helderder
en ongemerkt een wei van rust
bestendiging van je bestaan
dus niet voor niets gegaan.

In een soepel stromend vers beeldt de dichter de levensreis van zijn alter ego in kort bestek uit, eindigend met het rustgevend perspectief van de bestendiging: dat het alles niet voor niets is geweest, dat dat zo zal mogen zijn.
In de afdeling ‘Naar de natuur’ is het stiltegebied uit de directe leefomgeving van de dichter in beeld: ‘Daar werd je compagnon van ’t lied/ stiltegebied of niet.//’. Daar waar de kersen geplukt, ontpit, gekookt in de pot geraken als een paradijselijk gedicht, terwijl de vissers de karpers lokaliseren, lokken en verschalken, en ze genadig weer teruggeven aan de natuur, valt het onrustig verlangen tot bedaren te brengen. In die zin laat deze vergelijking tussen het jam maken en karpers verschalken zien dat het maken van een gedicht eigenlijk een vervreemding van de opgedane ervaring veroorzaakt. Dichten is tegen beter weten in beseffen dat, wat aan verandering onderhevig is, niet is vast te leggen .
In de afdeling ‘ In een vreemde taal’ dicht Zuiderent over de taal van de Hethieten die zich laat herkennen aan het theehuis met z’n fresco’s. In deze ruimte van de aanwezige afwezigheid manifesteert zich opnieuw dat besef van veranderlijkheid. Eenzelfde ervaring heeft de ‘je’ als hij op zoek gaat in Odessa naar de schrijvers Poesjkin, Paustovski en Babel. Geen spoor is er van hen te vinden op de plek waar ze langdurig hebben gewerkt. Hun aanwezigheid is verhuisd naar de verbeeldingswereld van hun bewonderaars. Een zoektocht naar de woon- en/of werkplek van schrijvers en componisten levert niet op wat op vreemde grond de ‘harde klank’ van de eigen poëzie wél kan geven: bestendiging van je bestaan.
In de laatste afdeling, ‘Publieke man’, openbaart de dichter zijn remedie in het gelijknamige gedicht. Op zijn fietstocht door het Noord-Hollandse is hij de stille getuige van ‘wat bootjes op de motor en in de verte/ een traag zeil; je was vergeefs publiek.//’. Hij opent het gedicht met de mededeling dat hij wel moet blijven schrijven: ‘dat geeft energie/ en troost;/’. Niet zoals de componisten die enkel componeren als zij een opdracht hebben, en vooral weten voor wie, maar om het niet schrijft hij zijn poëzie, zonder van tevoren te weten wat er op papier zal komen. Bouwen in het luchtledige aan een oeuvre levert de meeste kans op bestendiging van het bestaan. De neiging in de diepte te willen denken, zoals Descartes onwillekeurig deed, doet een kunstenaar vergeten zich aan de momenten van bestendiging over te geven. Juist in die momenten gaat de hang naar identiteit en besef van veranderlijkheid voor even gelukkig ten onder.

***

 Ad Zuiderent (1944) is dichter. Daarnaast was hij onder andere jarenlang literatuurcriticus en universitair docent. In 1968 debuteerde hij met de bundel Met de apocalyptische mocassins van Michel de Nostredame op reis door Nederland. De dichtbundel Natuurlijk evenwicht (1984) werd in datzelfde jaar onderscheiden met de Jan Campert-prijs. We konden alle kanten op, zijn recentste bundel, verscheen in 2011.

Recensie van We konden alle kanten op - Ad Zuiderent

Een fietser die hobbelt naar niets

Ad Zuiderent
We konden alle kanten op
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido ,Querido
2011
ISBN 9789021441641
€ 17,95
80 blz.

In Geheugen voor landschap, zijn in 1979 verschenen vierde bundel, schreef Ad Zuiderent in het gedicht ‘Na de watersnood’: ‘Nu ben ik drieëndertig (Christus ging toen dood/ en had zijn zegje al gezegd). Wie staat model/ voor wat ik maken moet van wie ik worden zal?’ In zijn recent verschenen negende bundel is hij, in leeftijd inmiddels verdubbeld, toe aan een antwoord op die vraag:

Wind in het haar

Twee keer zo oud als Alexander bijna
bij zijn dood en vrijwel niets veroverd
een paar trouwe lezers hoogstens
maar die dan gedeeld met collega’s –
bijna twee keer zo oud als Jezus en die
stond weer op na zijn dood, ga eerst
maar eens dood dus en zie dan
of anderen zeggen: hij stichtte ooit
zonder volgelingen en zonder iets van
macht, alleen met gedichten, het
geloof in zichzelf, de hoogmis
een fietstocht, een blik op oneindig,
een stop voor een appel, een vlotte
terugweg, gevoel van wind om
het hoofd vooral, niet gehinderd
door andere wijzen van denken dan
van een gelukkige jeugd, kom daar
maar om, en ‘s avonds het rozig
gevoel dat er niets anders hoeft
dan een dag als een gat in het leven,
geen heerser, geen god of diens zoon
maar een leven met wind in het haar.

De oudere Zuiderent is tot het inzicht gekomen dat je om te zijn wie je bent geen geloof (In ‘Pavane’ wordt dat gereduceerd tot een sprookje op kabouterniveau) of modellen nodig hebt, zelfs niet – of misschien beter: zéker niet – van het kaliber Alexander en Jezus. Om ruimte te geven aan jezelf, te durven onbekommerd en autonoom vrij te zijn, letterlijk van geluk te kunnen spreken, volstaat ‘geloof in zichzelf’ te hebben, zeker als dat in gedichten kan worden uitgedrukt – wat dan toch een nauwelijks verhulde verwijzing is naar wie wel degelijk een rolmodel voor Zuiderent is, zij het van een totaal ander kaliber. Het is de dichter van ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,/ Voor de rechtvaardiging van een bestaan,’ Bloem dus, die zijn ‘Dichterschap’ toevalligerwijs maar een paar maanden voor Zuiderents geboorte schreef en naar wie Zuiderent in andere bundels diverse keren verwijst. ‘Herfst in het hoofd’ (uit: Geheugen voor landschap) eindigt met ”Altijd november,’ denk ik, ‘altijd regen.’/ Die regel zit, en raakt mij nooit meer kwijt.’ En ‘Naar de dichter van ‘In het verleden is de tijd niet meer” (uit: Op het droge, 1988) bevat Bloems credo ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.’

In zijn beste gedichten is Zuiderent een soort Bloem-op-de-fiets, bij wie al het tobberige verwaaid is in gezonde Hollandse tegenwind, terwijl een bewaard gebleven ondertoon van ernst behoedt tegen oppervlakkigheid. En fietsen doet Zuiderent, in bijna alle vorige bundels, en in deze nieuwe, die de titel meekreeg We konden alle kanten op, ook weer. (Uit zijn werk zou een mooie bloemlezing Alles op de fiets zijn samen te stellen, ware het niet dat die titel al in 1969 door Kopland werd opgeëist.)
Hoe sterk schrijven en fietsen bij Zuiderent samenhangen blijkt o.a. uit ‘Oud ambacht’, waarin hij (let op ‘dus’) het één voorwaarde maakt voor het ánder: ‘Geen dag zonder iets op papier,/ dus ook aan het eind van de zomer/ een heldere middag fietsen met vrienden’. Maar waarheen? In het bij wijze van motto vooraf geplaatste openingsgedicht van de bundel verbindt hij fietsen met ‘de vrijheid van kronkels’, dus met het alle kanten uit kunnen. ‘Volg de weg die niet blijft waar hij is,’ zegt hij, ‘vergeet wie je bent, wie houdt je tegen.’
Behalve voor fietsen, geldt dat evenzeer voor schrijven – zijn gedichten gaan inderdaad alle kanten op – en in filosofische zin voor het hele bestaan. In ‘Van A naar B’ omschrijft hij zichzelf als ‘[…] iemand die niet weet// of hem iets wacht of dat hij zelf/ iets aan moet met het vele niets,’ en in een gedicht waarin het eventuele leven van na de dood ter sprake komt, schrijft hij:

[…]
laat de fietser deinen naar nergens,
naar een innerlijk elders misschien,
zonder finish of deadline, het is
wat het is als het is wat ik denk:
fietser die hobbelt naar niets
midden in het leven gestorven.

We konden alle kanten op telt zes titelloze afdelingen. In de eerste gaat Zuiderents ‘ik’ terug naar het huis van zijn jeugd, verhaalt hij familiegeschiedenis, roept hij het leven van zijn vader op, komt er een jeugdherinnering boven. Het is concrete, anekdotische, direct aansprekende poëzie met een duidelijk nostalgische ondertoon, die makkelijk tot stand gekomen lijkt te zijn.
In de tweede afdeling staan vijf zogenaamde Hiernamaals-variaties centraal, waarin de ik-figuur bij de gestorven moeder informatie inwint over gene zijde. Dat gaat bijvoorbeeld zo:

Ma, ik probeer maar weer eens, er is nog steeds
van alles waar jij meer van weet dan ik:
[…
is het wat je gedacht had, of zeg je het is het
niet waard; ieder antwoord is goed, al lijkt het
een keuzemenu, dus maak je niet druk,
ook als ik niets van je hoor, weet ik genoeg,
[…]

De derde afdeling richt zich vooral op het eigen, met de partner gedeelde leven, en in deze gedichten etaleert Zuiderent af en toe een zekere vrolijke baldadigheid, zoals in ‘Nooit voltooid’: ‘zijn wij rond de zestig, zijn wij jong genoeg voor de lange baan,/ schuiven wij op, doebidoe, drinken een glas […] – zijn wij geil, doebidee, als kikkers […]’. Het lijkt wat geforceerd, maar dat wordt verklaard door de ondertoon van wel te ‘zitten in zalig niets’, maar dan toch in het besef ‘ons enig leven’ uit te zitten en wetend, zoals in ‘Gedeelde kennis’: ‘maar ook ons eenzaam weten/ is niet voor de eeuwigheid.’
Als Zuiderent een min of meer wijsgerige bespiegeling centraal stelt, in plaats van terloops en zijdelings aan te stippen, is hij het minst overtuigend, wat met name het geval is in ‘Le mémoire se cultive pas l’usage’.

De vierde afdeling richt zich op kunst. Die van componist Elliott Carter, vormgever Klaas Gubbels, Bob Dylan en van Zuiderent zelf, die in vijf van de beste gedichten uit de bundel over het eigen dichterschap schrijft.
Hierna zakt de bundel wat in. De gedichten over over W.G. Sebald en diens gebruik van plaatjes in romans en verhalen, en de gedichten geschreven bij het afscheid van respectievelijk Dick van Halsema en Anton Korteweg (hoe origineel ze als zodanig misschien ook zijn) zijn toch vooral ‘mengelwerk’.
Het slot zet dat met ‘[Erasmus loshandje]‘ weer recht:

[Erasmus loshandje]

Te paard is je geleerdheid, Desi, mijn boerenverstand
op een fiets, is als het malen van mijn soepele benen
het vluchtig gestoot van je bekken – een begin van muziek.

Wat hebben we anders? Het onduidelijk pad der geslachten?
De drukke wegen van het misverstand? De vluchtstrook
van elkaars gedachtestroom? De kruistocht van de ernst?

Je volgt je energie loshandje en je beleeft iets.
Zalig de dwazen. Want ook hunner geword ooit
eene
untemperierte fietsbel, een helder ‘hort paard’. Niet dan?

Met een ‘loshandje’ rijd je zonder handen aan het stuur, iets wat oefening, lef en zelfvertrouwen vereist. Ook het materiaal is belangrijk, want zonder rechtuitstabiliteit ga je alle kanten uit. Het is allemaal zo op de bundel toe te passen. Zuiderent mag best eens een grote naam in de Nederlandse poëzie genoemd worden.

***
Ad Zuiderent (1944) publiceerde eerder de bundels Met de apocalyptische mocassins van Michel de Nostredame op reis door Nederland (1968), De afstand tot de aarde (1974), Geheugen voor landschap (1979), Natuurlijk evenwicht (1984, Jan Campertprijs), Op het droge (1988), Op de hoogte van Icarus (1993), Jij als geen ander (2000), Fietsen naar niets (2004)