Gedichten

48624000

We zijn arme jongens in het keelgat
van het Nederlands, kreupele honden
in losse tongformaties,

soldaten van het vlakke ruggeland
geschapen naar het voorbeeld
van een laatste wapenfeit:

de poëzie. Taalverrader van het eerste
half uur dat loopgraven vult
en onze blikken met afvalligheid.

De soldaat strekt het been vol
nicotine teer en kogelgaten,
modder larven en het trillen
van het beven drukt
een landmijn de kop in.

Bij de derde stuiptrekking
zal het raak zijn en slaan alleen
zijn woorden terug:

godverdomme jongens,
zie me hier nu staan.


48624002

Alleen een wasdraad woekert nog
boven de straten, slaat een arm om de leegte
van de dichter die vol overgave halfstok
in de regen enzovoort. Hij komt klaar
in het kaalgevreten lichaam, noemt het nacht

en schaamt zich bloot. Op de rand van het bed
is hij een vlek die woorden in zich draagt
maar liever nog schenkt hij zijn pleinvrees uit:

1) Sla de twijfel achterover, kruip
van zijn dijen, druip van zijn kin omlaag
na laag en spoel aan in hondse stilte.

2) Verstrengel de taal tot ze begint te gapen,
raap de goten uit de stad, sleep de trekken
om een vrouwenmond de wereld uit.

Hij vouwt nog gauw wat lezers, slaat ze om
en drukt ze dood.

Daarna sticht hij hun vaderland.

 

48624008

In de witte stilte van tl-buizen
blazen we tekstballonnen vol uitroeptekens
door de teruggespoelde waanzin,
de videotheek van onze jeugd.

We begrijpen haar enkel als de geboorte
van twee planeten zonder atmosfeer
en van twee gelijkgestemde moordenaars
in de kamer van een eenarmige hoer.

De liefde was een kinderachtig schaduwspel,
een wereld zonder scherpe randen
waarin we enkel elkaar optelden
tot de negen niet langer op een foetus leek,

en woorden de trekker overhaalden
om stil te blijven staan.

Daar waar we veilig konden vallen
beschreven we de baan van een witregel
op een lichtjaar van de dood.