Gedichten

Hazenogen

Bovenaards dons
heeft een dichtheid die niet sluit

maar spiegelt in neergeslagen straten
ooit begaanbaar met de ogen toe –
het werd nooit warm van wang en
was veel zachter.

Nu wissel ik voortdurend van mijn zij:
zwaar en werelds is wat waar is

wat niet voorbij schuift als een wolk

II

vandaag een aantal jaar
geleden ging mijn oma weg

nu weet ik ook waarom water blauw is
deeltjes die verstrooid worden
uit de lucht, haar

laatste dag noemen we hemelvaart
ze vouwde zacht haar handen samen

ik weet niet wat ze dacht
voor ze vertrok en of

ze er ook sneller was

Tapijt
 
het blijven van die jongens
die met blokken bouwen
 
alles rust op fundamenten
zeiden ze en leerden je balans:
 
een gelijkzijdige driehoek
op een vierkantige, want
 
huizen zweven niet
 
zo werden blokken golven
en geen daken, maar
gelaagd geluid, muziek
zwarte stemmen onder water
 
het vergt een zelfde concentratie
om je meisje uit te kleden
de rits beheerst over haar schouder
vleugel gelijkvloers te dwingen –
haar hals geen seconde
ongekust
 
ik zie het zo voor me
 
laag voor laag, die
lange, blonde wimpers
een smalle lip, heel kleine tanden
toen je bloklandschap in één beweging
vlakgestreken werd
 

Gedichten

Autobaan

Duizenden kropen er laag bij de grond over loeiheet water;
het droop van zelfbesef in die kleine binnenruimte.

Daar, in die schelpkleurige wagen
gestoffeerd met onze nauw gedreven lijven
was het dat je zout van mijn bedolven jukbeen zoende

-we reden door zeer fijn, droog zand-

en al beten wij er niet in:
Alles leek even van zacht goud te zijn
dat op een rug van lucht naar links en rechts
tussen onze tintelende vingers schilferde.
 

Neerleggen

‘Oh’, zei ze
en ze wilde dat ze de uithaal van
dat woord had kunnen afknippen
om er een strakke, blanke klank achter te lijmen
of een kartelige rand;

vanaf nu zou ze op schommelende vloeren liggen
in tij, met haar armen en benen
opgekruld in de huid van hout

dan opstaan en haar gespannen kousen ophijsen
eens niet over zandbanken struikelen en
wat drassige modder tussen haar tenen voelen aarden.

‘Wacht..’ zou hij nu alleen nog mompelen
aan een flauwe afbeelding op het water.
 

Adolescentie (of iets anders maar ik weet niet wat)

Dit huis is mijn ratelende hoofd.

Zodra ik eventjes alleen gelaten word,
is het hier niet stil, nee instabiel;

klosjes kruimig weefsel smelten in elkaar als
feilloos overgetrokken omlijningen
van iets dat voortvloeit
uit wat buiten is.

Ja, eens dachten wij
kroelend in wollen draden
de hele nacht te kunnen vingerhaken.

Ik rol me stilletjes om
in mijn nest van scherp garen

en val in een met grasmatras bestrooide slaap.
 

Stilstaan

Zij dept zijn gezicht af met rozenwater
op een plek waar je elkaar vindt of niet
vindt in een donkere straat op de stoep
of in het wit van strepen

Haar hand tegen zijn wangen
veegt het zwart weg, dept
het donkerrode op
en ze ruikt zijn adem

Aangevlochten wenkbrauwen,
die donkerbruine spiralen en die
wimpers alsof zij
de achteruitduikende golf waren
die pas brak in zee

Zou zij ‘s ochtends water halen,
het op haar hoofd dragen en meenemen
naar haar dichtstbijzijnde huis — ja
maar dat ze nu stil bleef staan voor hem

alsof ze een bloem zag stikken