Gedichten

door Ivo Allewaert (1980)

uitgeteld

voor haar is vermageren
een aankondiging van de dood,
die ze altijd een kilo voor wil zijn

elke ochtend
op de weegschaal
een verzadigde glimlach
vijfennegentig kilo
vijfenzeventig jaar
schitterend

maar het kan beter
ik geef haar chocolademelk,
kniel en kijk:

stigmata in pantoffels verstopt
stappen gaat moeizaam
het bloed neemt een loopje met haar
is niet te stollen

ik moet er niet al te zwaar aan tillen
het zijn slechts tekens
die een heiden mag negeren
zegt ze, na elke slok
vult ze de laag slagroom weer aan

voedsel voor de suikerspin
die in haar bloedbaan klontjes kakt
van het scherpste kristal
en onderhuids
een ‘hier knippen’ strook tatoeëert

ik moet er niet al te zwaar aan tillen

drie weken na de operatie
duw ik haar
met een pijnlijk gemak
naar huis

gelukkig kan ze niet meer
op de weegschaal staan
 

incognito

ik kruip de volksmond in
en trek tegen de tong van leer

die draait beton
moddert aan de stad
waar achterbannelingen spuwen:
polaroidgedachten, het klikt

dagen aan elkaar
tot het jachtseizoen
fazanten uitstrooit
in een bosje bloemen

als naakte vrouwen
die enkel de ogen bedekken
en zeggen: je ziet ons niet

zweren jullie trouw mijn etter?

kastelen, ik heb er veel
koud gemaakt met natte dromen

 

diefstal!

ze had erom gevraagd
ik gaf haar de wereld
‘een koopje, wegens faillissement’

samen sprongen we
op die grote bal
en hoe harder we liepen,
hoe sneller hij achteruit ging

we stopten,
keken hoe het leven ontstond

tussen de eencelligen
wij, een koningspaar,
genoten gretig vruchtgebruik,

tot we werden opgevreten
door een oude man met baard

Marx of zoiets