Recensie van ik hier jij daar - Ghayath Almadhoun & Anne Vegter

Van twee werelden naar één

Ghayath Almadhoun & Anne Vegter
ik hier jij daar
Uitgever: Uitgeverij Jurgen Maas
2017
ISBN 9789491921346
€ 17,95
71 blz.

De dichtbundel ik hier jij daar van Ghayath Almadhoun en Anne Vegter is niet alleen een ontmoeting van de poëzie van twee dichters, maar vooral een confrontatie van twee actuele werelden. De eerste helft van de bundel bevat gedichten van Ghayath Almadhoun, die in 1979 geboren is in een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus en sinds 2008 in Stockholm woont. De tweede helft poëzie van dichter Anne Vegter, die van 2013 – 2017 Dichter des Vaderlands was, en ook kinderboeken en theaterteksten schrijft. Ze woont en werkt in Rotterdam.

Na het lezen van het eerste prozagedicht ‘Wij’ van Almadhoun, snak je naar adem en vraag je je af hoe deze bundel zich verder zal ontwikkelen. De dichter, die zelf vluchteling is, biedt namens zijn lotgenoten zijn verontschuldigingen aan voor de ellende die zij de westerse wereld hebben aangedaan. Vooral voor de gruwelijke beelden van geweld, dood en verderf die zonder opsmuk op televisie, internet en in de kranten, getoond zijn. Hij laat me genadeloos de wereld vanuit een onverwacht perspectief zien. Inhoudelijk gezien lijkt dit gedicht het cynisme voorbij. De opening van het gedicht luidt als volgt:

‘Wij die zijn rondgestrooid als granaatscherven, van wie het vlees door de lucht vliegt als regendruppels, aan iedereen in deze beschaafde wereld bieden wij onze oprechte verontschuldigingen aan, mannen, vrouwen en kinderen, omdat wij onopzettelijk in hun veilige huizen zijn verschenen, zonder toestemming te vragen.’

Almadhoun wisselt zijn prozagedichten, die zeer beeldrijk zijn, af met vrije dynamische verzen. In het tweede gedicht, ‘Schizofrenie’, presenteert hij de steden Ieper, Damascus en Stockholm. De prozavorm geeft de inhoud van de teksten een journalistiek karakter, het geeft de gedichten een dwingende actualiteit. Ook hebben ze iets van een openbare brief. Het is voor de lezer onmogelijk vrijblijvend aan vroeger te denken of al rustig lezend terug te blikken op het verleden. Wanneer de dichter als Palestijnse vluchteling door Ieper dwaalt zet hij de kleine onbeduidende oorlog van Palestina tegen Israël tegenover de westerse oorlogsmachine die is uitgemond in twee wereldoorlogen. Wrang stelt hij vast dat Ieper nu verworden is tot een toeristische attractie. In de vorm van scherp geformuleerde voetnoten onderbouwt hij zijn beschouwende prozagedichten. Ook laat hij zich in zijn gedicht ‘Zwarte Melk’ inspireren door het bekende gedicht ‘Die Todesfuge’ (1948) van de Roemeens-Joodse dichter Paul Celan, dat op surrealistische wijze de niet te bevatten werkelijkheid van het leven in de concentratiekampen weergeeft. Dit gedicht lezen naast de gedichten van Almadhoun is een bijzondere leeservaring.

Toch ziet de dichter een hoopvolle toekomst, al is deze nog ver weg: ‘Ik geloof dat we nog enige hoop op enige hoop hebben’. De geschiedenis ontwikkelt zich niet lineair, maar herhaalt zich; daarom is er altijd een toekomst waarop je kunt blijven hopen, een moment om opnieuw te beginnen. Ghayath Almadhoun sluit deze indrukwekkende reeks poëtische teksten af met ‘Damascus trok zich terug’, waarin hij bekent dat hij dit gedicht heeft geschreven voor een vrouw die hij liefhad: ‘Daarna zijn we uit elkaar gegaan. Zij heeft nu een andere man en ik heb dit gedicht’. Inderdaad, een kostbaar kleinood.

Anne Vegter spiegelt in haar gedichten ‘intussen’ en ‘ondertussen in Nederland’ niet alleen gelijktijdige gebeurtenissen in Nederland aan de ervaringen van Almadhoun, maar ze presenteert een welhaast groteske werkelijkheid waarin duidelijk wordt hoe het leven in Nederland kan ontsporen. Het eerste gedicht,‘ondertussen in Nederland (I)’, kenmerkt zich door een reeks lange associatieve opsommingen, die het rustige, dagelijkse leven in een kinderrijke woonwijk beschrijft. Dat doet ze op een zakelijke, herkenbare, maar in feite weinig poëtische wijze, waardoor je tijdens de lezen de sleur van het dagelijkse leven in een stadswijk voelt. Dit gedicht vormt een groot contrast met de poëzie van Almadhoun in het eerste deel, zowel in vorm en inhoud als in sfeer. In ‘ondertussen in Nederland (III)’ gaat het over ontploffingen, een grote brand, het blokkeren van wegen. Er is ‘in het hart van de stad een gat met een doorsnee van duizend meter geslagen’. Mensen gaan op de vlucht, vertrappen elkaar, de infrastructuur van het land is totaal verwoest. Ook Vegter hanteert een omgekeerd perspectief. De tekst eindigt aldus:

waar is de overkant
er is geen overkant
we drijven verder
we spoelen over de hele wereld
niemand zit op vluchtelingen te wachten
gelukszoekers
zo worden we genoemd

Het is duidelijk dat de gedichten van Anne Vegter thematisch gezien blauwdrukken zijn van de gedichten van Ghayath Almadhoun. Dit in de positieve zin van het woord, want de gedichten van Anne Vegter zijn persoonlijk en authentiek. Ze hebben zo’n prangende uitwerking op je dat je ze moeilijk kunt wegleggen. Mocht je als lezer denken: dit is een verbeelde wereld, in haar afsluitende monoloog ‘halverwege de middag’ laat Vegter zien dat het bombardement van Rotterdam een bewijs is dat het uitbreken van een oorlog opnieuw kan plaatsvinden, het gedicht toont dat het al eens gebeurd is. Deze tekst is geschreven vanuit het perspectief van een Duitse homoseksuele man, die in maart 1940 van Beieren naar Rotterdam reist om daar zijn familie te ontmoeten. Onderweg wordt hij door landgenoten misbruikt. In Rotterdam aangekomen, wordt hij gevangen gezet in De Doelen. Op 14 mei volgt dan het bombardement.

De titel van de bundel ik hier jij daar is misleidend. De dichtbundel presenteert de lezer geen twee gescheiden werelden, maar zij verbindt deze zodat een nieuwe werkelijkheid ontstaat. Een nieuwe poëtische werkelijkheid, die herkenbare elementen bevat en dicht bij de mensen staat. Er blijven na lezing genoeg vragen. Is deze intrigerende duobundel een wanhopige terugblik op bepaalde episodes uit de geschiedenis en is het aan de lezer om de koppelingen tussen deze momenten te maken? Of is ik hier jij daar een aanklacht tegen de gruwelen van de oorlog of tegen de wijze waarop mensen met vluchtelingen omgaan? Zijn de gedichten van Ghayath Almadhoun en Anne Vegter een waarschuwing tegen het angstige wij-zij-denken dat tot niets leidt? Omdat ik vooralsnog geen sluitend antwoord op deze vragen heb gekregen, weet ik dat ik nog veelvuldig in deze bundel zal blijven lezen en dat er telkens nieuwe vragen zullen volgen.

***
Ghayath Almadhoun is een Palestijnse dichter die in 1979 in Damascus geboren is. Hij woont sinds 2008 in Stockholm. Hij heeft vier poëziebundels gepubliceerd. In Zweden Asylansökan (2010), die het Klas de Vulders stipendiumfonds voor immigrantenschrijvers kreeg, en samen met de Zweedse dichter Marie Silkeberg Tot Damaskus (2014). Met haar maakte hij ook enkele poëziefilms. In 2017 verschenen Adrenaline en samen met Anne Vegter ik hier jij daar.  

Anne Vegter (1958) is dichter en proza-, toneel- en kinderboekenschrijfster. In 1990 kreeg ze de Woutertje Pieterse Prijs voor het kinderboek De dame en de neushoorn (1989), waarvoor Anne Vegter de tekst schreef en Geerten Ten Bosch illustreerde. In 2004 ontving ze de Anna Blaman Prijs voor haar hele oeuvre en in 2005 was ze samen met Antoine Uitdehaag en Anna Enquist winnares van de Taalunie Toneelschrijfprijs voor het stuk Struisvogels op de Coolsingel. In 2006 verscheen het boek Sprookjes van de planeet aarde. In 2012 won zij de Awater Poëzieprijs 2011 voor haar bundel Eiland berg gletsjer. Van 2015-2017 was ze Dichter des Vaderlands.

Gedichten

Uit ‘Ik kan niet aanwezig zijn’:

Ik kan niet aanwezig zijn, want op dit moment word ik in beslag genomen
door de koude oorlog, waar ik me dagelijks samen met mijn eenzaamheid
in stort. Ik word in beslag genomen door de nachtblinde bombardementen,
de systematische depressie, de aanvallen van eenzaamheid met de keuken
als doelwit, door de controleposten die tussen mij en de zomer staan, door
de bureaucratie die voortkomt uit de scheiding tussen de wetgevende en de
uitvoerende macht, door de routine bij de belastingdienst. Jij hebt me lang over
de oorlog verteld, laat mij jou kort over de vrede vertellen, waarvan ik hier in
het Noorden geniet. Laat me je vertellen over schakeringen van de huidskleur,
over wat het betekent dat de mensen je naam niet kunnen uitspreken, over
zwart haar, over de democratie die altijd in het voordeel is van de rijken, over
de ziektekostenverzekering die de tandarts niet dekt omdat het gebit geen
deel is van het lichaam. Laat me je vertellen over de groenten die geen smaak
hebben, over de bloemen die geen geur hebben, over het racisme dat wordt
verdoezeld door een glimlach. Laat me je vertellen over snelle maaltijden,
snelle treinen en snelle relaties, en over het trage ritme, het trage verdriet en
de trage dood.

*

Uit ‘Ik kan niet aanwezig zijn’:

Geloof je me als ik je zeg dat mijn schoenen moe zijn en dat er een wolf in me
schuilt die ik niet meer kan intomen sinds hij de geur van bloed heeft geroken?
Geloof je me als je op mijn lichaam sporen ziet van de kogels waardoor mijn
vrienden daarginds zijn getroffen, terwijl ik hier achter mijn computerscherm
zat? Geloof je in het toeval? Geloof je dat mijn afwezigheid een uiterst
zorgvuldig beraamd toeval is, een weloverwogen, willekeurige gebeurtenis? Ik
heb toevallig ontdekt dat het niet toevallig is dat iets toevallig gebeurt, maar
dat het juist toevallig is dat het niet gebeurt.
Hoe het ook zij, geloof je me als ik je zweer op de muziek, dat onze Europese
verblijfsvergunning de afstand tussen ons en de dood door kogels heeft
vergroot, maar ons dichter bij zelfmoord heeft gebracht?

*

Uit ‘Details’:

Weet je waarom we sterven als we door een kogel worden doorboord?
Omdat 70% van het menselijk lichaam uit water bestaat
Precies alsof je een gat in een watertank zou slaan.
Was het een opstootje dat danste bij de ingang
van de steeg, toen ik langsliep?
Of was het een sluipschutter die me observeerde en mijn laatste
voetstappen telde?
Was het een verdwaalde kogel
of was ík verdwaald, ook al was ik al een derde
eeuw oud?

*

Dat kleine gat
dat achterblijft nadat de kogel is gepasseerd,
heeft mijn inhoud geleegd,
alles was kalm naar buiten gegleden,
herinneringen,
namen van vrienden,
vitamine C,
de bruiloftsliederen,
het Arabische woordenboek,
de temperatuur van 37 graden,
urinezuur,
de gedichten van Aboe Noewaas,
en mijn bloed.

Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga

Ghayath Almadhoun: Weg van Damascus.
Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam
ISBN 978 94 91921 06 3

De tuin in Meander

Dichters in de Prinsentuin 2015

Op vrijdag 17, zaterdag 18 en zondag 19 juli vindt in Groningen weer het jaarlijkse festival Dichters in de Prinsentuin plaats. Zoals de naam al zegt in de Prinsentuin, maar voor een deel ook in de Puddingfabriek. Poëzie hoort immers overal thuis.
Uit de tientallen dichters die op zullen treden kozen de samenstellers acht kleurrijke personen die in Meander worden uitgelicht.
Zie verder natuurlijk www.dichtersindeprinsentuin.nl.


Foto: Olaf Otto (www.olafotto.com)


Ghayath Almadhoun (1979)

Uit Syrië afkomstig kan deze dichter niet anders dan geëngageerd te zijn. Maar wat voor een dichter is het. In zijn rauwe en trefzekere gedichten overstelpt hij ons met het ene na het andere prachtige beeld waarin hij klassieke Arabische poëzie koppelt aan een sterke moderne stem. Daarnaast heeft deze man een geweldige ontroerende manier van voordragen, die je met een brok in je keel achterlaat.

Hoe ik een dichter werd

Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw
verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet
onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te
kopen. We vonden een verdriet dat in goede staat verkeerde, het was alleen
een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer
zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. Het verdriet beviel haar
wel en we besloten het te nemen. Maar we waren het niet eens met de prijs,
dus zei de handelaar dat hij er, als we het verdriet zouden kopen, gratis
een pakketje leed uit de jaren zestig bij zou geven. We stemden in met zijn
voorstel en ik was blij met het extra leed, waarop we niet hadden gerekend.
Toen ze merkte hoe gelukkig ik er mee was, zei ze: ‘Je mag het hebben.’ Ik
deed het leed in mijn tas en we gingen op weg. Die avond schoot het me weer
te binnen. Ik haalde het uit mijn tas en bekeek het van alle kanten. Het was
van hoge kwaliteit en verkeerde in goede staat, hoewel het al een halve eeuw
was gebruikt. Kennelijk had de handelaar geen idee van de waarde gehad,
anders had hij het ons vast niet gegeven in ruil voor de aanschaf van het
onbeduidende verdriet van een jonge dichter. Wat me vooral tevreden stemde,
was dat het existentieel leed was, dat bovendien uiterst professioneel in elkaar
was gezet, met prachtige, bijzonder verfijnde details. Het had vast toebehoord
aan een geleerde of een ex-gevangene. Ik begon het te gebruiken en zo werd
de slapeloosheid mijn dagelijkse metgezel en werd ik een voorstander van
de vredesbesprekingen. Ik ging niet meer op bezoek bij mijn naasten, het
aantal memoires in mijn boekenkast groeide en ik uitte nog maar zelden mijn
mening. Mensen werden me dierbaarder dan het vaderland en ik begon me te
vervelen. Maar wat ik vooral opmerkelijk vond, is dat ik een dichter werd.

Uit Weg van Damascus, Uitgeverij Jurgen Maas, 2014
Vertaling: Djûke Poppinga

Jan Bos (1937)

Jan Bos, een Groninger op leeftijd die nu eens niet alleen maar schrijft over weilanden, hooivorken en slootjes. Bos kijkt in zijn poëzie verder dan de provinciegrenzen: Griekse mythen, wijdse uitzichten en andere sprongen in tijd en ruimte keren regelmatig in zijn werk terug. Een gedicht van hem herken je meteen en daarom voegen we hem voor de tweede keer graag toe aan onze line-up.

(ien Hogelaandster toal)

Holten gedicht

Mien hazzens draaien woest
ans n roazende cirkelzoag, dij
jakkert deur stoenze stammen
van tegendroads austig aikenholt.

Mien hakblok bonkt dof onner
elke klap van mien kleuvbiel.
Eerste maggelblokken worren
spöldt ien hapkloare brokken.

Schaarpe heksebiel ligt kloar
bie aanbegun van aale nije kronkels.
t Is t beuken en t kleuven
ien verbeeldens van regelstukken.

k Perbaaier woorden oet te hakken,
mor t blieven toektakkege misbaksels,
tegendroadse dwaarsbongels,
braandholt aan distiedtou, fik ter ien!

Stoenze = stugge * austig = weerbarstig * kleuvbiel = bijl om mee te klieven * maggelblokken maggeln = slecht schrijven * toektakkege = naar alle kanten uitgroeiende takken, grillige * dwaarsbongels = dwarsdrijvers * distiedtou = tot aan deze tijd, tot dit moment * spoldt = gespleten * perbaaier = probeer

Frank Keizer (1987)

Frank Keizer is geen onbekende voor ons. Hij trad al eens bij ons op rond de tijd dat zijn chapbook Dear world, fuck off, ik ga golfen verscheen. En natuurlijk kennen we het magazine Samplekanon dat hij samen met Maarten van der Graaff bijhoudt. In januari zal zijn nieuwe bundel Onder normale omstandigheden verschijnen. Wij kunnen niet wachten en daarom staat hij wederom op het programma.

Klaarheid over mijn bestaan
in de lange nacht, die niets overbrugt.
Bang dat ik de wereld die ik zoek
zelf verduisterd heb, nooit iets leerde
van mijn ervaringen in Nederland,
omdat zij mij, man
uit de middenklasse,
altijd heeft geaccepteerd.
En ik accepteerde haar.
Met mijn legitieme woede,
mijn onhandigheid
en mijn jonge lichaam met organen.
Die ik roofde
uit de lichamen van mijn ouders
en hun ouders voor hen.
Ze zijn overbodig geworden
en ik ben verward, zonder organisatie.

Elmar Kuiper (1969)

Een grote Fries is een grote Nederlandse dichter geworden. Zijn nog te verschijnen bundel Ruimtedier wordt een wondertol en met zijn vrije manier van associëren en soms dwarse manier van beeld aan beeld rijgen is het een losgezongen, vrije stem die wij maar wat graag verwelkomen.

ooit schiet het op

Spijtig! De autocue van Johannes de Doper loopt vast. Achter
de rug van de verslaggever woedt de Peloponnesische oorlog.

Onder de parasol van de pijnboom rekt de herder zich uit na
een verkwikkend dutje. Bedeesd schat hij de afstand in tussen

het afgedwaalde schaap en de ravijn. Het gezicht is bepoederd.
De scheiding moet rechts van het midden. Er groeit geen gras

op de voedingsbodem. Iemand weet natuurlijk iets. Geen nood.
De editor snijdt nooit in het ruwe materiaal. Johannes de Doper

haalt spoedig de feiten in. Ooit schiet het op. Luister! De slagpin
slaat al tegen het slaghoedje aan. De dood is een blote poedel,

totdat de Eindtijd aanbreekt.

Uit: Ruimtedier, Atlas Contact

Richard Nobbe (1993)

De voorman van de nieuwe beweging van jonge Winschoter dichters. In zijn kielzog een hele ploeg jonge dichteressen. Aangezien we deze beweging een warm hart toedragen is het niet meer dan terecht dat Richard Nobbe op Dichters in de Prinsentuin optreedt. In zijn poëzie probeert hij nog alle hoge en lage noten te bereiken, maar Nobbe wil urgent en oprecht doordringen tot de hoofden van de lezers.

Vroeger

Vroeger was alles beter,
ik kan het weten,
want ik heb
– in de jaren negentig –
mijn luiers volgekakt.

Vroeger was het zo mooi
want ja vroeger was
alles nog in sepia
vroeger was alles nog vroeger
ging je naar binnen als het licht aanging,
nu is dat vroeger op die iPads,
vroeger bouwden we hutten
van stront met stukjes
en omgevouwen bordkarton
vroeger praatten we nog met elkaar
want ja, nu is niet vroeger
en nu is alles monddood
omdat ik in de trein niet mijn bek opentrek
omdat mijn bek meurt als een blik met Trabantuitlaatgas
je reinste Ostalgie
en de muziek werd gemaakt op echte gitaren
van sloophout, afkomstig van slavenhandel
en snaren van versgesponnen schapendarmen,
maar ja, dat was vroeger.

Ja, vroeger vroeger vroeger vroeger
vroeger was.
ALLES mooier.

En ik kan het weten,
want ik ben geen twintig meer,
en heb de wereld meegemaakt.

Johan Roos (1973)

P.F. Thomése en Mirjam van Hengel hadden in 2013 al goed in de smiezen dat Johan Roos talent heeft: volgens hen was hij één van de meest veelbelovende dichttalenten van dat jaar. Wintertuin was het ermee eens en voegde hem toe aan hun agentschap.  Dat leidde tot de uitgave van het korte, sobere en anekdotische Hond Leeuw Zee waarin zware thema’s aan de orde komen. Immers: “Hoe zwaarder het thema, hoe lichter de vorm moet zijn.”

Lichamen

De man met de vilten hoed beweert dat hij Godsbewijzen verzamelt.
Ik zeg dat ik dat best wil geloven.
 
Hij heeft ze gewikkeld in theedoeken, diept ze op uit een linnen tas,
vouwt de eerste doek voorzichtig open.

Er ligt een vogel in. Doffe ogen. Stijve pootjes. Bruine vleugels.
De man neemt zijn hoed af.

Hij zegt: ‘Vanochtend ging zijn lied nog dwars door mijn borstbeen.’ en
‘Alles in mij resoneerde.’ Ik denk dat ik dat best wil geloven.

Uit de tweede doek komt een kleine staartklok. De wijzers staan stil,
vlak voor het uur. De man zet zijn hoed op, prutst aan het raderwerk,
verhangt de gewichten en zegt: ‘Kijk, elk gevolg heeft een oorzaak.’

Ik zeg: ‘Elk?’
Hij zegt: ‘Elk.’
‘Altijd?’
‘Altijd.’
‘Niet vaak of soms?’
Hij zegt: ‘“Nee, altijd.”’
Ik zeg dat dat er bij mij niet in wil.

Ik zeg: ‘Ik heb twee keer een dierbare geboren zien worden
en één keer een dierbare zien sterven. Ik heb welkom geheten
en afscheid genomen.’

‘Drie keer heb ik aan een bed gezeten dat het
dwars door mijn borstbeen ging en nu weet ik alles
over soms en niets meer over altijd.’

Ik leg mijn handen op de vogel.
De staartklok slaat.
Ik til mijn handen weer op.
De vogel vliegt weg.
De man neemt zijn hoed af.

Ik huiver, trek mijn capuchon over mijn hoofd
en loop de vogel achterna.

Uit chapbook Hond Leeuw Zee

Vrouwkje Tuinman (1974)

Met de bundel Sanatorium levert Tuinman een huzarenstukje af in de Nederlandse bom. Wat een geweldige bikkelharde, maar met chirurgische precisie opgeschreven gedichten worden er in deze bundel in stelling gebracht. Gedichten die voelen als wodka: zelf ijskoud, maar vanbinnen zetten ze je in lichterlaaie.

Ik zou er voor tekenen

In één keer neervallen terwijl
je een vuilniszak verwisselt en je
vrouw zegt: Kees, wat doe je nu weer.
Maar je doet niks meer.

Precies zo blijven, op deze leeftijd,
of misschien vijf jaar jonger.
Met deze mensen, precies
hier. Heeft iemand een pen?

Op de optimale dag. Met een schok.
Wie ervan hoort (in het journaal?)
weet nog jaren later waar hij
was en wat hij deed.

Langzaamaan vergeten wie
je ook alweer was, en gaandeweg
in slaap geraken. Andersom van hoe
het ooit begon. Verbleken.

Uit Sanatorium, Uitgeverij Cossee 2014

Jante Wortel (1996)

Jante Wortel was één van de vele dichters die werk naar ons stuurde. Wat gelijk opviel was het constante hoge niveau. Geen uitschieter naar boven of naar beneden, maar drie hele goede gedichten waarin de hoofdpersonen over bushokjes dromen, snappen wat je met ‘dit’ bedoelt en rondjes lopen door de keuken. Gedichten die je nog een tweede keer wilt lezen en die nieuwsgierig maken naar de voordracht ervan. Sinds onze uitnodiging won deze studente aan de opleiding Creative Writing aan ArtEZ ook nog eens de Kunstbende van Drenthe. Dat zal ongetwijfeld niet de laatste prijs zijn.

met het oog op morgen

ik heb me voorgenomen na tien uur
’s avonds geen filmpjes meer te kijken
waarin mensen hun oor verliezen

de laatste keer dat ik me daar niet aan hield
droomde ik over bushokjes
mannen met honden
en een onbedwingbare drang om kopstoten te geven

soms loop ik als ik ’s nachts wakker word
naar de kraan om mijn handen te wassen
dan trek ik mijn pyjamabroek tot over mijn navel
en keer mijn kussen om

met mijn handen op mijn buik
stel ik me voor dat ik zwanger ben
de rest van de nacht droom ik over verjaardagen